thumb|Lezing over hoe de evolutie van flexibilisering op de arbeidsmarkt leidt tot polarisering - Universiteit van Vlaanderen De arbeidsmarkt is een economische en sociologische benaming voor de interactie tussen vraag naar en aanbod van arbeidskrachten. In het algemeen is er geen daadwerkelijke centrale, gereguleerde marktplaats waarop vragers en aanbieders elkaar fysiek ontmoeten, maar is er sprake van een abstracte markt. Hier zijn uitzonderingen op. Zo zijn er soms plaatselijk door een gemeente of een arbeidsbureau banenmarkten georganiseerd, veelal exclusief gericht op werklozen.
Op de arbeidsmarkt worden niet zozeer arbeid of precies gedefinieerde arbeidsprestaties aangeboden, maar arbeidsvermogen. Er is ook geen sprake van koop, maar van huur. Om het arbeidsvermogen om te zetten in arbeidsprestaties verkrijgt de werkgever een beperkte beschikkingsmacht over de werknemer. Arbeidsvermogen is strikt genomen ook geen goed, maar een fictief goed.
De arbeidsmarkt heeft twee kernfuncties. Allereerst wordt er een prijs tot stand gebracht. Dit is het loon dat de werkgever aan de werknemer betaalt voor diens arbeidsvermogen. Daarnaast is er sprake van allocatie waarbij het arbeidsvermogen verdeeld wordt. Bij een sterke institutionalisering van de arbeidsverhoudingen in bijvoorbeeld collectieve arbeidsovereenkomsten vinden beide relatief autonoom van elkaar plaats. De arbeidsmarkt wordt dan ook wel opgesplitst in een loonmarkt en een werkgelegenheidsmarkt.
Vaak wordt ook het arbeidsaanbod van zelfstandigen tot de arbeidsmarkt gerekend.
Fabriekssysteem Een arbeidsmarkt ontstaat bij de verbreiding van loonarbeid. Hoewel hier al sprake van was in middeleeuwse steden, groeide dit vooral tijdens de industrialisatie. Het fabriekssysteem verving toen de plattelandsnijverheid en zelfstandige arbeiders die hun eigen gereedschappen in bezit hadden, werden loonarbeiders die niet over eigen productiemiddelen beschikten, die daarvoor te kapitaalintensief waren. Het fabriekssysteem met zijn arbeidsdeling werd zo succesvol dat kantoren op vergelijkbare wijze werden georganiseerd. Zo kreeg de arbeidsmarkt een centrale rol in het moderne arbeidsbestel.
Aanvankelijk had het fabriekssysteem zoals dat werd gepropageerd door de wetenschappelijke bedrijfsvoering en het fordisme tot gevolg dat arbeiders van hun werk vervreemdden met een groot personeelsverloop tot gevolg. Een van de manieren om dit tegen te gaan, en de binding met het bedrijf te vergroten, was de ontwikkeling van een interne arbeidsmarkt. Een deel van de banen werd daarbij afgeschermd van de externe arbeidsmarkt. Dat betekende een grotere werkzekerheid voor de bestaande werknemers, maar ook uitsluiting van de arbeiders buiten de organisatie.
Machtsverhoudingen Op de arbeidsmarkt zijn beide partijen nog zelfstandig. Dat betekent niet dat beiden evenveel invloed hebben op het onderhandelingsproces waarin de arbeidsvoorwaarden worden afgesproken die worden vastgelegd in het arbeidscontract. Over het algemeen is de werkgever de machtiger partij op de arbeidsmarkt. Zo kan het zijn dat de werknemer zelfs geen enkele invloed uit kan oefenen op de arbeidsvoorwaarden en slechts kan kiezen om wel of geen arbeidsrelatie aan te gaan. Deze keuze wordt beperkt, omdat de werknemer niet los kan worden gezien van zijn arbeidsvermogen. Voor de werknemer is er vaak geen keuze tussen wel of niet werken. De economische dwang om een contract aan te gaan is over het algemeen groter voor de werknemer.
Beschikkingsmacht Zodra een arbeidsrelatie wordt aangegaan, ontstaat een gezagsverhouding met de werknemer in een ondergeschikte rol. De beschikkingsmacht van de werkgever over de werknemer is echter niet volledig. Deze is gedifferentieerd, gedelegeerd en gelimiteerd.
De beschikkingsmacht is gedifferentieerd, omdat deze weliswaar aanwezig is in de arbeidsrelatie, maar niet op de arbeidsmarkt. Daarnaast wordt de beschikkingsmacht door ondernemers vaak gedelegeerd naar leidinggevend personeel. Verder is er sprake van een beperking van de beschikkingsmacht door het arbeidscontract en wetgeving.
Institutionalisering Aanvankelijk was er sprake van deregulering van die arbeidsmarkt om vrije concurrentie en arbeidsmobiliteit te bevorderen. De liberalen dachten aanvankelijk dat de markt zichzelf kon reguleren en lieten de ondernemers dan ook grote vrijheid. Uiteindelijk bleken de werkgevers echter een veel sterkere partij, wat resulteerde in zeer slechte arbeidsomstandigheden, de sociale kwestie. Gaandeweg groeide de invloed van overheid en vakbonden dan ook.
In toenemende mate werden arbeidsvoorwaarden daarna collectief vastgesteld in collectieve arbeidsovereenkomsten. Deze collectivisering ging gepaard met een institutionalisering waarbij werkgevers, werknemers en ook de overheid met elkaar onderhandelden en overleg voerden. Zo kwam ook de regulering van de arbeidsmarkt op gang. Daarmee ging dit verder dan slechts de arbeidsovereenkomst en kwamen ook het sociaaleconomisch beleid en de sociale zekerheid op de agenda. De laatste jaren is er echter een voorzichtige tendens richting flexibilisering en decollectivisering van de arbeidsverhoudingen.
Institutionalisering betekent niet dat de ongelijkheid tussen werkgever en werknemer wordt opgeheven. Organisatorisch is de individuele werkgever over het algemeen verreweg machtiger dan de individuele werknemer. Door collectief te handelen, kunnen werknemers dit verschil verkleinen. In de meeste gevallen behoudt de werkgever echter een organisatorisch voordeel. Zolang investerings- en andere belangrijke bedrijfsbeslissingen niet volledig bekend zijn bij de werknemers, houden deze een informatieachterstand. Ook blijft de tijdsdruk groter voor de werknemer dan voor de werkgever. Werkgevers hebben ook meer strategieën tot hun beschikking. Zij kunnen kiezen uit overtuigen, belonen en sanctioneren, terwijl de werknemers vooral zijn aangewezen op de laatste.
Toegang In welke mate aanbieders van arbeidsvermogen toegang hebben tot de arbeidsmarkt wordt bepaald door prestatiekwalificaties, sociaal prestige en diploma's.
Hoewel het volgens de meritocratische principes wenselijk is dat er op verdiensten wordt geselecteerd, betekent dit niet het einde van sociale ongelijkheid. Het wel of niet de beschikking hebben over bepaalde kwalificaties is namelijk niet volledig afhankelijk van persoonlijke inzet. De genoten opvoeding en onderwijs zijn hier van grote invloed. De toegang hiertoe wordt in ieder geval deels beïnvloed door economisch, maar ook door cultureel kapitaal. Daarmee speelt afkomst nog steeds een rol en is de intergeneratiemobiliteit beperkt.
Sociaal prestige speelt een rol zodra er wordt geselecteerd op zaken als ras, sekse, geloof, politieke voorkeur, leeftijd, handicap of geboorteland. Hierbij kan sprake zijn van conventionele, maar ook van juridische uitsluiting als de staat hier aan meewerkt.
Het gebruik van diploma's, getuigschriften of titels is een professionalisering waarmee arbeiders met vergelijkbare kwalificaties, maar zonder diploma geweerd kunnen worden.
Spanning op de arbeidsmarkt In een eenvoudig model van de arbeidsmarkt komt een dusdanig loon tot stand dat aanbod en vraag aan elkaar gelijk zijn. De werkelijkheid ziet er evenwel anders uit, en toont zowel periodes dat het aanbod de vraag overtreft, als periodes dat het andersom is.
Ruime arbeidsmarkt Men spreekt van een ruime arbeidsmarkt als het arbeidsaanbod groter is dan de arbeidsvraag. Er is dan sprake van een aanbodoverschot. De gevraagde arbeid wordt in de meeste landen, waaronder België en Nederland, niet over de aanbieders verdeeld, maar er zijn aanbieders die werken en andere aanbieders die werkloos zijn.
Deze situatie treedt vooral op in een laagconjunctuur, als door onderbesteding de ontwikkeling van de economie tegenvalt. Als er minder producten en diensten worden afgenomen, wordt er ook minder arbeid verricht. Werkgevers zullen nog enige tijd een interne arbeidsreserve aanhouden voor het geval de vraag naar hun producten weer toeneemt, maar als de laagconjunctuur aanhoudt kan dat niet altijd worden volgehouden en kunnen er zelfs gedwongen ontslagen plaatsvinden. De werkloosheid die door laagconjunctuur ontstaat wordt conjuncturele werkloosheid genoemd.
Werkloosheid kan ook optreden als het loon dusdanig hoog is dat het aantrekkelijk wordt voor ondernemers om om te zien naar productiewijzen waarbij minder van menselijke arbeid gebruik wordt gemaakt en meer van machines en andere kapitaalgoederen. Er vindt dan substitutie van arbeid door kapitaal plaats. Andere vormen van substitutie zijn eveneens mogelijk. En werkloosheid kan ontstaan als er, gegeven de bestaande productiemethode, niet genoeg productiecapaciteit is om de gevraagde goederen en diensten te produceren. De werkloosheid die zo ontstaat wordt wel structurele werkloosheid genoemd.
Het onderscheid tussen conjuncturele en structurele werkloosheid is niet zomaar cijfermatig aan te geven, omdat dit afhangt van wat als een 'normale' economische of technologische ontwikkeling wordt beschouwd en hoe de productiecapaciteit wordt gemeten. Het is echter wel van belang voor de te maken beleidskeuzes.
Ongeacht de oorzaak van de werkloosheid, zal het loon de neiging hebben om te zakken omdat de aanbieders van arbeid onderling concurreren en de vragers de aanbieders voor het uitkiezen hebben. Deze op het eerste gezicht evenwichtsherstellende reactie kan echter worden afgevlakt door bestaande collectieve arbeidsovereenkomsten (cao's) of door wetgeving over bijvoorbeeld het minimumloon. Daarnaast is het niet zeker dat het aanbod van arbeid daalt als het loon afneemt. Werknemers zijn tegelijk ook consument en terwijl ze vanwege de lagere beloning minder zouden willen werken, hebben ze juist meer arbeid nodig om hun inkomen op peil te houden. Hoe het saldo van het prijseffect en het inkomenseffect uitvalt zal per situatie en per aanbieder verschillen.
Krappe arbeidsmarkt Er is sprake van een krappe arbeidsmarkt als de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod van arbeid. Werkgevers blijven zitten met onvervulde vacatures, ofwel openstaande vraag. Zij kunnen dit tijdelijk opvangen met overwerk of door mensen uit andere regio's of landen te laten pendelen, maar daar zijn extra kosten aan verbonden. Een loonstijging zal dan ook onvermijdelijk zijn: de werkgevers concurreren met elkaar, en de aanbieders van arbeid hebben de banen voor het uitzoeken. Dit kan ertoe leiden, dat personen die voorheen geen arbeid aanboden dit alsnog gaan doen, dat ouderen herintreden of dat jongeren eerder hun opleiding afronden. Mogelijk zullen ook aanbieders van arbeid uit andere streken zich gaan vestigen (immigratie). Een andere mogelijkheid, die aantrekkelijker wordt als de lonen stijgen, is dat via substitutie de productiewijze wordt aangepast.
Een krappe arbeidsmarkt is meestal het gevolg van hoogconjunctuur, waarbij overbesteding leidt tot de wens om meer te produceren. Er kunnen echter ook andere oorzaken zijn. Zo wordt in Nederland door regering en vakbonden verwacht dat er krapte op de arbeidsmarkt op zal treden doordat als gevolg van vergrijzing het aantal personen dat arbeid kan verrichten daalt.Kabinet Balkenende, "Tripartite beleidsinzet Participatietop", 27 juni 2007
Skills-based arbeidsmarkt