De geschiedenis van de slavernij in België gaat over de slavernij op het grondgebied van het huidige België en de rol die de inwoners van dat grondgebied hebben gespeeld in de wereldwijde slavernij. In het welvarende Vlaanderen en Brabant doofden slavernij en horigheid uit tegen de 12e eeuw. Zuid-Europeanen brachten in de 15e en 16e eeuw niet-christelijke slaven mee, vooral naar Antwerpen. Na de scheuring van de Nederlanden in 1585 kwam er een einde aan hun aanwezigheid en volgde een uittocht van Zuid-Nederlanders, die in de Republiek der Zeven Provinciën aan de basis lagen van de chartercompagnieën. De Spaanse Nederlanden namen geen deel aan deze slavenhandel, noch aan degene die werd opgezet in het Spaanse Rijk. Sporadische initiatieven niet te na gesproken, was er slechts in de jaren 1780 sprake van een min of meer intensieve slavenhandel vanuit de Zuidelijke Nederlanden.

Oudheid Zowel de Kelten als de Germanen kenden een maatschappij van edelen, vrijen, halfvrijen en slaven. Ook in de Romeinse tijd bleef het instituut van de slavernij wijdverspreid. Julius Caesar maakte talloze slaven tijdens de verovering van Gallië in 58-51 v.Chr., en daarna werd de aanvoer verzekerd door de Germaanse oorlogen. Krijgsgevangenen werden staatseigendom en werden vaak nog op het slagveld verkocht aan slavenhandelaars, of soms aan soldaten geschonken als buit.Robert Nouwen, Rome en de Lage Landen, 2026, p. 246-247 Hun eindbestemming lag meestal, na een penibele tocht in boeien, in Rome of in andere mediterrane steden, waar Gallische en Germaanse slaven een begrip waren.Robert Nouwen, Rome en de Lage Landen, 2026, p. 247 De Gallo-Romeinse villae rusticae in België werden bewerkt door slaven of pachters.

Middeleeuwen In de vroege middeleeuwen verbeterde het statuut van de slaven onder invloed van de Kerk. Vrije boeren bleven echter een minderheid. De meeste landbewerkers waren vroeg of laat verplicht zich onder de bescherming te stellen van een heer. In het feodale stelsel vormden deze halfvrijen de grote meerderheid. Het oudste Nederlandse zinnetje, opgenomen in de Lex Salica, heeft betrekking op hen (Maltho thi afrio lito = Ik verklaar: ik laat u vrij, laat). Ze moesten een deel van hun oogst afstaan, gratis werken op het vroonhof en andere herendiensten verrichten. Wat aanvankelijk een machtsrelatie was, verstolde geleidelijk tot gewoonterecht. Daarin bestonden verschillen van streek tot streek. Ook waren er verschillende statuten naargelang men gebonden was aan de grond of aan de persoon van de heer (horigen, laten, lijfeigenen). Vermits alle halfvrijen onderworpen waren aan de rechtspraak van hun heer (of diens meier), waren ze in de praktijk niet in een positie om hun weinige rechten af te dwingen. Allerlei taksen (mortemain, chevage, formariage) waren erop gericht het luttele vermogen van de horigen naar de heer te doen vloeien.

Naast de horigheid kenden de middeleeuwen nog steeds de eigenlijke slavernij. Nieuwe slaven werden gemaakt in niet-christelijke gebieden en verhandeld in plaatsen zoals Verdun, dat van de 7e tot de 10e eeuw een verzamel- en castratiecentrum was. Karavanen uit Engeland en uit het oosten kwamen er bijeen voor doorvoer naar het zuiden.

In de Belgische streken verdwenen slavernij en horigheid vanaf de 12e eeuw.Léo Verriest, Le servage dans le comté de Hainaut, 1910Léo Verriest, "Le servage en Flandre, particulièrement au Pays d'Alost" in: Revue historique de droit français et étranger, 1950, p. 35-66 De mildere condities in kloosterhoeven en in nieuw ontgonnen gebieden hadden reeds enige druk gelegd (cf. 'Onder de kromstaf is het goed leven'), en de opkomst van de steden bood een nog aanlokkelijkere uitweg (cf. 'Stadslucht maakt vrij'). De stichtingsakte van Nieuwpoort bepaalde in 1163 dat al wie er een jaar en een dag verbleef, de vrijheid verkreeg. Het was de eerste stad in de Nederlanden waarvoor dit gedocumenteerd is. Om landvlucht te voorkomen zagen de heren zich ertoe gedwongen betere levensomstandigheden toe te staan. Niettemin werden in vrijlatingsakten vaak heerlijke rechten voorbehouden, zoals de dode hand, al dan niet in de vorm van het beste katteel.

Serviliteit leefde langer voort in arme streken zoals de Ardennen en Luxemburg. In dat laatste gebied werden de Vogteigüter in 1765 opgeheven. Toen keizer Jozef II in 1781 per decreet een einde maakte aan de lijfeigenschap in het Heilig Roomse Rijk, was dit voor de Belgische gewesten nauwelijks nog relevant. In de 18e eeuw herinnerde vooral het beste katteel nog aan de vroegere horigheid.Léo Verriest, "Le servage en Flandre, particulièrement au Pays d'Alost" in: Revue historique de droit français et étranger, 1950, p. 64 Ook de gerechtsheerlijkheid bleef bestaan doorheen het ancien régime en kwam pas in 1794 ten einde door toedoen van de Franse Revolutionairen. Hun moderne ideeën over vrijheid en gelijkheid maakten een einde aan alle heerlijke rechten.

Vroegmoderne tijd thumb|Katherina door Albrecht Dürer (1521). Hij schetste de 20-jarige vrouw tijdens zijn verblijf in Antwerpen bij de Portugese factor João Brandão. In zijn notities noemde hij haar 'Brandão's moor'.

Slaven op het grondgebied van de Spaanse Nederlanden In de 15e en vooral 16e eeuw brachten Portugese, Italiaanse en Spaanse handelaren en diplomaten hun zwarte huisslaven mee naar de handelsmetropolen Brugge en Antwerpen. Zuid-Europa had toen meer toegang tot niet-christenen, die volgens pauselijke bullen tot slaaf mochten worden gemaakt. Begin 16e eeuw verschenen in de beeldcultuur geïndividualiseerde portretten van zwarten, zoals bij Gerard David (1515), Jan Mostaert (ca. 1520–25) en Albrecht Dürer (Katherina, 1521). De overkomst van Zuid-Europeanen confronteerde de Zuidelijke Nederlanden met de vraag naar de juridische status van hun slaven. Het Antwerpse gewoonterecht, opgetekend in 1582, was in principe duidelijk:

1. Binnen der Stadt ende vryheyt van Antwerpen sijn alle menschen vry ende gheen slaven.

2. Item alle slaven binnen de Stadt oft vryheyt gecomen wesende, sijn vry ende buyten de macht van heurlieder Meesters oft Vrouwen: ende soo verre men die wilde als slaven houden ende teghen heuren danck doen dienen, moghen proclameren ad libertatem patriae, ende heurlieder Meesters oft Vrouwen voor de Weth doen daghen, ende hen aldaer rechtelijck vry doen verclaeren.

De praktijk was echter anders. Het Antwerps stadsarchief bevat verschillende vermeldingen van slaven die na hun doopsel werden vrijgelaten. Het vroegste voorbeeld is te vinden in de Chronycke van Antwerpen onder maart 1456: een galeischipper liet een zestienjarige joodse moor dopen en schonk hem zo de vrijheid.Dienke Hondius, Blackness in Western Europe. Racial Patterns of Paternalism and Exclusion, 2017, p. 132-133 Gelijkaardige ceremonieën deden zich voor in 1497 met drie joden die waren overgekomen in het gevolg van Johanna van Castilië en in 1518 met een joodse vrouw van 22 jaar. Uit deze praktijk kan worden afgeleid dat niet-bekeerde slaven wel degelijk in slavernij bleven. Dat wordt bevestigd door verkopen van slaven die te Antwerpen zijn gedocumenteerd (bijvoorbeeld op 24 mei 1540 verkocht Diego Alvares de achttienjarige slaaf Duarte aan de Genuees Jeroom Massa) en door een stadsordonnantie van 16 augustus 1516 die een premie uitloofde voor het terugbrengen van "twee Mooren nog niet kersten wesende" naar hun eigenaar George de Sulco Lobo. Uit dezelfde periode dateert het geval van Balthasar de Moor, een voormalige slaaf wiens handelspartner hem wilde laten arresteren omdat hij zou zijn gevlucht. In een notarieel verzoekschrift ontkende Balthasar dat en verklaarde hij geboren te zijn "uyt de Indien van Portugael van Cristen ouders". De afloop is niet bekend.

Interessant is ook de casus van de slaaf Simon, op de kaken gebrandmerkt met de letters J. en M., die op 6 maart 1532 in Mainz was gevlucht. Zijn Portugese eigenaar vroeg Maria van Hongarije om hem te laten opsporen. Ze won het advies in van de Grote Raad van Mechelen, die besloot tot onontvankelijkheid: volgens de Raad was een ontsnapte slaaf bevrijd omdat de slavernij niet bekend was in de Nederlanden. Daarvoor werd gesteund op de costuymen van Antwerpen, die zelfs buitenlandse slaven toelieten zich gerechtelijk in vrijheid te laten stellen. De zaak werd besproken door de Leuvense professor Petrus Gudelinus in zijn Commentariorum de iure novissimo libri sex (1620).Hans-Jan van Kralingen, Some remarks on slavery and legal history, Leiden Law Blog, 6 maart 2014 Wie als slaaf op het grondgebied van de Nederlanden kwam, herwon volgens Gudelinus' analyse van rechtswege de vrijheid. Ook bij Zypaeus is een juridische bespreking van de slavernij de vinden."De servis", in: Noticia juris Belgici, 1635, p. 180-182 De regel van de "vrije grond" was een belangrijk, zij het niet onomstreden principe.Filip Batselé, Liberty, Slavery and the Law in Early Modern Western Europe. Omnes Homines aut Liberi Sunt aut Servi, 2020 In 1552 werd de slaaf Bertelmeeus uitgeleverd aan zijn Spaanse meester.Jeroen Puttevils, "Een vergeten bladzijde? De vroege participatie van de Zuidelijke Nederlanden aan slavernij" in: Staat & slavernij. Het Nederlandse koloniale slavernijverleden en zijn doorwerkingen, eds. Rose Mary Allen e.a., 2023, p. 352 Een ander geval deed zich voor in Oostende in 1731.Pierre Verhaegen, "Le commerce des esclaves en Belgique à la fin du XVIIIe siècle", in: Annales de la Société d'Archéologie de Bruxelles, 1901, p. 259 Antonio Bartholomeo de Leon was ontsnapt aan zijn meester, een Engelse kapitein, en had zijn toevlucht gezocht in de stad. Het kwam tot een proces, waarbij de uitlevering aan de eigenaar werd geweigerd omdat het instituut van de slavernij niet werd erkend. De Geheime Raad steunde zich hiervoor op de eerdere zaak uit 1532 en noemde de Antwerpse costuymen beslissend.Ernest Nys, "L'esclavage noir devant les jurisconsultes et les cours de justice", in: Revue de droit international et de législation comparée, 1890, p. 66. Gearchiveerd op 15 september 2021.

Deelname aan de Trans-Atlantische slavenhandel Vanuit de Habsburgse Nederlanden is in beperkte mate aan slavenhandel gedaan.John G. Everaert, Commerce d'Afrique et traite négrière dans les Pays-Bas autrichiens, in: Revue française d'histoire d'Outre-Mer, 1975, p. 177-185. Gearchiveerd op 17 juni 2022. Zuid-Nederlanders maakten daarvoor gebruik van hun toegang tot het Spaanse en Portugese koloniaal systeem.Jeroen Puttevils, "Een vergeten bladzijde? De vroege participatie van de Zuidelijke Nederlanden aan slavernij" in: Staat & slavernij. Het Nederlandse koloniale slavernijverleden en zijn doorwerkingen, eds. Rose Mary Allen e.a., 2023, p. 356 Eind 15e eeuw waren er enkele Brugse huizen die op Afrika voeren en in de 16e eeuw werd vanuit Antwerpen gehandeld met de Golf van Guinea. In 1518 kreeg Laurent de Gorrevod, raadgever aan het Mechelse hof van Margaretha van Oostenrijk, een vergunning om 4000 Afrikaanse slaven naar Amerika te verschepen. Deze licentie, die door Gorrevod werd doorverkocht in Spanje, was het startschot van de Trans-Atlantische slavenhandel. Het was niet louter toeval dat dit startschot een connectie met de Nederlanden had: de entourage van keizer Karel V werd als "Vlaams" beschouwd, en het was tot hen dat Bartolomé de las Casas zich richtte om de keizer ervan te overtuigen indiaanse dwangarbeid te vervangen door Afrikaanse slavenarbeid.Jeroen Puttevils, "Een vergeten bladzijde? De vroege participatie van de Zuidelijke Nederlanden aan slavernij" in: Staat & slavernij. Het Nederlandse koloniale slavernijverleden en zijn doorwerkingen, eds. Rose Mary Allen e.a., 2023, p. 350