Hendrik Gijsbert Bernhard (Henk) van den Breemen (Valkenswaard, 23 maart 1941 – Mijnsheerenland, 20 januari 2024) was een Nederlandse generaal van het Korps Mariniers. Hij was chef-Defensiestaf van augustus 1994 tot juni 1998.

Militaire loopbaan Van den Breemen begon op 6 september 1960 zijn opleiding tot officier der mariniers aan het Koninklijk Instituut voor de Marine te Den Helder. In 1963 werd hij onderscheiden als “meest veelbelovende adelborst” van dat jaar en kreeg de “captain John A. Gade-sabel” uitgereikt.

Van november 1964 tot juli 1965 volgde hij de commando-opleiding in Roosendaal. In 1968 was hij de eerste uitwisselingsofficier bij de Royal Marines. Van juni 1970 tot januari 1972 was hij gestationeerd op Aruba als plaatsvervangend bevelhebber en trainingsofficier van Arubaanse dienstplichtigen.

Vanaf januari 1972 tot juni 1975 was hij commandant van de Koudweer Compagnie, later de Whisky-infanterie compagnie, de eerste berg- en arctische trainingsunit bij de mariniers. Deze samenwerking resulteerde uiteindelijk in de United Kingdom/Netherlands Amphybious Landing Force.

Vanaf juni 1975 tot januari 1979 was Van den Breemen speciale stafofficier voor anti-terrorismeoperaties. In deze periode hadden enkele beruchte gijzelingsacties plaats, zoals in het Indonesische Consulaat in Den Haag, en ook de treinkaping door Zuid-Molukkers bij De Punt en in de lagere school van Bovensmilde.

Vanaf januari 1979 was hij tweede man in het bevel over de eerste Amfibische Gevechtseenheid. Vanaf 1981 volgde Van den Breemen diverse aanvullende hogere opleidingen binnen de krijgsmacht, zoals Management van Defensiesystemen aan de KMA in Breda. Vanaf november 1981 was hij een jaar bevelvoerder van de eerste Amfibische Gevechtseenheid.

Van september 1985 tot juni 1987 werd hij toegevoegd aan de Defensiestaf op het ministerie van Defensie als Hoofd Nucleaire en Strategische Aangelegenheden. In deze functie speelt hij een belangrijke rol bij de voorbereidingen tot het plaatsen van kruisraketten in Nederland. Vanaf juni 1987 tot april 1988 was hij chef-Staf en plaatsvervangend bevelhebber van het Korps Mariniers.

Gijzeling De Punt Van den Breemen speelde een rol als speciale stafofficier voor anti-terrorismeoperaties tijdens de treinkaping bij De Punt en de gijzeling in de lagere school in Bovensmilde, die duurde van 23 mei tot 11 juni 1977. Hij adviseerde het crisisteam, waarin namens het demissionaire kabinet-Den Uyl naast minister-president Den Uyl ook minister van Justitie Van Agt en minister van Binnenlandse Zaken De Gaay Fortman, zitting hadden. Van Agt bleek voorstander van een harde aanpak, terwijl de anderen voorstander waren van onderhandelingen.

Van den Breemen bereidde het besluit voor om met laagvliegende, bulderende jachtvliegtuigen de Molukse kapers in de trein bij de Punt af te leiden in een operatie om de kaping te beëindigen. In een interview met Trouw in 1998 vertelt Van den Breemen dat hij, bij wijze van proef, bij vliegveld Gilze Rijen in een treinwagon ging zitten en het vliegtuiglawaai van de Starfighters op zich liet inwerken. Premier Den Uyl was aanvankelijk niet voor die aanpak. Hij vreesde dat zo'n schijnaanval door de luchtmacht onnodig veel machtsvertoon zou opleveren. Toen Van den Breemen gekscherend voorstelde de jachtbommenwerpers dan maar wit te maken en er ‘politie’ op te schilderen, werd dat in het crisisteam nog even serieus genomen. “Van die schilderbeurt kon gelukkig worden afgezien”, aldus Van den Breemen.Gijzeling bracht generaal der mariniers bij de politiek

In de nasleep van de treinkaping, waarbij een aantal kapers werd doodgeschoten, stelde de Tweede Kamer vragen aan de regering naar aanleiding van een onderzoek door journalist Jan Beckers in samenwerking met betrokken gijzelnemer Junus Ririmasse. Er werd een archiefonderzoek ingesteld, dat in november 2014 werd gepubliceerd en dat openheid gaf over de operationele details van de bevrijdingsactie. Daarna stelden enkele nabestaanden een aanklacht in tegen de Nederlandse staat. De advocaat van de nabestaanden vond dat vier commandanten van de bevrijdingsactie onder ede verhoord moesten worden, evenals oud-generaal Henk van den Breemen en oud-minister van Justitie Van Agt. Op 25 juli 2018 wees de rechtbank Den Haag vonnis: er kwamen geen nadere verhoren en de eis tot schadevergoeding werd afgewezen. In 2021 kwam het Gerechtshof in hoger beroep tot dezelfde conclusie. Daarbij werd ook rekening gehouden bij de voorgeschiedenis: zowel bij de kaping in Wijster als bij de overval op de ambassadeurswoning in Wassenaar, op het Indonesische consulaat en bij De Punt hadden de Molukkers met geweld gedreigd en maakten ze dodelijke slachtoffers.

Brigade-generaal en Defensienota 1991 In 1988 werd hij als brigadegeneraal geplaatst bij de defensiestaf in Den Haag, waar hij onder andere meeschreef aan de Defensienota 1991,Defensienota 1991: het belang van een visie. De krijgsmacht neemt afscheid van de Koude Oorlog die de basis legde voor het Nederlandse defensiebeleid na de Koude Oorlog.

De Defensienota volgde op de nog diffuse veiligheidssituatie na de val van de Muur in 1989, waarin de politieke en militaire leiding zich plotseling moest beraden op de toekomst en zelfs het bestaansrecht van de krijgsmacht. Na de hereniging van Duitsland op 3 oktober 1990 was een terugkeer naar de oude situatie niet meer mogelijk. Toen een jaar later, op 25 december 1991, ook de Sovjet-Unie relatief vreedzaam uit elkaar viel, leek het Koude Oorlog-conflict definitief voorbij. De meer diffuse en minder acute dreiging en de fundamentele politieke veranderingen in Europa vroegen om een andere krijgsmacht, met kleinere, multifunctionele, meer mobiele eenheden, die in uiteenlopende, moeilijk te voorziene situaties snel konden worden ingezet, met daarop afgestemde uitrusting.

De Defensienota diende ook rekening te houden met een van de grootste uitdagingen van dat moment: de economische crisis van de jaren tachtig, die de Nederlandse regering dwong om fors te bezuinigen op de overheidsuitgaven.

Op 8 januari 1990 was de eerste opzet voor de uitgangspunten van een nieuwe defensienota gereed. Voor de militaire inbreng had staatssecretaris Relus ter Beek, daartoe aangezet door chef-Defensiestaf generaal Peter Graaff, brigade-generaal der mariniers Henk van den Breemen aangewezen als de coördinator namens de krijgsmacht voor de nieuwe defensienota naast Jacques de Winter als vertegenwoordiger van de Directie Algemene Beleidszaken (DAB) van het ministerie van Defensie.

Op 9 maart 1990 presenteerde de Stuurgroep de definitieve uitgangspunten en richtlijnen voor de Defensienota, die in 1991 zou verschijnen. De (gereduceerde) Nederlandse krijgsmacht ging zich meer toeleggen op crisisbeheersing en vredesoperaties in plaats van hoofdzakelijk op de verdediging van het territoir van het NAVO-bondgenootschap.

Prioriteitennota Na de Defensienota van 1991 (na de val van de Muur) volgde de Prioriteitennota van 1993 (na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie). Als plaatsvervangend chef-Defensiestaf was Van den Breemen ook met de totstandkoming van deze Prioriteitennota belast. Een van de opvallendste zaken hieruit is de oplossing voor de beperkte uitzendbaarheid van dienstplichtigen: het opschorten van de opkomstplicht, die uiteindelijk in 1995 geëffectueerd zou worden. Daarmee was de verandering van de Nederlandse krijgsmacht compleet.

De opschorting van de dienstplicht beschouwde Van den Breemen als een noodzakelijk kwaad. „Ik ben altijd een voorstander geweest van de dienstplicht, vanwege de vormende waarde ervan. Maar in de gegeven omstandigheden was het een juist besluit.”De muzikale generaal van de Nederlandse krijgsmacht

Volgens Van den Breemen was de opschorting van de dienstplicht niet tegen te houden en koos hij voor een ‘vlucht naar voren’ en pleitte voor de noodzakelijke investeringen die nodig waren voor die aanpassingen.

Chef-Defensiestaf In 1994 werd Van den Breemen als eerste en tot nu toe enige marinier benoemd tot Chef Defensiestaf. De chef-Defensiestaf (CDS) was tot september 2005 de hoogste militaire functie van de Nederlandse Krijgsmacht. In september 2005 werd de functie van chef-Defensiestaf omgedoopt tot commandant der Strijdkrachten, die ook afgekort werd tot CDS. Van den Breemen gaf leiding aan de Defensiestaf en was de belangrijkste militaire adviseur van de minister en de staatssecretaris van Defensie. De Defensiestaf is belast met zaken die alle krijgsmachtdelen aangaan en met internationale aspecten van het veiligheidsbeleid. Van den Breemen trad in zijn hoedanigheid als CDS tevens op als voorzitter van gezamenlijke vergaderingen van de hoogste bevelhebbers van de marine, landmacht, luchtmacht en marechaussee.

Bezuinigingen Van den Breemen volgde landmachtgeneraal Arie van der Vlis op: die wilde geen verantwoordelijkheid nemen voor de bezuinigingen uit het regeerakkoord op Defensie. Uit protest vertrok hij een jaar eerder dan hij oorspronkelijk van plan was. In de pers werd gesuggereerd dat Van der Vlis tégen de bezuinigingen was en Van den Breemen vóór.

In een interview in 1997 zei Van den Breemen over de hectiek rond zijn aanstelling: “De werkelijkheid was dat ik de uitvoering van de Prioriteitennota steunde.”

Over het verwijt dat Van den Breemen uit eigen achterban (o.a. van voorzitter Stuiver van de belangenvereniging van officieren NOV) kreeg dat hij door zijn opvolging ‘deloyaal’ zou zijn aan zijn collega’s, zei hij in een interview met NRC Handelsblad in 1994: “Als kapitein verlaat je als laatste het schip. Het heeft mij gestoken dat mensen ook binnen de krijgsmacht mij verwijten dat ik deloyaal ben omdat ik deze functie wilde overnemen en van mening was dat de bezuinigingen uit het regeerakkoord wel doorgevoerd konden worden… Iemand moest het werk doen en ondanks deze bezuinigingen houden we strijdkrachten aan die er mogen zijn en waarop een beroep kan worden gedaan én voor crisisbeheersing én voor de eigen verdediging. Die twee taken liggen trouwens in elkaars verlengde. De krijgsmacht kan beide taken uitvoeren.”NRC Handelsblad, 5 november 1994.

In hetzelfde interview zei Van den Breemen over de bezuinigingen zelf: “De politiek moet natuurlijk goed begrijpen dat de krijgsmacht geen fruitmachine is waaruit iedere keer weer geld kan rollen. Dat geeft te veel onrust in de tent en dan kan je op den duur je opdrachten niet meer aan. Maar met deze plannen houden we een club over die er mag zijn.”

Srebrenica Tijdens zijn periode als CDS maakte Van den Breemen onder defensieminister Joris Voorhoeve ook de val van Srebrenica op 11 juli 1995 mee en de daaropvolgende deportatie en genocide van meer dan 7.000 moslimjongens en -mannen door Bosnisch-Servische troepen. Militair verantwoordelijken binnen de Nederlandse krijgsmacht, na Van den Breemen als CDS, waren bevelhebber der landstrijdkrachten generaal Hans Couzy, plv. generaal Ad van Baal en de chef-staf van UNPROFOR in Sarajevo Cees Nicolaï. Overste Thom Karremans was lokaal verantwoordelijk voor de gehele enclave Srebrenica in de functie van commandant Dutchbat III te Potočari. In de lange nasleep van deze tragedie viel op dinsdag 16 april 2002 het gehele tweede kabinet-Kok als gevolg van de kabinetscrisis over het Srebrenica-drama. Bij monde van premier Wim Kok heeft de Nederlandse regering hiermee openlijk wel verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen op zich genomen maar niet de schuld. Die moet volgens Kok in breder, internationaler verband gezocht worden, niet het minst bij de Serviërs.