Het Vaticaans patriarchaalkruis, ook wel groot Vaticaans reliekenkruis (Italiaans: stauroteca maggiore Vaticana), voorheen Byzantijns patriarchaal- of dubbelkruis van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (Latijn: crux traiecta; Italiaans: croce di MaastrichtGuido/Bosman (2012), p. 3 (nummering online preview). of croce d'OlandaVan Nispen tot Sevenaer (1926/1974), p. 558.), is een reliekhouder van goud in de vorm van een patriarchaal kruis, die relikwieën van het Heilig Kruis bevat. De vijf fragmenten van het vermeende kruis van Jezus hebben, achter elkaar gelegd, een lengte van 70 cm. De Byzantijnse staurotheek of kruisreliekhouder is kort voor het jaar 1000 ontstaan in Constantinopel. Het werd ruim zes eeuwen bewaard in de schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Maastricht en bevindt zich sinds 1838 in de schatkamer van de Sint-Pietersbasiliek in Vaticaanstad (Rome).

Geschiedenis Het patriarchaalkruis in Constantinopel thumb|Toning van een dubbelkruis tijdens het feest van de Kruisverheffing, ca. 1000 De ontstaansgeschiedenis van het gouden reliekenkruis is grotendeels onbekend. De voornaamste bron van informatie is de tekst op het kruis zelf (Zie ook Beschrijving). Deze maakt melding van ene keizer Romanos, die de reliekhouder zou hebben verfraaid met kostbare edelstenen. Er zijn vier Byzantijnse keizers met de naam Romanos, maar gezien de globale datering van het kruis op stijlkenmerken omstreeks het jaar 1000, komen slechts twee daarvan in aanmerking: Romanos II (938-963) en Romanos III Argyros (ca. 965-1034). Van de beroemde staurotheek van Limburg, eeuwenlang bewaard in het vrouwenstift Stuben aan de Moezel, is bekend dat deze tot stand kwam tijdens de korte regeringsperiode van Romanos II, van 959 tot 963.De Kreek (1994), p. 103. In een recent verschenen studie over het Vaticaanse reliekenkruis, wordt ook dit in dezelfde periode gesitueerd.Guido/Bosman (2012), p. 46 (nummering online preview).

De kostbare materialen die voor het reliekenkruis gebruikt zijn, alsmede de vermelding van de keizerlijke betrokkenheid bij de verfraaiing ervan, doen vermoeden dat het kruis zich bevond in de schatkamer van het keizerlijk paleis in Constantinopel. Uit de regeringsperiode van keizer Constantijn VII Porphyrogennetos (905-959), de voorganger van Romanos II, is een overgeleverd, waarin vermeld wordt dat in de keizerlijke schatkamer drie kruisrelieken werden bewaard. Mogelijk maakten zowel de Limburger staurotheek als het Vaticaans patriarchaalkruis daarvan deel uit, wellicht in een andere verschijningsvorm. De drie keizerlijke staurotheken werden vooral tijdens de vastentijd en op de kruisdagen vereerd. Bij de verering van de relikwieën in de vastentijd (rond de derde en vierde zondag, Oculi en Laetare genoemd) werden deze gebalsemd en maakten vervolgens een rondreis langs enkele kerken in Constantinopel. Bestudering van het Vaticaanse kruis heeft uitgewezen dat de kruisrelieken met een laagje balsem zijn bedekt (wat al in de zestiende eeuw was opgemerkt).De Kreek (1994), pp. 103-104.

In het omstreeks 1000 tot stand gekomen van Basileios II in de Vaticaanse Bibliotheek staat bij de datum 14 september, het feest van de Kruisverheffing, een miniatuur afgebeeld met een reliekentoning. Daarop is een heilige met een aureool te zien (mogelijk de heilige Athanasius), die staande op een ambo een patriarchaalkruis toont aan het volk. Dit kruis, vermoedelijk een reliekhouder, doet sterk denken aan het Vaticaanse kruis.

Het patriarchaalkruis in Maastricht thumb|Het patriarchaalkruis op een 17e-eeuws reliekentoningsformulier. In de tekst aan weerszijden van het kruis wordt de schenking door keizer Philippus gememoreerd Een keizerlijke schenking? Lang is aangenomen dat het reliekenkruis in 1204 door een keizerlijke schenking in bezit van de Onze-Lieve-Vrouwekerk kwam. Volgens een verloren gegane schenkingsakte, waarvan een door een notaris ondertekend afschrift uit 1624 bewaard bleef, zou ene keizer Philippus uit Constantinopel het kruis aan de Maastrichtse kerk hebben geschonken. Aangezien er omstreeks 1200 geen Byzantijns keizer met die naam was, werd aangenomen dat met deze Philippus de Rooms-Duitse koning Filips van Zwaben werd bedoeld, die echter nooit tot keizer was gekroond. Wel was Filips getrouwd met een Byzantijnse prinses, Irena Angela. Door de meeste auteurs wordt de dertiende-eeuwse schenkingsoorkonde tegenwoordig als een vervalsing gezien. Kunsthistorica Mieke de Kreek, gespecialiseerd in de kerkschat van de Onze-Lieve-Vrouwe, meent dat het een vervalsing van omstreeks 1510 betreft, toen de concurrentiestrijd tussen de twee Maastrichtse kapittels op een hoogtepunt was. Mogelijk had kanunnik Coelmont (zie hieronder) er de hand in, in een poging om het belangrijkste stuk uit de kerkschat verder 'op te waarderen'.De Kreek (1994), pp. 100-102.

Roofkunst uit Constantinopel?

Tegenwoordig gaan de meeste auteurs ervan uit dat het Byzantijns reliekenkruis omstreeks 1204 tijdens de Vierde Kruistocht is buitgemaakt of op een andere manier in deze verwarrende periode is verkregen. In april van dat jaar werd de christelijke stad Constantinopel door de kruisvaarders ingenomen en drie dagen lang geplunderd. Daarbij werden vele gouden en zilveren reliekhouders en andere kostbaarheden als oorlogsbuit geroofd. Een bevestiging van deze veronderstelling is een aantekening van de Luikse kroniekschrijver Reinerus Monachus (ook wel Reinier van Sint-Jacob), die verbonden was aan de Sint-Jacobsabdij in die stad. Deze vermeldde in zijn kroniek bij het jaar 1206 dat een Maastrichts geestelijke (clericus Traiectensis) toen na een verblijf van zeven jaar terugkeerde uit Constantinopel met onder andere een grote kruisreliek (portionemque magnam vivifice Crucis). Deze en andere kostbare relieken zou hij vervolgens aan de Maastrichtse Mariakerk hebben geschonken. Dit wordt weer bevestigd door een aantekening in een veertiende-eeuws calendarium van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Bij het feest van de Overbrenging van het Heilig Kruis staat de vermelding dat "het Heilig Kruis met andere relieken door de parochiaan Wilhelmus werd overgebracht". Bij die "andere relieken" bevond zich waarschijnlijk het zogenaamde borstkruis van Constantijn (of 'kruisje van Constantijn'), een kleinere kruisreliekhouder uit circa 1100, en het elfde-eeuwse Maria-enkolpion (reliekenhangertje), dat zich nog steeds in de Maastrichtse kerk bevindt. Mogelijk behoorde ook de gordel van Maria tot de aanwinsten na de Vierde Kruistocht.De Kreek (1994), pp. 116-127, 167-174, 208-217.

De oudste vermelding van het Byzantijns reliekenkruis in Maastricht dateert van 1286, toen de inkomsten en verplichtingen van de schatbewaarder (custos) van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in een document werden vastgelegd. De drie Byzantijnse reliekhouders werden gezamenlijk bewaard in een aparte kast in de schatkamer, die zich in de Sint-Barbaratoren, de zuidelijke koortoren, bevond. Mogelijk is de hiernaast afgebeelde paneelschildering onderdeel geweest van deze kast.De Kreek (1994), p. 112. Het kruis werd alleen bij bijzondere gelegenheden tevoorschijn gehaald, zoals in 1538 bij de 'Blijde Inkomste' van Cornelis van Bergen, de nieuwe prins-bisschop van Luik. Een zeer oud ritueel, opgetekend in een veertiende-eeuws liber ordinarius, was de wijding van het 'reliekenwater' in de week voor Pasen. De kruisrelieken, vrijwel zeker die uit het patriarchaalkruis, werden dan ondergedompeld in water. Op Goede Vrijdag werd dit water aan de gelovigen te drinken aangeboden. Later werd voor de wijding het 'kruisje van Constantijn' gebruikt en twee relieken van de doornenkroon.De Kreek (1994), p. 24.

Rivaliteit met het Sint-Servaaskapittel

De aanwezigheid van het reliekenkruis in de kerkschat van de Onze-Lieve-Vrouwekerk was mede oorzaak van de rivaliteit tussen de twee Maastrichtse kapittels, waarvan al in de veertiende eeuw sprake is. Met het kruis (en de zogenaamde gordel van Maria) hadden de Mariani een middel in huis om te concurreren met de Servatiani, die met hun reliekenschat en het graf van Sint-Servaas grote aantallen pelgrims wisten te trekken. Vooral tijdens de zevenjaarlijkse heiligdomsvaart trachtten de Mariani een deel van de tienduizenden bedevaartgangers naar hun eigen kerk te lokken. Vanaf de vijftiende eeuw stelde het kapittel van Sint-Servaas alles in het werk – en met succes – om te verhinderen dat de Mariani hun relieken in het openbaar konden tonen. Hierdoor was men gedwongen de reliekentoningen binnen de eigen kerk te laten plaatsvinden, waarbij veel minder pelgrims aanwezig konden zijn.Bosman (1990), pp. 29-34.

Omstreeks 1500 bereikte de verhouding tussen de kapittels een nieuw dieptepunt. In 1512 beklaagde kanunnik Coelmont van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel zich over een dubbelkruis, dat het kapittel van Sint-Servaas enige decennia eerder had laten vervaardigen door de zilversmid Meester Ulricus.Ubachs/Evers (2005), p. 403: 'Patriarchaalkruis'. Coelmont schreef niet zonder jaloezie over deze nieuwe aanwinst van het rivaliserende kapittel; een reliekenkruis dat volgens hem een regelrechte kopie was van het patriarchaalkruis van de Onze-Lieve-Vrouwe. Ook het 'kruisje van Constantijn' werd door de Servatianen gekopieerd en werd vanaf begin zeventiende eeuw in de kerkschat van de Sint-Servaas gesignaleerd.Koldeweij (1985), pp. 194-196. Dit was uiteraard verwarrend voor de pelgrims die naar Maastricht kwamen en te horen kregen dat er twee patriarchaalkruisen en twee borstkruisen van Constantijn in verschillende kerken bewaard werden. Uiteindelijk was dit nadeliger voor het kleinere en minder invloedrijke Onze-Lieve-Vrouwekapittel. In deze context moet dan ook het ontstaan van het verhaal over de schenking van het patriarchaalkruis door keizer Philippus geplaatst worden.

In 1622 kwam de rivaliteit tussen beide kapittels (opnieuw) tot uitbarsting toen het Sint-Servaaskapittel eiste dat het Onze-Lieve-Vrouwekapittel haar reliekenkruis niet langer toonde. Directe aanleiding was een tekstplaatje bij een beeld van Sint-Lambertus in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, waarop te lezen stond dat de bisschop in deze kerk zijn zetel had. Aangezien het Sint-Servaaskapittel van mening was dat hun kerk de kathedraal van het bisdom Maastricht was geweest, tekende het bezwaar aan bij de Raad van Brabant. Het Onze-Lieve-Vrouwekapittel moest inbinden en de tekst verwijderen. Over toningen van het reliekenkruis in deze periode is niets bekend. Zes jaar later, in 1628, waren de gemoederen enigszins bedaard en werden beide patriarchaalkruisen meegedragen in de Sint-Laurentiusprocessie. Pas na 1660 lijken de geschillen tussen de kapittels definitief bijgelegd.De Kreek (1994), pp. 105-106.

Opheffing van het kapittel thumb|Tekeningen Ph. van Gulpen, ca. 1850 Maastricht werd enkele maanden na de inname van de stad door generaal Kléber ingelijfd bij de Eerste Franse Republiek. De opheffing van het kapittel in 1797 werd voorafgegaan door een periode van zware oorlogsbelastingen, waardoor het kapittel zich genoodzaakt zag een groot deel van de goud- en zilverschat om te laten smelten. Het merendeel van de relieken (ontdaan van hun kostbare behuizing), werd door de kanunniken in veiligheid gebracht. Ook slaagde men erin enkele topstukken, waaronder het patriarchaalkruis en het 'kruisje van Constantijn', achter te houden. Deze werden waarschijnlijk, verpakt in een ijzeren kist, in bewaring gegeven aan kanunnik Albertus Thomassen, een voormalig antoniet, die na de opheffing van het Maastrichtse Antonietenklooster in 1784 was opgenomen in het Onze-Lieve-Vrouwekapittel.De Kreek (1994), p. 285, noot 111. Thomassen ontvluchtte in 1797 de stad en overleed eind 1800 te Bree, nadat hij de ijzeren kist met inhoud had toevertrouwd aan ene N. Fransen, mogelijk een neef.De Kreek (1994), p. 107.