miniatuur|Schedels van genocideslachtoffers in het herdenkingscentrum van Nyamata De Rwandese genocide was een genocide die in 1994 plaatsvond in het Afrikaanse land Rwanda. Gedurende deze genocide werden naar schatting 500.000 tot 1 miljoenBBC: "Rwanda: How the genocide happened" (geeft een schatting van 0,8 miljoen doden) en Africa Recovery, Vol.12 #1 (August 1998), page 4: "OAU sets inquiry into Rwanda genocide door Ernest Harsch (geeft een aantal van tussen de 0,5 en 1 miljoen doden) Tutsi's (ongeveer 70% van de totale bevolkingsgroep), gematigde Hutu's en Twa in een periode van 100 dagen, van 7 april tot 15 juli 1994, vermoord. De meeste moorden werden gepleegd door twee Hutu-milities: de Interahamwe, een jeugdmilitie van regeringspartij MRND, en de Impuzamugambi van de extremistische splinterpartij CDR.

De internationale vredesmacht die in de regio gestationeerd was, UNAMIR, greep niet in vanwege het krappe mandaat van de troepen. Dit is de Verenigde Naties en vooral de leden van de Veiligheidsraad op veel kritiek komen te staan.

De genocide werd gestopt door de rebellenbeweging van de Tutsi's, bekend als het Rwandees Patriottisch Front (RPF), geleid door Paul Kagame. Na de overwinning van het RPF werd Kagame vicepresident en minister van Defensie. Sinds 2000 is hij president van Rwanda.

Achtergrond Oorzaak De oorzaak van de genocide ligt in de verstoring in de koloniale tijd van de verhoudingen tussen de Hutu-meerderheid (85%) en de Tutsi-minderheid (14%), de overige 1% komt van de Twa. Latere machthebbers hebben de tegenstellingen en sentimenten daarover aangewakkerd. De Rwandese Genocide is de som van decennialange processen van politieke legitimatie en besluitvorming, diepgewortelde opvattingen over etniciteit, een cultuur van sociale uitsluiting en straffeloosheid, en internationale tweeslachtigheid en hypocrisie. Reading the Rwandan Genocide, in: "International Studies Review", Jaargang 3, Nr. 3., p. 75-99, uitg. Wiley-Blackwell, New Jersey (2001).

Een andere achterliggende factor was de overbevolking. Door betere medische zorg en hygiëne, en door het verbouwen van nieuwe gewassen, was de Rwandese bevolking tijdens de 20e eeuw sterk gegroeid. De landbouw was echter nauwelijks gemechaniseerd, waardoor die arbeidsintensief en grondintensief was: er waren zeer veel kleine boerderijen waar de boeren nauwelijks konden overleven en vrijwel al het land waar geen huizen of wegen waren, werd gebruikt voor landbouw. Dit werd verergerd door erosieproblemen, waardoor boeren hun land soms letterlijk zagen wegspoelen. De kloof tussen arm en rijk groeide doordat grotere grondbezitters wel goed boerden en goedkoop land konden kopen van de noodlijdende kleinere boeren. Bovendien raakte een steeds groter deel van de bevolking chronisch ondervoed door overbevolking en misoogsten door erosie.

Familieverhoudingen werden op scherp gezet. Zonen bleven noodgedwongen thuis wonen, omdat er geen land meer was dat ze konden bewerken. Vooral jongste zonen voelden zich vaak tekortgedaan, omdat ze voor de ouders moesten zorgen en toch een even groot of zelfs kleiner deel kregen dan hun broers (wanneer de vader na de schenking aan oudere broers land had moeten verkopen). Anderzijds verzetten vaders zich tegen de druk om land aan zonen te schenken, omdat ze bang waren zelf voor hun oude dag onvoldoende over te houden. Soms maakten ze een afspraak met een van de zonen dat deze voor de vader zou zorgen in ruil voor meer land; dit zette kwaad bloed bij broers. Ook een gebroken gezin, gevolgd door hertrouwen. was een recept voor conflicten tussen kinderen van verschillende families. Ook het aantal rechtszaken en conflicten over grondbezit nam in de aanloop naar de genocide toe.Jared Diamond (2005): Collapse: How societies choose to fail or succeed. New York: Penguin. Vooral kwetsbare groepen als vrouwen, alleenstaanden, niet-erkende kinderen, weduwen en wezen moesten het ontgelden. Er groeide een aversie van arm tegen rijk: verarmde jongere boerenzonen die niets meer te verliezen hadden, vonden al snel hun weg naar radicale Hutu-milities.

Pre-koloniale tijd

Het pre-koloniale Rwanda kan niet beschouwd worden als een hechte natie met Hutu- en Tutsi-identiteiten als maatschappelijke categorieën. Hoewel de koning op mythologische gronden gezag claimde over heel Rwanda en enkele aangrenzende gebieden, beperkte zijn macht zich hoofdzakelijk tot Nduga, een streek in Centraal-Rwanda. De rest van het grondgebied bestond uit een bonte schakering chiefdoms en andere autonome gebieden, waar het gezag van de koning hooguit in naam bestond. De integratie van de verschillende etnische groepen was in de 19e eeuw ver doorgevoerd: ze spraken dezelfde taal, geloofden in dezelfde god, deelden dezelfde cultuur, woonden naast elkaar en deelden in veel gebieden de macht. Ethnicity and Power in Burundi and Rwanda: Different Paths to Mass Violence, in "Comparative Politics", Jaargang 31, Nr. 3, p. 253-271, uitg. City University of New York (1999) De bevolking identificeerde zich aan de hand van verwantschapsgroepen zoals Umuryango (nauw verwante familiegroepen) en clans. Clans bevatten Umuryango van verschillende etnische achtergronden. De clans werden bestuurd door Umuryango-chiefs, waarbij gezag eerder aan de machtigste Umuryango toeviel dan aan een etnische categorie. The Cohesion of Oppression, clientship and ethnicity in Rwanda 1860-1960, 293 p., uitg. Columbia University Press (1988) Kings and Clans, Ijwi Island and the Kivu Rift 1780-1840, H.st. 4, uitg. The University of Wisconsin Press (1991)

Tegen het einde van de 19e eeuw trachtte koning Rwabugiri, een Tutsi, het politieke systeem te centraliseren. Machtige Umuryango-chiefs werden vervangen. De nieuwe chiefs, allen afkomstig uit Centraal-Rwanda, werden aangesteld in een piramidestructuur met afnemende bevoegdheid. Rwabugiri hervormde meteen het traditionele patronagesysteem. Van oorsprong bestond het patronagesysteem uit het gebruik van vee door een cliënt (Ubuhake) waarvoor een tegenprestatie verschuldigd was, zoals militaire dienst. Onder Rwabugiri kwam er een cliëntschap voor land bij (Ubutaka) met als doel het leger te versterken. Ook werd een vorm van belasting in natura geïntroduceerd die in latere periodes een belangrijke rol zou gaan spelen in de uitbuiting van Hutu's: Ubureetwa. Ubureetwa-prestaties bestonden uit het leveren van arbeid en consumptiegoederen.

Duitse periode (1890-1916)

In 1890 koloniseerde het Duitse Keizerrijk Rwanda en het naburige Burundi. Verdeel en Heers, de deling van Afrika 1880-1914, p. 199, uitg. Bert Bakker, Amsterdam (1992) De Duitse aanwezigheid was aanvankelijk minimaal en er veranderde weinig. Rond de eeuwwisseling zorgde een reeks ingrijpende gebeurtenissen voor grote veranderingen. Na de dood van koning Rwabugiri in 1895 leidde een machtsstrijd over zijn opvolging tot politieke chaos in het land en er heerste een runderpestepidemie. Deze roerige periode werd beïnvloed door de gevolgen van de Europese machtsuitbreiding in Afrika. Zuidwest-Rwanda kreeg invallen te verduren van rebellerende legereenheden uit Belgisch Congo en bleef enige tijd bezet.

Met de komst van de Duitsers probeerde een aantal ambitieuze chiefs te profiteren van het machtsvacuüm dat was ontstaan. Hun macht werd uitgebreid en het patronagesysteem kreeg meer en meer een exploitatiekarakter. Traditioneel landbezit werd door veel chiefs afgeschaft om meer Ubutaka-cliënten te werven. Daarnaast zagen deze chiefs hun kans schoon om hun kuddes weer op peil te brengen door het vee van de plaatselijke bevolking te confisqueren. De Duitsers zouden ook zelf regelmatig vee geroofd en opstanden neergeslagen hebben om machtige chiefs gunstig te stemmen. Plaatselijke onderdrukking maakte geen onderscheid tussen Tutsi's en Hutu's. De situatie culmineerde in een gezamenlijke opstand van Tutsi's, Hutu's en Twa's in Noord-Rwanda, onder leiding van Ndungutze, de kleinzoon van Rwabugiri, die afschaffing van de landprestaties beloofde. De Duitsers grepen hard in, overmeesterden de belangrijkste onafhankelijke Twa-chief in 1911 en vielen in april 1912 bij verrassing het hoofdkwartier van Ndungutze aan en smoorden de revolutie in de kiem.

Belgische overheersing (1916-1962)

Toen in 1916 de Belgen de Duitsers uit Rwanda verdreven troffen ze dus, zonder zich daarvan bewust te zijn, zeer recent ontstane verhoudingen aan. Het repressieve systeem, dat voor het gemak als traditioneel werd beschouwd, vormde een welkome gelegenheid voor het instellen van 'indirect rule' via de chiefs. Om de positie van de chiefs te versterken werd Ubureetwa in 1924 geïnstitutionaliseerd. Alle Hutu's moesten enkele dagen per week werken voor hun chief. Gesteund door het koloniale bewind verwierven de chiefs een vrijwel ongelimiteerde macht over het volk, wat gepaard ging met misbruik en mishandeling van zowel Hutu's als Tutsi's. Hoewel het bewind zich officieel ten doel stelde de geconstateerde misstanden uit te bannen, vervingen de Belgen 'inefficiënte' chiefs door repressieve chiefs.

Individuele belasting werd enkele malen verhoogd en een belasting in natura werd geheven voor de voedselvoorziening van de Belgen. In de jaren 20 werd aan deze lasten de Akazi toegevoegd, een vorm van dwangarbeid (Corvee) die al langere tijd in Belgisch Congo werd toegepast. Begin jaren 40 werd de druk nog verder opgevoerd om de oorlogsinspanningen te ondersteunen. Veehouders werden gedwongen vee te verkopen en ondanks een droogteperiode van twee jaar werden landbouwers gedwongen voedselproductie te verkopen. Het resultaat was een dramatische hongersnood, waarbij meer dan 300.000 mensen (15% van de toenmalige bevolking) het leven lieten. Famine Crimes: Politics & The Disaster Relief Industry in Africa., p. 30, uitg. John Currey Pub. (1997)

België bestuurde Rwanda als een kolonie, maar officieel was het een protectoraat van de Verenigde Naties. Na de Tweede Wereldoorlog leidden kritische VN-rapporten tot de afschaffing van Ubureetwa en Ubuhake, hoewel ze in de praktijk in een aangepaste vorm bleven bestaan. Pouvoir et droit au Rwanda, Droit public et évolution politique, 1916-1973, p. 207, uitg. Tervuren: Musée Royal de l’Afrique Centrale (1985) De VN oefenden ook kritiek uit op het gebrek aan mogelijkheden voor vooral de Hutu-bevolking om deel te nemen aan de politiek. In de jaren 50 bestond de invloed van de autochtone bevolking op het bestuur slechts uit adviesraden die bovendien voor meer dan 90% uit Tutsi's bestonden. De koning, Charles Mutara Rudahigwa, vertelde in een interview in 1955 dat de invloed van de VN geen rol van betekenis speelde in Rwanda: "België is de vader". Inside Africa, p. 675, uitg. Hamish Hamilton, London (1955)

Segregatie De in Europa populaire voorstelling van het pre-koloniale Afrika was een in primitieve stammen georganiseerde samenleving met feodale structuren en een statische geschiedenis waarin historische Europese en Aziatische cultuur-concepten werden herkend. The Black Man's Burden, Africa and the Curse of the Nation-State, 342 p., uitg. James Curry Ltd. London (1992)