Bedreiging met bepaalde zware misdrijven is in het Nederlandse strafrecht strafbaar gesteld als delict tegen de vrijheid. Deze vrijheid is niet slechts beperkt tot de fysieke vrijheid of de handelingsvrijheid van het slachtoffer, maar omvat ook zijn morele vrijheid en veiligheidsgevoel.
Een bedreiging is alleen strafbaar indien met een van de opgesomde (zware) misdrijven wordt gedreigd, bijvoorbeeld een misdrijf tegen het leven of verkrachting. Ook moet de bedreiging voldoende duidelijk en concreet zijn. Daarnaast dient de bedreiging van zodanige aard te zijn en onder zodanige omstandigheden te geschieden, dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat het feit waarmee gedreigd wordt zou kunnen worden gepleegd.
Het is niet noodzakelijk dat het slachtoffer zich daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld of in zijn vrijheid belemmerd is. Voldoende is dat de bedreiging in zijn algemeenheid geschikt is om een dergelijke vrees op te wekken.
Totstandkomingsgeschiedenis Het eerste nationaal geldende strafwetboek van Nederland (het Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk Holland van 1809) kende een aparte titel die gewijd was aan dwang-, gewelds-, en bedreigingsdelicten. Daarin stond echter geen algemene strafbaarstelling van bedreiging.Vgl. Lindenberg 2007, p. 92-93. In plaats daarvan stelden artikel 160–162 strafbaar: de zware bedreiging om iemand te dwingen tot het tekenen van een schriftelijk stuk (bijvoorbeeld een overeenkomst of lastgeving),Art. 160 CW: Die door dwang, geweld of zware bedreigingen eenen anderen noodzaken om eenige overeenkomst, verbindtenis, lastgeving, kwijting, getuigschrift, verklaring of dergelijken te teekenen, of integendeel, om zoodanige stukken, door anderen geteekend, terug te geven of te vernietigen, zullen, in geval zij blijkbaar ongeregtigd waren, om langs behoorlijke wegen iets dergelijks te vorderen, naarmate van het gepleegd geweld of de gedane bedreigingen gestraft worden met schavotstraf, gevangenis of bannissement, en in andere gevallen met gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van zes jaren, of met geldboete, niet hooger dan twee duizend guldens. de schriftelijke bedreiging met moord, verwonding of zware mishandeling,Art. 161 CW: Die, het zij uit wraakzucht, nijd, afgunst, om gelden af te persen, of ter bereiking van eenige andere bedoeling, schriftelijke bedreigingen van moord, verwondingen of andere zware mishandelingen opstellen en afgeven, die dezelve, het zij door hen of anderen geschreven, leggen, bestellen, verzenden, aanplakken of verspreiden, zullen gestraft worden met geeseling, gevangenis of bannissement, te zamen of afzonderlijk, niet te boven gaande den tijd van twaalf jaren. en de mondelinge bedreiging van gelijke aard en schriftelijke bedreiging van minder belang.Art. 162 CW: Mondelinge bedreigingen van dezen aard, gelijk ook schriftelijke van minder belang, zullen gestraft worden met bannissement, niet te boven gaande den tijd van vier jaren.
Het Crimineel Wetboek werd in 1811 vervangen door de Code Pénal. De Code stelde in verschillende artikelen bedreigingen (menaces) met zware misdaden strafbaar. Er werd een onderscheid gemaakt tussen de 'schriftelijke bedreiging met bevel of voorwaarde' (artikel 305 CP),Art. 305 CP: Al wie, bij naamloos of onderteekend geschrift, met moord, vergiftiging of eenige andere gewelddadigheid tegen personen, die met den dood, eeuwigen dwangarbeid (een tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens twintig jaren) of wegvoering naar een oord van ballingschap strafbaar is, bedreigd zal hebben, zal met dwangarbeid voor een tijd (eene tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens vijftien jaren) gestraft worden, in geval de bedreiging geschied is met bevel om een som gelds op eene aangeduide plaats neêr te leggen, of om eenige andere voorwaarde te vervullen. 'schriftelijke bedreiging zonder bevel of voorwaarde' (artikel 306 CP),Art. 306 CP: In geval deze bedreiging met geenerlei bevel of voorwaarde verzeld is gegaan, zal de straf in een gevangenis van ten minste twee, en ten hoogste vijf jaren, en eene geldboete van honderd tot zes honderd franken bestaan. 'mondelinge bedreiging met bevel of voorwaarde' (artikel 307 CP)Art. 307 CP: In gevalle de bedreiging met bevel of voorwaarde mondeling geschied is, zal de schuldige met een gevangenis van zes maanden tot twee jaren en een geldboete van vijf en twintig tot drie honderd franken bestaan. en 'brandbrieven' (artikel 436 CP).Art. 436 CP: De bedreiging van een woning of eenig ander eigendom in den brand te steken, zal gestraft worden met de straf die tegen het bedreigen van vermoording gesteld is, en volgens de onderscheiding, bij artikel 305 tot 307 ingesloten, gemaakt. De Franse wetgever had, met uitzondering van de brandbrief in artikel 436 CP, alleen strafbaar gesteld bedreigingen met misdrijven die tegen personen gericht zijn (en dus niet bijvoorbeeld tegen zijn goederen).Asscher & Simons 1886, p. 223; Simons/Pompe II 1941, p. 51.
Wetboek van Strafrecht
Bij de totstandkoming van het nieuwe Wetboek van Strafrecht (WvSr) van 1886 koos de wetgever ervoor om bijzonder zware bedreigingen apart strafbaar te stellen in een titel met misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. De gemene deler van deze misdrijven was volgens de wetgever dat zij wederrechtelijk inbreuk maakten op de persoonlijke vrijheid van personen, waarbij de wetgever met name dacht aan de vrijheid van beweging en de vrijheid van doen en laten.Smidt III, p. 427. De memorie van toelichting was verder betrekkelijk kort over de noodzaak tot strafbaarstelling. Zij merkte daarover op dat 'sommige bedreigingen met zware misdrijven ... de persoonlijke vrijheid dermate aan[tasten], dat zij op zich zelve als misdrijf zijn aan te merken; zij kunnen hetzij tegen een bepaald persoon, hetzij tegen bepaalde groepen van personen, hetzij tegen het publiek gerigt zijn'.Smidt III, p. 446. De oorspronkelijke bepaling uit 1886 kende slechts strafbaarstelling van bedreiging met openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen of goederen; met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht; met verkrachting; met feitelijke aanranding van de eerbaarheid; met enig misdrijf tegen het leven gericht; met zware mishandeling; of met brandstichting.
Latere uitbreidingen De eerste uitbreiding vond in 1989 plaats toen, ter uitvoering van het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van misdrijven tegen internationaal beschermde personen, aan de bepaling toegevoegd werd de bedreiging met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen en de bedreiging met gijzeling.Wet van 19 mei 1988, Stb. 276. In 2006 werd het bestanddeel 'openlijk geweld met verenigde krachten' gewijzigd in 'openlijk in vereniging geweld plegen' zodat deze weer op een lijn kwam met de in 2000 gewijzigde strafbaarstelling van openbare geweldpleging in artikel 141 WvSr.Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11 (Wet herijking strafmaxima). Eveneens in 2006 werd het bestanddeel 'waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht' vervangen door 'waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat'.<ref>Wet van 1 juni 2006, Stb.''' 2006, 300 (Wet computercriminaliteit II).</ref> De reden voor deze wijziging was dat de Hoge Raad in een arrest had bepaald dat bedreiging met computervredebreuk niet onder het oude bestanddeel viel.HR 2 december 1997, NJ 1998, 306.De strafbaarstellingen van computervredebreuk waren reeds bij wet van 23 december 1993, Stb. 1993, 33 (Wet computercriminaliteit) in art. 161sexies en art. 161septies Sr toegevoegd. In 2004 werd de bedreiging met een terroristisch misdrijf strafbaar gesteld in een nieuw derde lid.Wet van 24 juni 2004, Stb. 290 (Wet terroristische misdrijven). In 2010 werd een vierde lid toegevoegd dat een fors hogere maximumstraf stelde op de bedreiging met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden.Wet van 12 juni 2009, Stb. 2009, 245.
Beschermd rechtsgoed Bedreiging met bepaalde zware misdrijven is in het Wetboek van Strafrecht opgenomen in de titel over misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid.Titel XVIII met opschrift 'Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid'. Dit karakter komt vooral bij de bedreiging onder voorwaarde duidelijk naar voren. De voorwaarde wordt immers middels de bedreiging aan het slachtoffer opgedrongen, waardoor diens handelingsvrijheid beperkt wordt.Machielse, in: Wetboek van Strafrecht, commentaar 2. Er is, door de strafbaarstelling van artikel 285 WvSr, echter ook sprake van een zekere oprekking van het begrip persoonlijke vrijheid, doordat het niet noodzakelijk is dat de bedreigde ook echt belemmerd wordt in zijn vrijheid. Voldoende is dat de aard en de omstandigheden van de bedreiging dusdanig zijn dat de vrees voor een aantasting (van de persoonlijke vrijheid) zou kunnen ontstaan.Van Zijl, in: Sdu Commentaar Strafrecht 2019, onder C.1.
Het beschermde rechtsgoed wordt nog verder opgerekt doordat de strafbaarstelling niet slechts de handelingsvrijheid van het slachtoffer beschermt. Bij een blote bedreiging (zonder voorwaarden) ligt het accent niet op een beperking van de handelsvrijheid van het slachtoffer. Veeleer worden daar de morele vrijheid, het veiligheidsgevoel en de uitingsvrijheid van de bedreigde aangetast. Machielse denkt hier ook aan de persoonlijke rust van het slachtoffer; hij noemt dit een aantasting van de individuellen Rechtsfrieden.Vrije vertaling: individuele rechtsvrede. De vrede moet hier begrepen worden in de zin van: een toestand van rust waarbij iemand geen inbreuk hoeft te dulden op zijn persoonlijke rechten. Vergelijkbaar met het gebruik in huisvredebreuk en computervredebreuk. Daarnaast kan ook het openbare gezag een beschermd belang zijn, bijvoorbeeld als opsporingsambtenaren bedreigd worden bij de uitoefening van hun functie.Machielse, in: Wetboek van Strafrecht, commentaar 2; Janssens & Nieuwenhuis 2019, para. 4.6.2.
Bedreiging
Artikel 285 WvSr stelt bedreiging met enkele zware misdrijven strafbaar. De delictsomschrijving geeft zelf geen invulling aan het begrip 'bedreiging'. In de literatuur is bedreiging wel omschreven als 'een door de bedreiger aan de bedreigde opzettelijk te veroorzaken nadeel in het vooruitzicht stellen'Lindenberg 2007, p. 218. of 'iemand – middellijk of onmiddellijk – angst of vrees voor mogelijk daadwerkelijke aantasting van zijn persoon of goed aanjagen'.Janssens & Nieuwenhuis 2019, p. 332.
De Hoge Raad hanteert als maatstaf dat 'de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd zou kunnen worden voltooid'.Vgl. HR 13 juni 2018, , r.o. 2.3. Voor een veroordeling voor bedreiging dient daarom aan verschillende voorwaarden voldaan te zijn, namelijk: Er is sprake van een bedreiging met een van de in lid 1 opgesomde misdrijven; De bedreiging is ter kennis van de bedreigde gekomen; De bedreiging is van dien aard dat de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd; De bedreiging is onder zodanige omstandigheden geschied dat de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook zou worden gepleegd; De bedreiger heeft de bedreiging opzettelijk gepleegd.De Haan & Nijboer, DD 2007/2, p. 20-21; Van der Meij, in: T&C Strafrecht 2019, onder 8a; Van Zijl, in: Sdu Commentaar Strafrecht 2019, onder C.2.