Koehaartapijt is een eenvoudig geweven tapijt gemaakt van koehaargarens. Naar algemeen wordt aangenomen dateert het begin van de productie hiervan in Nederland van 1752, te Hilversum. Vervolgens verspreidde zich deze vorm van textielnijverheid over het land, met name in arme gebieden.
Garenproductie De grondstof, koehaar, was oorspronkelijk een afvalproduct van nabije looierijen. In de 21ste eeuw komt het in grote balen van de looierijen uit Nederland, Duitsland en Scandinavië. De inhoud van de losgemaakte balen wordt eerst in grote bassins met water gewassen om de kalkresten te verwijderen. Het wassen en losmaken van het haar in het water gebeurde met handkracht, later machinaal door ronddraaiende cilinders met pennen. Vervolgens wordt het haar door een snormolen geleid die de haren nog verder losmaakt en de verontreinigingen eruit verwijdert. Eenmaal uit het waterbad wordt het haar gekaard, d.w.z. alle haren worden in één richting gelegd en gekamd. Dit gebeurde aanvankelijk met handapparatuur, nu machinaal op een lopende band. Vervolgens wordt er garen van gesponnen: in eerste instantie met het spinnewiel, later machinaal. Het garen wordt daarna getwijnd meestal tot dubbeldraads garen. Zuiver koehaar werd niet gebruikt. Het garen bestond uit een overwegend percentage koehaar en voor de rest uit allerlei minder edele haarsoorten zoals van geiten en honden, terwijl er dikwijls ook minderwaardige en zogenaamde „dode” schapenwol onder gemengd werd. Die toevoegingen maakten het product soepeler. De eindbehandeling kan bestaan uit het verven van de strengen garen die vervolgens op spoelen worden gedraaid.
Spinnerijen in Nederland Met name de arbeidsintensieve garenproductie vond tot ver in de 19e eeuw veelal plaats in de vorm van werkverschaffing door particulieren en werkhuizen geëxploiteerd door liefdadigheidsinstellingen of gemeenten. Zo werd vanaf 1784 in het Amsterdams Stadswerkhuis gewerkt.Tijdschrift voor het armwezen, 1853 Ook in Groningen was het werken met koehaar onderdeel van de werkzaamheden in het in 1786 geopende Stads Werkhuis. In 's-Hertogenbosch bestond de arbeid in het tuchthuis rond 1825 uit spinnen en weven van koehaar, waarbij de gestraften ''door geestelijken der beide hoofdgezindten tot boete en verbetering opgewekt worden"'. In Noord-Brabant waren in het tweede helft van de 19e eeuw in diverse plaatsen spinnerijen als werkverschaffing. Van 1854 tot 1866 bestond in Schijndel een koehaarspinnerij van de Sint-Vincentiusvereniging. Een soortgelijke spinonderneming maar dan van het Burgerlijk Armbestuur bestond veel langer te Nistelrode. In Sint-Michielsgestel (plaats) was van 1853 tot circa 1878 een spinnerij waar in 1857 ongeveer 70 jongens na schooltijd in een stoffige zwaar en ongezond werk verrichtten. In Vught (plaats) was van 1850 tot 1880 een spinnerij waar in 1857 naast 20 mannen en 20 vrouwen vooral kinderen (50) te werk waren gesteld. Diverse plaatselijke afdelingen de Sint-Vincentiusvereniging in Noord-Brabant probeerden met wisselend succes ook koehaarspinnerijen, onder meer te Boxtel, Oss, Oirschot, Woensel en Geldrop. In 1864 werd veel voor de Hilversumse tapijtindustrie gesponnen te Huizen, Amersfoort, Bussum en Laren.
Het tapijt Het weven van de tapijten gebeurde op handweefgetouwen die in de loop van de 19e eeuw uitgerust werden met een schietspoel die een snellere productie mogelijk maakten. In de 20e eeuw kwamen normale tapijtweefmachines in gebruik. De patronen waren effen, gestreept of geblokt in bescheiden kleuren, voornamelijk rood en zwart. De kleden werden vaak gebruikt als morskleed op een onderliggend kostbaar tapijt of in eenvoudige vertrekken en bij de gewone burgers. De handelsbenamingen waren onder meer koehaartapijt, koeharen tapijt, Venetiaans of Grijs tapijt en soms Hilversums tapijt naar de oorsprongplaats van deze tapijten.
Weverijen De vervaardiging vond in het begin plaats in de Hilversumse tapijtindustrie en verbreidde zich daarna tot meerdere plaatsen. Aanvankelijk vooral in nabije omgeving van Hilversum, onder meer te Laren (Noord-Holland) en Baarn met de tapijtfabriek van Reinhard Scheerenberg. Begin 19e eeuw waren er onder meer in Rotterdam, Utrecht en Zutphen haardoekweverijen. Breda was rond 1800 een belangrijk centrum met naast de Gevangenis nog de fabriek Tot Nut der Armen. Al in 1783 zond P van Son een tapijt van koehaar in. Een groot bedrijf was de fabriek van Biesheuvel te Breda die in 1818 een octrooi verwierf op het spinnen van koehaar. In 1819 brandde het bedrijfsgebouw af met daarin een beperkte inventaris, slechts 4 weefgetouwen. In 1841 werkte het overgrote deel van de arbeid(st)ers van de twee tapijtfabrieken, Biesheuvel en Van Houwingen en Co (281 thuiswerkers, 23 fabriek) en G. van Alphen (188 tegen 30) buiten de centrale werkplaats. Vooral vrouwen waren ingeschakeld als spinster Ook 's-Hertogenbosch telde een belangrijke koehaartapijtnijverheid. In de loop van de 19e eeuw concentreerde de bedrijfstak zich in een aantal fabrieken waaronder de Deventer tapijtfabriek en Tapijtfabriek Peters te Deventer. Ook in België de la Bienfaissance Publique, M. le B. Gérando, 1835 en in Frankrijk werden de goedkope en slijtvaste tapijten vervaardigd. In 1822 wordt melding gemaakt van de vervaardiging van koeharen tapijten bij het Conservatoire des Arts et Métiers. De tapijten worden aanbevolen omdat ze een grote sterkte hebben en zeer weinig vuil worden.Annales de l'industrie nationale et étrangère, ou Mercure technologique, L.-S. Normand & J.-G.-V. de Moléon,.1822 In Tirol werd midden 19e eeuw door de arme bevolking in de winter als huisnijverheid koehaar tapijt vervaardigd.Der Alpenfreund, Die Teferegger Teppichhändler, Ludwig von Hörmann, Gera 1871
Van het garen werden ook wel getufte (Chenille) tapijten vervaardigd.
Andere producten van koehaar Naast tapijt wordt er ook touw, schoeisel en materiaal om te breeuwen van gemaakt.
Wetenswaardigheden In het schilderatelier van koningin Wilhelmina lag een grijs met groen koeharen (Venetiaans) tapijt.De koningsvleugel: geschiedenis van de particuliere appartementen in het Paleis Noordeinde : een reconstructie, R. W. A. M. Cleverens, pagina 48 Van Lodewijk XVI van Frankrijk (1754 - 1793) wordt gezegd dat hij zeer vroom was: ‘’hij droeg een paardenharen hemd, sliep op een ruw koeharen tapijt, geselde zich en hoorde drie maal daags de mis’’.Gedenkschriften van Vidocq, chef der veiligheids politie, Volume 7, François Eugène Vidocq Op de Great Exhibition of the Works of Industry of All Nations in 1851 in het Crystal Palace in Londen toonde de fa. G. van Alphen uit Breda Carpets of cow-hair, speckled, red, and black and green, black, and striped. Staircase Carpet.Official descriptive and illustrated catalogue of the Great exhibition of the works of industry of all nations, 1851
Categorie:Vloerbedekking