AMNH'AMNH' is de afkorting van 'American Museum of Natural History' (New York). 5060 is het catalogusnummer van het natuurlijk gemummificeerde fossiel van Edmontosaurus annectensEdmontosaurus annectens werd initieel als Trachodon annectens beschreven door Henry Fairfield Osborn en Barnum Brown in 1911 en 1912. Het geslacht Trachodon zelf werd reeds in 1856 door Joseph Leidy beschreven. dat wordt tentoongesteld in het American Museum of Natural History in New York. Edmontosaurus is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs behorend tot de familie Hadrosauridae (klade Euornithopoda) dat tijdens het late Krijt (Laat-Maastrichtien) leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika (Alaska, Colorado, Montana, New Jersey, North Dakota, South Dakota, Wyoming) en Canada (Alberta en Saskatchewan).

Vondst

AMNH 5060 werd in de zomer van 1908 door een bekende familie paleontologen ontdekt in sedimentgesteenten uit het Boven-Krijt van de Lance Creek-formatie in Niobrara County (toen Converse County), in de grote omgeving van Lusk, Wyoming. Deze familie, Charles Hazelius Sternberg en zijn drie zoons George, Charles Mortram en Levi, ondernam een expeditie naar het gebied van Lance Creek in het oosten van Wyoming. In de vroege lente van 1908 vertrokken zij vanuit hun woonplaats in Kansas naar Wyoming waar zij in juli aankwamen. De bedoeling was ten noorden van de North Platte River en ten zuiden van de Cheyenne River in Converse County (nu Niobrara County) een onbewoond gebied van ongeveer 2.600 km² te exploreren op zoek naar één of meerdere schedels van de gehoornde dinosauriër Triceratops voor het toenmalige British Museum of Natural History te London,Rogers, Katherine (1999). The Sternberg Fossil Hunters: A Dinosaur Dynasty. Missoula, Montana: Mountain Press Publishing Company. pp. 107–108, 110–115. .Preston, Douglas (1993). "Sternberg and the dinosaur mummy". Dinosaurs in the Attic: An Excursion Into The American Museum of Natural History. New York, NY: Macmillan Publishers. pp. 73–77. . dat nog geen goed exemplaar had. Maar ook Amerikaanse musea bezaten niet meer dan een handvol van deze grootst bekende schedel (tot 2,5 meter lengte)De grootste bekende schedel van Triceratops is specimen MWC 7584, waarvan de lengte geschat wordt op 2,5 meter indien het volledig was. van een gewerveld landdier. Het exploratiegebied wordt overheerst door badlands waar sedimentaire gesteenten uit het Boven-Krijt (Maastrichtien) ontsloten zijn en deel uitmaken van de Lance Creek-formatie. Deze badlands waren al jaren intensief maar vruchteloos door het American Museum of Natural History onderzocht. Voor de Sternbergs verliepen de eerste weken van hun expeditie eveneens zonder succes. In zijn boek The Life of a Fossil Hunter (1909)Sternberg, Charles H. (1909). The Life of a Fossil Hunter. New York, NY: Henry Holt and Company. pp. 270–277. OCLC 876719. schreef Charles Sternberg : "Day after day hoping against hope we struggled bravely on. Every night the boys gave answer to my anxious inquiry, What have you found? Nothing."

Maar eind augustus ontdekte Charles een fossiele hoorn die ten gevolge van erosie uit het omgevende gesteente stak. Na opgraving bleek het om een Triceratopsschedel van twee meter lengte te gaan. Even daarna vond de oudste zoon George tijdens de prospectie van nog onbekend gebied beenderen die uit het gesteente staken. Vlakbij vond zijn jongere broer Levi nog meer beenderen die blijkbaar tot hetzelfde skelet behoorden. Vader Sternberg droeg George en Levi op om de zandsteen boven het skelet zorgvuldig te verwijderen. Omdat ze ondertussen ongeveer 105 km van hun basiskamp verwijderd waren en de voedselvoorraad snel begon te slinken, vertrok Charles met Charles (Jr.) Mortram naar Lusk om het verschepen van de Triceratopsschedel naar het British Museum te Londen (nu Natural History Museum) in orde te brengen en om nieuwe voorraden in te slaan. Tijdens de afwezigheid van hun vader beseften George en Levi dat zij blijkbaar een volledig skelet ontdekt hadden dat op de rug lag. Maar naarmate de broers het skelet stap voor stap blootlegden werd het duidelijk dat het niet volledig was. Toen een groot stuk zandsteen van de borst verwijderd werd zag George tot zijn verbazing een perfect bewaard gebleven huidafdruk. In 1930 herinnerde George zich : "Imagine the feeling that crept over me when I realized that here for the first time a skeleton of a dinosaur had been discovered wrapped in its skin. That was a sleepless night for me."Colbert, Edwin Harris (1984). The Great Dinosaur Hunters and Their Discoveries. New York, NU: Courier Dover Publications. pp. 184, 195–197. . Na vier dagen afwezigheid bereikte Charles de vindplaats met nieuwe voorraden. Ondertussen hadden George en Levi het skelet blootgelegd. De opgraving mat 3.6 m in breedte, 4.5 m in lengte en 3 m in diepte. De broers hadden de laatste twee dagen enkel op aardappelen overleefd.

Het is opmerkelijk dat de Sternbergs hun mummie met groot succes prepareerden in de harde omstandigheden van het veld die totaal anders zijn dan de beschermende condities in een laboratorium. Vader Sternberg prees vooral zijn zoon George voor het behendig prepareerwerk waardoor het grootste gedeelte van de huid zeer mooi intact bleef. Van het moment dat er huidafdrukken herkend werden, werd alles in het werk gesteld om elk mogelijk stukje te prepareren. Ondanks de volle hitte en warmte van de zomerzon in Wyoming was George toch in staat een voortreffelijk niveau van prepareerwerk te bereiken waardoor het familieteam de mummie relatief intact uit de omringende matrix kon verwijderen. Maar volgens de Amerikaanse paleontoloog Henry Fairfield Osborn vernietigden zelfs de Sternbergs waarschijnlijk een deel van de huid voordat zij zich konden realiseren dat het aanwezig was. Huidafdrukken manifesteren zich niet noodzakelijk als een ultradun laagje gesteente noch als een kleurverschil. Een huidafdruk wordt als het ware bij toeval opgemerkt, maar op dat moment kan al een deel ongewild vernietigd zijn omdat het niet onmiddellijk als dusdanig werd herkend. Het prepareren van de huidafdrukken werd in het American Museum of Natural History, dat de mummie onder impuls van directeur Osborn voor minstens tweeduizend dollar gekocht had, voltooid door Otto Falkenbach. Vervolgens werd de mummie door Osborn en een andere Amerikaanse paleontoloog, Barnum Brown, in 1911 en 1912 in drie wetenschappelijke artikels beschrevenOsborn, Henry Fairfield (1911). "A Dinosaur Mummy". The American Museum Journal. New York, NY. 11: 7–11. en nadien tentoongesteld in een glazen vitrine, liggend op de rug, zoals het ontdekt werd. Er werd beslist ontbrekende delen niet te reconstrueren.Norell, Mark A.; Gaffney, Eugène S.; Dingus, Lowell (2000). "Edmontosaurus annectens". Discovering Dinosaurs: Evolution, Extinction, and the Lessons of Pre-History. Oakland: University of California Press. pp. 154–155. .

Alhoewel Sternberg onder contract werkte voor het British Museum waardoor dit het recht had om alle vondsten te verwerven, werd de mummie uiteindelijk door Osborn gekocht. Hij zond zijn collega de paleontoloog Albert Thomson naar Lusk onmiddellijk nadat hij het nieuws over de ontdekking vernam. Osborn deed beroep op Sternbergs vaderlandsliefde en beloofde dat de mummie deel zou uitmaken van de permanente tentoonstelling van het American Museum of Natural History. Toen Thomson ter plaatse was kon hij het fossiel niet naar waarde schatten omdat het reeds in jute verstevigd met schellak voor het transport verpakt was. Sternbergs vraagprijs was tweeduizend toenmalige Amerikaanse dollar. William Jacob Holland, directeur van het Carnegie Museum of Natural History arriveerde te Lusk op dezelfde dag als Thomson. Omdat Osborn begon te vrezen de mummie niet te bemachtigen, betaalde hij vlug een onbekend bedrag voor het fossiel. Het maakt nu nog altijd deel uit van de permanente tentoonstelling van het American Museum of Natural History.Switek, Brian. "How Much for a Mummy Dinosaur?". Smithsonian. Archived from the original on August 21, 2017. Retrieved February 9, 2016.

Betekenis

AMNH 5060 wordt als een van de belangrijkste fossielen van het museum beschouwd. Het was de eerste dinosauriër die gevonden werd waarvan grote delen van het lichaam door huidafdrukken omgeven was en die geborgen werd. AMNH 5060 werd een sensatie binnen de wereld van de paleontologie. Bij zijn wetenschappelijke beschrijving in 1912 voerde Osborn de naam dinosaur mummy in. Sindsdien werden verscheidene dinosauriërmummies met een gelijkaardige graad van preservatie ontdekt. De term dinosaur mummy werd in latere literatuur door sommige auteurs gebruikt om te verwijzen naar nog andere hadrosauriërmummies met uitgebreide huidafdrukken die in Noord-Amerika gevonden werden. In 1910 werd een tweede Edmontosaurusmummie ontdekt, S.M. R4036, eveneens door de Sternbergfamilie. Het skelet van deze mummie is vollediger, maar AMNH 5060 is beter gepreserveerd. In 1912 ontdekte Barnum Brown in Alberta (Canada) een mummie van het toen nieuwe geslacht Corythosaurus. Osborn rapporteerde in zijn beschrijving van 1912 dat de Sternbergmummies eigenlijk niet de eerste waren die ontdekt werden met een aanzienlijke bedekking gefossiliseerde huid. AMNH 5060 was het eerste specimen dat nagenoeg intact uit het veld kwam, maar er waren toen al zeven specimina met huidafdrukken gerapporteerd.

In 1884 ontdekte J.L. Wortman, toenmalig curator van het Department of Vertebrate Paleontology van het American Museum of Natural History het type specimen van Trachodon mirabilis (AMNH 5730), een uitmuntend specimen dat als onderdeel van de verzameling van de dinosauriërs van de Amerikaanse paleontoloog Edward Drinker Cope in het museum werd opgesteld. Omdat de staart intact is, is het vollediger dan AMNH 5060 waarvan de voeten, de staart en een deel van het bekken in de loop der tijden door oppervlakte-erosie verloren gingen. Wortman rapporteerde dat het Trachodonskelet oorspronkelijk door een natuurlijk afgietsel van de opperhuid omgeven was maar dat hij het vernietigd had omdat hij enkel het skelet uit het gesteente wilde verwijderen. Wortmans hadrosauriër kan dus een meer volledige mummie geweest zijn dan hadrosauriër AMNH 5060 van de Sternbergs. Het enige dat volgens Osborn restte van de huidafdrukken van AMNH 5730 zijn drie stukken van de staart.

Na zijn beroemde vondsten uit 1908 en 1910 vond Charles Sternberg nog hadrosauriërs waaronder nog een uitzonderlijk specimen met huidafdrukken. Tezamen met een grote verzameling andere fossielen uit de Badlands van Alberta, werden veel van deze hadrosauriërs aangekocht door de Engelse paleontoloog Arthur Smith Woodward, toenmalig curator van het British Museum of Natural History. In 1916, tijdens de Eerste Wereldoorlog, werden deze vondsten over de Atlantische Oceaan verscheept, maar het Canadees transportschip Mount Temple dat de tweeëntwintig kisten met fossiele beenderen vervoerde werd op zes december door een Duits schip getorpedeerd. Het manifest van de fossielen aan boord van de Mount Temple vermeldt niet duidelijk wat juist verscheept was. Het verlies van 'twee hadrosauriërs' wordt dikwijls vermeld, maar onderzoek leerde dat minstens vier specimina hadrosauriërs verloren gingen. In tegenstelling tot wat algemeen beweerd werd schijnen er geen 'twee mummies' aan boord geweest te zijn.