Geschiedenis van West-Australië beschrijft het ontstaan en de ontwikkeling van de Australische staat West-Australië.
miniatuur|375px|Lithografie van de Aborigines in King George Sound door Louis Boulanger in 1833
De Aborigines De Aborigines leefden reeds meer dan 40.000 jaar in het westen van Australië. Ze waren jager-verzamelaars doch manipuleerden ook de natuur om zich heen. Ze brandden de vlakten af opdat het landschap open bleef om makkelijker te kunnen jagen. In inhammen onder invloed van de getijden werden door sommige aboriginesgroepen stenen visvallen gebouwd.
De aanwezigheid van de Aborigines maakte de kolonisatie van het westen van het Australische continent door de Britten mogelijk. De paden van de Aborigines lagen aan de basis van de latere wegen. De voor de jacht opengehouden vlakten waren geschikt om vee te laten grazen. De eerste kolonisten zouden niet overleefd hebben zonder de Aborigines die hen toonden waar ze water en eetbare planten konden vinden of hielpen bij het hoeden van het vee.
Ontdekkingsreizen De Portugezen waren rond 1520 vermoedelijk de eerste Europeanen die de West-Australische kust aanschouwden. In 1606 landde het Nederlandse schip Duyfken onder bevel van Willem Jansz op de noordkust van Australië. Dit wordt aanzien als de ontdekking van Australië. Tussen 1616 en 1697 werd de Australische kust verder in kaart gebracht door Nederlandse ontdekkingsreizigers en uit koers geraakte koopvaardijschepen. Dirk Hartog landde op 26 oktober 1616 op het naar hem vernoemde eiland Dirk Hartogeiland voor de Shark Bay. Hij liet een bord achter met de volgende inscriptie: 1616, den 25 october is hier aengecomen het schip d eendracht
van Amsterdam, den opperkopman Gillis Mibais van Lvick schipper Dirck Hatichs van Amsterdam
de 27 dito te seil geghm (sic) na Bantam den
ondercoopman Jan Stins opperstvierman Pieter Doekes van Bil Ao 1616. miniatuur|Caert van't Landt van d'Eendracht adhv Hessel Gerritsz In 1618 aanschouwden de scheepslui van de Zeewolf en de Mauritius de westkust van Australië. De bemanning van de Mauritius ging aan land op de Noordwestkaap en ging ervan uit dat het een eiland betrof. 't Wapen van Hoorn liep in juni 1622 aan grond in de Shark Bay. Datzelfde jaar ontdekte de bemanning van de Leeuwin de zuidwestkust en vernoemden kaap Leeuwin naar hun schip. De Vianen liep op 25 januari 1628 vast nabij Barroweiland. Het schip Batavia zonk nabij de Abrolhoseilanden op 4 juni 1629. Abel Tasman voer in 1642-43 langs Australië en ontdekte onder meer Van Diemensland en Zuidereiland. In 1644 bracht hij de noordkust van Australië in kaart. De Vergulde Draeck verging op 28 april 1656 nabij Ledge Point.
In 1696 deed Willem de Vlamingh kaap Inscription aan en verving Hartogs bord door een van zichzelf. Hij nam het oude bord mee naar Amsterdam waar het bewaard wordt in het Rijksmuseum. De kust werd als gevaarlijk beschouwd, het landschap onherbergzaam en met de Aborigines kon geen handel worden bedreven. De Engelsman William Dampier bevestigde dit beeld aan het eind van de 17e eeuw. In de 18e eeuw was er dan ook weinig interesse in het westen van Australië. Enkel schipbreukelingen en Indonesische vissers uit Sulawesi gingen er aan land.
Aan het einde van de 18e eeuw kreeg Europa interesse in de Indische en Pacifische Oceaan. De oude theorie luidt dat Australië werd gekoloniseerd om gevangenen te dumpen. Volgens de geschiedkundige Alan Frost was er meer aan de hand. Australië was strategisch gelegen voor de wereldhandel. Andere belangrijke strategische plaatsen en handelsposten waren reeds in handen van de Nederlanders, Spanjaarden en Portugezen. Engeland en Frankrijk waren op zoek naar plaatsen van waaruit ze konden opereren. Men had ook nood aan hout om schepen te herstellen.
De Fransman François de Saint-Allouarn eiste in 1772 Dirk Hartogeiland op voor Frankrijk. George Vancouver plantte in 1791 de Union Jack neer aan King George Sound. Geen van beiden kregen echter veel steun van hun overheden en het liep telkens op niets uit. James Cook verkende de oost- en noordkust rond 1770 en Arthur Phillip voer in 1788 uit om het zuidoosten van Australië voor de Britse kroon op te eisen. Hij stichtte de gevangenenkolonie New South Wales. Rond de eeuwwisseling voer Matthew Flinders rond Australië. Napoleon Bonaparte zond in 1800 een expeditie onder leiding van Nicolas Baudin naar Australië. Phillip Parker King maakte vijf verkenningstochten langs de Australische kusten, drie daarvan met het schip Mermaid. Allen Cunningham, John Septimus Roe en de Aborigines Bungaree namen daar aan deel.
Interesse in West-Australië miniatuur|175px|James Stirling Rond de jaren 1820 leefden er ex-gevangenen, ontsnapt uit New South Wales, langs de kust in het zuidwesten van West-Australië. Ze deden er aan de zeehondenvangst. Ook Amerikaanse walvisjagers gingen er aan land. Beide groepen gingen wreed om met de plaatselijke Aborigines.
De Franse kregen interesse in West-Australië. Dumont d'Urville deed in 1826 King George Sound aan. Majoor Edmund Lockyer werd door de gouverneur van New South Wales naar de King George Sound gezonden met een detachement soldaten en gevangenen om er een militaire post te vestigen.
James Stirling, wiens familie zakenbelangen had op en langs de Indische oceaan, was geïnteresseerd in het westen van Australië. Hij verkende samen met botanicus Charles Frazer de rivier de Swan in maart 1827. Misleid door het seizoen, de machtige jarrahbossen en het feit dat ze niet ver landinwaarts waren gereisd dacht Stirling met een vruchtbaar gebied te maken te hebben.
Door het einde van de Napoleontische oorlogen in 1815 waren veel Britse marine- en legerofficieren werkloos en Stirlings optimistische visie over de mogelijkheid van een kolonie aan de Swan viel niet in dovemansoren. De overheid wenste er geen financiële middelen in te investeren. Het werd geen gevangenenkolonie. De kolonisatie zou door middel van private investeringen bekostigd dienen te worden. Een van de grootste investeerders was Thomas Peel. Eind 1828 werd Stirling tot luitenant-gouverneur van West-Australië benoemd. De eerste kolonisten vertrokken in februari 1829 uit Engeland.
Stichting van de kolonie aan de rivier de Swan (1829–1835)
In juni 1829 arriveerde de Parmelia voor de West-Australische kust en gingen de kolonisten aan land op Garden Island. De door Stirling aangeduide landmeter-generaal, John Septimus Roe, tekende de plaatsen Fremantle, Perth en Guildford uit. Het land werd opgedeeld in langwerpige, aan de rivier de Swan grenzende, kavels. Dit is nog zichtbaar in de structuur van de wegen in de oostelijke buitenwijken van Perth. De beste kavels werden door Stirling, Roe en hun kennissen en collega-ambtenaren ingenomen. Op 12 augustus 1829 werd Perth gesticht, gesymboliseerd door het vellen van een boom. De plaats werd gekozen omdat het vanaf de kust niet gebombardeerd kon worden, omdat er water aanwezig was en omdat de gronden langs dat deel van de Swan in het bezit waren van Stirling en zijn naasten.
Thomas Peel arriveerde te laat in de kolonie om de aan hem toegewezen grond op te eisen. Hij moest genoegen nemen met minder vruchtbaar grondgebied ten zuiden van Fremantle. Het eerste jaar van de kolonisatie leefden de Europeanen van gezouten vlees en scheepsbeschuit uit Engeland. Ze woonden onder linnen doeken. De knechten en arbeiders die mee waren gemigreerd verbraken hun contracten omdat ze niet werden betaald. Er was veel alcoholisme. De productiviteit lag laag. Enkel goed voorbereide kolonisten, die al iets kenden van landbouw, slaagden erin iets te produceren.
In 1830 stak vaandrig (En: Ensign) Robert Dale als eerste de Darling Range over. Hij ontdekte er de vruchtbare vallei van de Avon. In januari 1831 trok Thomas Bannister een pad tussen de nederzetting aan de King George Sound en die aan de rivier de Swan. De overheid verhoogde de prijs voor grond. Terwijl tussen 1829 en 1831 nog een half miljoen hectare werd toegewezen, ging het tussen 1832 en 1837 om nog slechts 100.000 hectare. In 1831 werd de Agricultural Society opgericht om informatie te delen over de nieuwe omgeving en als drukkingsgroep. miniatuur|170px|Mokare Het garnizoen aan de King George Sound leefde vreedzaam samen met de Aborigines doordat ze weinig behoeften hadden. Mokare en dr. Alexander Collie waren er goede vrienden. Op vraag van Collie werden ze naast elkaar begraven. Rond de kolonie aan de Swan kwam het echter al vroeg tot moeilijkheden doordat de kolonisten er zich veel grondgebied toegeëigenden. Tijdens Stirlings afwezigheid tussen 1832 en 1834 verslechterden de relaties nog. In 1833 werd een Nyungah-oudste, genaamd Midgegooroo, geëxecuteerd. Zijn zoon Yagan werd op het einde van dat jaar door twee broers gedood die de prijs op diens hoofd wilden. De Binjarup Nyungah vielen de eerste meelmolen van Perth aan onder leiding van Calyute. Ze dreigden de molenaar te vermoorden. Calyute en zijn strijdmakkers werden door soldaten gevangen genomen en Calyute kreeg 60 zweepslagen met een geknoopt touw.
Calyute viel daarop Thomas Peels landerijen aan en doodde en verwondde daarbij enkele kolonisten. Dit leidde tot de slag bij Pinjarra waarbij een 80-tal Aborigines het opnamen tegen 25 soldaten. Dit brak de opstand. Lange perioden van vrede en samenwerking zouden nog sporadisch onderbroken worden door golven van geweld. Aborigines werden tewerkgesteld als schapenhoeders of postmannen. De stamoudsten werden aangesteld als politieagenten. Er werd een missieschool opgericht om de kinderen te kerstenen.
Het geweld verplaatste zich naar de vallei van de Avon. De conflicten met de Aborigines zorgden er voor dat Britse troepen aanwezig dienden te blijven. De aanwezigheid kostte de Britse overheid meer dan de uitvoer uit de kolonie opbracht. Stirlings opvolger, gouverneur John Hutt slaagde erin Aborigines het recht te geven te getuigen voor de rechtbanken maar hun bescherming onder het Britse recht bleef wankel.
Uitbreiding van de kolonie aan de rivier de Swan (1835–1850) John Septimus Roe verkende tussen 1830 en 1835 het gebied verder naar het zuiden en zuidwesten maar vond geen geschikte weidegronden. In 1839 overleefden George Grey en zijn mannen een schipbreuk nabij het latere Kalbarri en dienden naar het meer dan 500 kilometer zuidelijker gelegen Perth te wandelen. Zij kwamen onderweg grondgebied tegen waarvan Grey vond dat het geschikt was om het in cultuur te brengen.
De wolproductie groeide traag doordat veel schapen stierven, onder andere aan het eten van giftige planten. Van 1829 tot 1837 bleef hun aantal stagneren op ongeveer 8000 stuks. De concurrentie met de schapentelers in de oostelijke kolonie was hard. De kolonisten probeerden in Albany en Fremantle vanop land op walvissen te jagen maar konden de concurrentie met de Amerikaanse walvisjagers niet aan. Er werd wel handel gedreven met de walvisjagers. In ruil voor voedsel gaven de walvisjagers boeken, kleding en drank.
In 1837 werd de Bank of Western Australia opgericht met steun van de handelaars van Fremantle. De bank werd in 1841 overgenomen door de Bank of Australasia. Lokale investeerders richtten daarop de Western Australian Bank op en de Bank of Australasia trok zich terug. Stirling verliet de kolonie in januari 1839 en keerde nooit meer weer. Zijn droom van een West-Australië bevolkt door landadel zou nooit werkelijkheid worden. miniatuur|Eyre onderweg naar Albany West-Australië was zeer afgelegen. De Britse cultuur gebaseerd op sociale klasse brokkelde er af. Ook religie had er niet de macht die ze in Engeland had. Door de isolatie was de samenleving er meer egalitair. In 1841 trok Edward John Eyre met een Engelsman en drie Aborigines van Zuid-Australië over land naar Albany. Dankzij de enige overlevende Aborigines bereikte Eyre zijn doel. De kolonisten begonnen hun omgeving stilaan te begrijpen. Botanicus Drummond kwam erachter dat de schapensterfte te wijten was aan Gastrolobium calycinum (En: York Road poison).