thumb|(Haring)buis Buis was een benaming van een bepaald type zeevarend kielschip waarvan de geschiedenis terugvoert tot in de middeleeuwen. Het vaartuig werd volgens bronnen (zie verderop) in de middeleeuwen aangeduid als buza. Men veronderstelt dat daaruit de benaming buis is ontstaan. Het ging zowel om koopvaarders als om vissersschepen. De vissersschepen waren voor Holland en Zeeland veruit de meest voorkomende en qua documentatie de meest belichte objecten.Nederlandsche Zeevisscherijen (1885) Mr. A. Beaujon. Blz. 66De Zeevisscherij van Holland in den tijd der Republiek (1946) H.A. H. Kranenburg. Blz. 15
Koopvaarders, buizen en niet-buizen De buis van de Middellandse Zee, ook wel buzza, bucia en bucius genoemd, was een vrachtschip dat voor en achter gelijkvormig was, net als de Scandinavische modellen. Het schip was voor Middellandse Zee-begrippen zwaargebouwd en het had drie Latijn getuigde masten en twee stuurriemen. Het verdween aan het einde van de 13e eeuw door de invoering van de Kogge met stevenroer. Later, in de 15e eeuw, werd volop gebruikgemaakt van de buis in de koopvaardij, ook in de streken van het Hanze-verbond. Eerst waren ze nog klein met een inhoud van 8 last.Een last kwam overeen met 2,837 m³ Ze waren overnaads beplankt net als de tot dan toe gebruikte kogge, maar met een platte spiegel — het front van het achterschip — zoals bij de Ewer. De buizen werden allengs groter en daarbij gladboordig beplankt. Het VOC-schip met de naam 'Gouden Buys' was een nog als buis uitgevoerd koopvaardijschip. De fluit die in Hoorn in 1595 voor het eerst werd gebouwd, was, naar het zich laat aanzien, een doorontwikkeling van de buis.
Alle hier geciteerde bronnen zijn van de hand van rapporteurs die met name de zeevisserij, en deze teruggaand tot in de Middeleeuwen, hebben beschreven. Dat impliceert dat alles wat zij hebben aangedragen omtrent zeevaartuigen in het algemeen en buizen in het bijzonder, betrekking heeft op schepen die de zeevisserij beoefenden. Dit geldt zowel voor aantallen als voor afgelegde of af te leggen afstanden, voor maten, volumes, locaties en bemanningen. Men kan ver teruggaan in de tijd getuige de rapportage van de Belgische historicus R. Degryse van wiens hand eertijds "Vlaanderens haringbedrijf in de Middeleeuwen" verscheen. Wellicht is de hier en daar aangetroffen benaming buza in oude tijden óók aan verschillende andere historische scheepstypen toegekend geworden. Bij Adriaen Coenen treffen we later daarvan een voorbeeld. Vaderlandse bronnen zijn vanaf de 15e eeuw te Holland en Zeeland begonnen, in bezit zijnde aantallen buizen te vermelden.
Getallen en aantallen Uitgaande van een opgave uit 1728, afkomstig van de Vlaardingse scheepswerf "'s Lands Welvaren" en gedocumenteerd in een indrukwekkend naslagwerk,Om een bevaeren schip te maecken Geschiedenis van de Vlaardingse scheepswerven (1997) Matthijs A. Struijs m.m.v. M. Peter Zuydgeest en Daan van Os. Blz. 300. waren met betrekking tot een gebouwde buis de volgende — omgerekende — maten voorhanden: lengte 13,73 meter, breedte 3,48 meter en diepte 2,05 meter. Deze maten zijn voor de buizen in grote lijnen gelijk gebleven. De rapporteur Kranenburg meldt in zijn proefschift (1946) dat de na 1570 gebouwde buizen gemiddeld 20 meter lang waren. Dit berust op een misvatting want de haringbuizen schommelden qua lengte rond de 20 ellen.De Grootvisscherij op de Noordzee (1895) A. Hoogendijk Jz. Beknopte uitgave. Blz. 62. Enkele malen werden vervolgens nog hoekerbuizen gebouwd maar de hoeker, sec, won uiteindelijk terrein en de buis verdween buiten beeld. En de hoeker ging uiteindelijk dezelfde weg als de buis en de hoekerbuis, die haar voorgegaan waren. De sloep en de logger ten slotte bleven tot eind 1960 dé haringschepen van die tijd.
Voor wat betreft de volumes lijken cijfers van lasten zoals door Adriaen Coenen genoemd aanvaardbaar. Hij spreekt van Soe met grote sceepen van 30 en 38 lasten harincx te moghen brengen gesouten in tonnen. Men rekent 'zeesticken'Een ton zeestuks is een aan boord van het vangschip los gepakte ton haring. Bron van dit citaat is niet (meer) nader traceerbaarDe Zeevisscherij van Holland in den tijd der Republiek (1946) H.A. H. Kranenburg. Blz. 123.Zeesticx 14 tonnen voort last of 12 gepackte tonnen voor een last. Een volume van 70 last, door de toch serieus te nemen rapporteur van zo-even in zijn proefschrift vastgelegd, valt, na andere aangetroffen bronnen te hebben geraadpleegd, te sterk uit de toon om geloofwaardig te zijn, tenzij het bij hem om andersoortige (welke?) lasten is gegaan. Mocht men van 12 gepakte tonnen uitgaan en die maal 70 te vermenigvuldigen dan resulteert dit in een hoeveelheid van 840 gepakte tonnen, ongelofelijk. De buis werd een belangrijk onderdeel van de visserijgeschiedenis, met name die schepen waarmee de vleetvisserij op haring werd uitgeoefend. thumb|250px|Buis die zijn vleet inhaalt (G. Groenewegen)
Gouden jaren voor de scheepsbouwers De buis werd in Holland in grote hoeveelheden gebouwd. De eerste Hollandse en Zeeuwse haringbuizen werden in 1415 gebouwd te Hoorn en te Goedereede en omstreeks 1427 te Domburg.Verzameling van vier en tachtig stuks Hollandsche schepen (1789) G. Groenewegen. Afbeeldingen D2, D3, D4 en E6 Volgens een schatting uit het jaar 1601 bezaten de staten Holland en Zeeland het aantal van 1000 tot 1500 buizen. Tien jaar later werd het aantal van 1500 opnieuw genoemd. In 1620 ging het om zo'n 2000 buizen. Van een daaropvolgend getal van 3000 buizen, komend uit de koker van een van zijn 16e-eeuwse rapporteurs, geeft de auteur Beaujon vertwijfeld aan dat hij het laatst vermelde aantal "gaarne voor een beter" geeft. De auteur Van Vliet lijkt zich in zijn naslagwerk aan te sluiten bij Beaujons bedekte kritiek op de duizendtallen haringbuizen waarmee in de 16e en 17e eeuw kwistig werd gestrooid.Vissers en kapers (1994) A.P. van Vliet Blz.30 e.v.
De afgelegde afstanden om de haringgronden te bereiken waren destijds, naar hedendaagse begrippen, ongekend. De reis ging aan het begin van de teelt — de jaarlijkse periode waarin door het schip op haring werd gevist — tot aan de Shetlandeilanden, toch zeker wel een afstand van zo'n 500 mijl verwijderd van hier, een grote afstand voor een zwaar en log vaartuig als een buis die bovendien alleen op haar zeilen met daarbij een gunstige wind mocht hopen. Om economische, en dus om praktische, redenen werd een van de schepen van de eigen rederij verkozen tot 'jager', ook wel Ventjager genoemd.Nederlandsche Zeevisscherijen (1885) Mr. A. Beaujon. Blz. 49 e.v. Deze nam met name aan het begin van de teelt van verschillende eigen schepen hun gevangen haring over om daarmee zo snel als mogelijk huiswaarts te zeilen en om tevens de andere schepen (lees: de reder) een tussentijdse thuisreis besparen. Voor wat betreft de bemanning kan worden gedacht aan een scheepsvolk dat van een tien, tot voorzichtig geschat een twintigtal, koppen kon variëren. Het volume van de buizen varieerde van enkele lasten tot in en rond de dertig lasten in de loop van de jaren.
Toegekende benamingen
De oorspronkelijke naam zou buza zijn geweest. Deze benaming komt althans voor in de Nieuwpoortse toltarieven van 1163. De graaf van Vlaanderen liet een tol van acht denieren heffen op de buza die verse haring aanbrachten.Vlaanderens haringbedrijf in de Middeleeuwen (1944) R. Degryse. Blz. 15 e.v. Deze benaming — en die op dezelfde wijze als bovenvermeld vastgelegd — komt ook voor in het Oudnoors. Het is de vraag of het bij buza gaat om een meervoudig begrip. Het Middelnederlands toont het lemma buse als een enkelvoudig begrip, getuige de toelichting: "Een klein schip voor de haringvangst bestemd".Middelnederlands handwoordenboek (Oplaag 1994) Prof.Dr. J. Verdam Binnen de etymologie treft men het lemma buis aan met daarbij de verwijzing naar haringschuit.
Daarbij wordt verder gerelateerd aan Middelnederlandse begrippen als bûse en buusse.Franck's Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal (1912) Dr. N. van Wijk Tot in de 15e eeuw werden in Zeeland en in Vlaanderen kleine open scheepjes gebruikt — slabbert en/of slapbuis genoemd — die grotendeels bedoeld waren voor de haringvangst in de kustwateren of ter assistentie van de grote buizen bij het opsporen van scholen haring.Vlaanderens haringbedrijf in de Middeleeuwen (1944) R. Degrijse. Blz. 60 Men treft ook het lemma Slabboot aan met als toevoeging Slabbuus en Slabschip. Deze konden zowel geroeid als bezeild worden. Een belangrijke bron met betrekking tot de buis en tot haar visserij is het ongeëvenaarde naslagwerk van de 16e-eeuwse Scheveningse viskoper en afslager Adriaen Coenen (1514-1587).Visboeck (1582) Adriaen Coenen. Folio 19vo (KB folio 29vo)
De buis en haar visserij na de middeleeuwen Omtrent de bouw van een buis het volgende: deze betrof een rondspant kielschip, bedoeld voor de vleetvisserij op haring met staande netten. Kenmerkend waren het hoge achterschip, de ingetrokken boorden, de volle ronde boegen, een opgebouwd achterschip of statie en een lengte van rond de 14 meter. Als het begrip buza model heeft gestaan voor de aanduiding van een of meer buizen — waaraan vooralsnog niet behoeft te worden getwijfeld — dan gaat haar geschiedenis terug tot in de 12e eeuw.Vlaanderens haringbedrijf in de Middeleeuwen (1944) R. Degryse. Blz. 30 Na eerdere geringe afmetingen verschenen op den duur grotere buizen. Dit had onder meer te maken met de invoering van het kaken van de haring op zee rond 1350. Dit vereiste namelijk een groter, stabieler schip met zoveel mogelijk werkruimte aan dek vanwege het kaken, het pekelen en het in tonnen pakken van de haring waaraan de gehele bemanning deelnam.
De omvang van een grotere bemanning bracht vanzelfsprekend een noodzaak met zich mee, een grotere onderdekse verblijfsruimte te creëren, maar niet alleen dit. Er bestond namelijk evenzeer een directe relatie tussen de zwaarte van de buis en de in zee hangende massa van haar vistuig, de vleet. De netten waren rechthoekig van vorm en ze waren met elkaar verbonden. Wanneer — bijvoorbeeld uitgaande van 45 netten met bij elk net een lengte van 30 meter en een diepte van 14 meter — een vleet was uitgezet of in visserstermen was 'geschoten' dan stond in zee een muur, wand of gordijn met een totale lengte van 1 350 meter. Het schip lag nu, na het 'schieten', in het verlengde van zijn vleet. Die 1 350 meter in zee staande netten hadden uiteraard een zekere trekkracht. De grootte en zwaarte van een buis had dus heel direct te maken met haar netten. Wanneer de zwaarte van het vissersschip niet overeenkwam met de zwaarte van de in zee hangende — en door stromingen sjorrende en trekkende — netten, dan zouden deze in elkaar draaien.De Zeevisscherij van Holland in den tijd der Republiek (1946) H.A. H. Kranenburg. Blz.16De Grootvisscherij op de Noordzee (1895) A. Hoogendijk Jz. Beknopte uitgave. Blz. 54
Beïnvloeding door aantallen netten thumb|Coenens handschrift en zijn lyriek op de koning van de haring in het Visboeck Haring kon bij een niet in lijn liggende vleet moeilijk tot niet worden gevangen. Ergo, schip en vleet moesten elkaar in balans houden. Het schip lag echter niet verankerd ergens aan of in de zeebodem. De vleet was als het ware het anker voor het schip en het schip was op zijn beurt het anker voor de vleet. Een teveel aan netten was in feite geen probleem. Men kon bij een geconstateerde onbalans minder dan de aanwezige 45 netten in zee uitzetten. Het probleem ging ontstaan bij een tekort aan netten. Het schip ging nu aan de netten trekken.