Willem van Genk (Voorburg, 2 april 1927 – Den Haag, 12 mei 2005) was een Nederlands beeldend kunstenaar. Hij wordt vaak beschouwd als de belangrijkste Nederlandse vertegenwoordiger van de outsider art.'Zijn positie als 'belangrijkste Nederlandse outsider-kunstenaar' is inmiddels algemeen aanvaard.' Ans van Berkum, 'Zijn leven tekenen, Willem van Genk en de kunstwereld', in: Marjan Teeuwen (red.), Tekenen des tijds ('s-Hertogenbosch 2002), 28-35 (34). Die kwalificatie marginaliseert ten onrechte zijn positie binnen de beeldende kunst in Nederland van na de Tweede Wereldoorlog.Cf. Jack van der Weide, 'Nieuwe avonturen van Willem van Genk. Biografische notities', in: Tijdschrift voor Biografie 5 (2016) 1, 67-75 (68).

Biografie 1927-1957 Willem van Genk werd geboren in een welgesteld katholiek gezin, als tiende kind en enige jongen na negen meisjes. Zijn vader, handelaar in comestibles, was afkomstig uit Bergen op Zoom; grootvader Van Genk was een broer van de architecten Piet van Genk en Kees van Genk.Cf. Van der Weide, 'Nieuwe avonturen van Willem van Genk', 70. Toen Van Genk vier jaar oud was overleed zijn moeder aan borstkanker.Cf. Dick Walda, Koning der stations (Amsterdam 1997), 31. In 2019 verscheen een tweede, geheel herziene druk van Walda's boek, waarin zowel nieuwe passages werden toegevoegd als oude werden aangepast. Omwille van de eenduidigheid is hier steeds gekozen voor verwijzingen naar de eerste druk. Hij kwam tijdelijk te wonen bij een oom en tante in Bergen op Zoom en zou daarna vooral worden opgevoed door deze tante en zijn zus Nora.Cf. Walda, Koning der stations, 30. Op de lagere school vertoonde Willem ernstige leer- en aanpassingsproblemen. Rond 1937 bracht hij tijd door op twee internaten, eerst op Ste Marie in het Brabantse Huijbergen, daarna in het Gelderse Harreveld.Cf. Ans van Berkum, Caroline Satink en Nico van der Endt, Willem van Genk. Een getekende wereld (Zwolle 1998), 12.

Omstreeks het begin van de Tweede Wereldoorlog begon Van Genk op de ambachtsschool een opleiding tot elektrotechnicus, die hij niet zou afmaken.Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, 12. Tijdens de oorlog was vader Van Genk actief in het verzet. Toen hij tijdens een razzia ontkwam, werd zijn zoon in het ouderlijk huis hardhandig door de Gestapo ondervraagd over de verblijfplaats van zijn vader.Cf. Nico van der Endt, Willem van Genk. Kroniek van een samenwerking (Eindhoven 2014), 17; Walda, Koning der stations, 35. Kort na de oorlog kreeg Van Genk een oproep voor militaire dienst, mogelijk in het kader van de oorlog in Indonesië, maar hij werd afgekeurd wegens schizofrenie.Cf. Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, 21; Ans van Berkum, 'Willem van Genk', in: Jos ten Berge (red.), Masters of the Margin (Zwolle 1999), 28-33 (28). Hij had vervolgens enkele kortstondige baantjes in Den Haag, eerst bij een reclamebureau, daarna als typist, als broodverkoper, in dienst van een farmaceutisch bedrijf en als hulpje van een schoenmaker. Telkens werd hij ontslagen.Cf. Walda, Koning der stations, 32-33.

In 1947 werd hij tewerk gesteld in een AVO-werkplaats aan de Haagse Sirtemastraat – 'AVO' stond voor 'Arbeid Voor Onvolwaardigen' – waar hij van 's morgens acht tot 's middags vijf uur werkzaamheden moest verrichten als het monteren van afwasborstels en het sorteren van stukjes kabel.Cf. Walda, Koning der stations, 25, 33. Directeur van de werkplaatsen was psychiater Nico Speijer, bij wie Van Genk onder behandeling stond.Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, 13. Zijn vader was inmiddels voor een derde maal getrouwd en wilde zijn zoon niet meer in huis hebben. Van Genk ging in een pension wonen dat verbonden was aan de AVO-werkplaats, op een minuscule kamer die hij deelde met een lotgenoot.Cf. Walda, Koning der stations, 34-35.

1958-1975 Eind 1958 meldde Van Genk zich aan bij de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten.Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, 15. Onderdirecteur Cees Bolding en directeur Joop Beljon onderkenden zijn talent en lieten hem toe tot de avondacademie.Cf. R.E Penning, Reiziger in verbeelding. Een eigenaardig geval, in: Haagsche Courant, 6 december 1958 Beljon probeerde tevergeefs van Speijer gedaan te krijgen dat Van Genk meer tijd op de academie mocht doorbrengen.Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, 81; 'Geniaal of vreemd? Van Genks panorama's', in: De Tijd, 8 februari 1964. Tevens instrueerde hij zijn docenten om hun nieuwe pupil met rust te laten, om diens aangeboren talent niet te verstoren.Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, 16. Van Genks toelating was dusdanig opzienbarend dat er een korte tekst over hem verscheen in de Haagsche Courant, de eerste keer dat hij als kunstenaar bij naam genoemd werd in de media. Auteur R.E. Penning verwonderde zich met Beljon en Bolding over de tekeningen van Van Genk, enorme stadsgezichten, uiterst gedetailleerd weergegeven.Penning, Reiziger in verbeelding. Voor een deel kende Van Genk de steden uit eigen ervaring: met een katholieke reisvereniging maakt hij reizen naar onder meer Parijs, Madrid, Kopenhagen, Rome, Keulen en Praag.Cf. Bibeb, 'Wim van Genk: Ik ben een stuk grijs pakpapier', in: Bibeb & VIP's (Amsterdam 1965),111-123 (111). Omdat hij in zijn pension niet kon werken, liep hij vrijwel iedere avond een uur naar de woning van zijn alleenstaande zuster Willy in de Harmelenstraat. Aan haar eettafel maakte Van Genk zijn tekeningen op aan elkaar geplakte schriftblaadjes.Cf. 'Zo'n natuurtalent mag je niets leren, zegt academiedirecteur J.J. Beljon', in: De Telegraaf, 18 januari 1964.

Via Beljon kreeg Van Genk in 1964 zijn eerste solo-expositie, van 18 januari tot 18 maart in de kantine van Steendrukkerij De Jong & Co. in Hilversum, onder de titel Van Genk's fantastische werkelijkheid.Cf. Van Berkum e.a., Een getekende wereld, 123. De tentoonstelling werd georganiseerd door grafisch ontwerpers Pieter Brattinga en Simon den Hartog, en ingericht door Gerard Wernars.Cf. 'Tentoonstelling schilder Van Genk bij De Jong & Co. te Hilversum 18/1 – 18/3 1964', in: Graficus, 21 januari 1964. Er waren in Hilversum zevenentwintig ingekleurde pentekeningen te zien, vrijwel allemaal stadsgezichten, maar er werd niet één werk verkocht.Cf. catalogus tentoonstelling Van Genk's fantastische werkelijkheid (Hilversum 1964); Nico van der Endt, 'Ik wil een gezonde schilder zijn. Willem van Genk', in: Kunstlicht 3/4 (1995), 9-12 (10); Jack van der Weide, 'De eenheid van het spinnenweb. Willem van Genk bij Steendrukkerij De Jong & Co.', in: Desipientia 24 (2017), 2, 30-33. Tot aan de dag voor de opening lieten de organisatoren Van Genk zelf in het ongewisse over de expositie – Beljon vreesde dat hij het niet goed zou vinden of bang zou worden.Cf. 'Zo'n natuurtalent mag je niets leren'. De tentoonstelling werd geopend door de schrijver Willem Frederik Hermans. Deze roemde Van Genks stadsgezichten, noemde diens tekeningen 'huiveringwekkend mooi' en vergeleek de kunstenaar met Piranesi.Cf. W.F. Hermans, 'De werkelijkheid van Willem van Genk', in: Kunst van nu 1 (1963-1964) 5, 8-9. Naar aanleiding van de tentoonstelling verscheen in Vrij Nederland een interview met de kunstenaar door Bibeb en maakte Brandpunt een reportage over hem.De reportage van Brandpunt werd uitgezonden in januari of februari 1964 en is vrijwel integraal opgenomen in de documentaire Ver van huis. Portret van de kunstenaar Willem van Genk (aflevering in de reeks Werelden, IKON, 31 oktober 2001) van Dick Walda en Jan Keja.

Eveneens door bemiddeling van Beljon mocht Van Genk later in 1964 deelnemen aan de groepstentoonstelling Nieuwe realisten, die van 24 juni tot 30 augustus werd gehouden in het Haagse Gemeentemuseum. Het betrof een omvangrijke en prestigieuze tentoonstelling, waar werk te zien was van onder meer Jean Dubuffet, Francis Bacon, Robert Rauschenberg, Yves Klein en Andy Warhol. Van Genk was vertegenwoordigd met één werk, een stadsgezicht van Moskou, in de categorie 'Traditioneel realisme' als vertegenwoordiger van 'de naïeven en Zondagschilders'.Cf. catalogus tentoonstelling Nieuwe realisten (Den Haag 1964), 7, 9. Door deze tentoonstelling maakte de Duitse galeriehouder Martin Schmela kennis met het werk van Van Genk, via meubelontwerper en kunstverzamelaar Martin Visser.De brief bevindt zich in het archief van Schmela, dat beheerd wordt door het Getty Research Institute (Galerie Schmela records, box 15, folder 25) Als gevolg hiervan was van 3 tot 25 oktober 1964 in Schmela's galerie in Düsseldorf Van Genk's phantastische Wirklichkeit te zien, een herhaling van de Hilversumse expositie.Cf. catalogus tentoonstelling Van Genk's phantastische Wirklichkeit (Düsseldorf 1964) Er werden acht werken verkocht, onder andere aan het Stedelijk Museum in Amsterdam.Cf. Van der Endt, Kroniek van een samenwerking, 33. Pieter Brattinga had inmiddels het zaakwaarnemerschap overgenomen van Van Genks zwager.Cf. een brief van Addy van Genk in het archief van Manfred Schmela (Galerie Schmela records, box 3, folder 14) In 1964 volgden ook veranderingen op het persoonlijke vlak: Van Genk verloor zijn baan bij de AVO en raakte daardoor zijn behuizing kwijt. Hij trok in bij zijn zuster Willy.Cf. Bibeb, 'Ik ben een stuk grijs pakpapier', 111.

In 1966 deed Van Genk mee aan een prijsvraag voor zondagsschilders van de VARA, met als resultaat een eervolle vermelding.Cf. 'Zondagsschilders in Haarlem', in: De Tijd, 9 november 1966. Een jaar later won hij de landelijke schilder- en tekenwedstrijd van Co-op Nederland. De prijs, een geheel verzorgde veertiendaagse vliegreis naar Amerika en Canada, werd hem in de Rotterdamse Doelen uitgereikt door Mies Bouwman.Cf. 'W. van Genk wint eerste prijs Co-op-schilderwedstrijd', in: Het vrije volk, 27 november 1967. Beide malen was aan de wedstrijd een tentoonstelling verbonden in onder meer de Vishal in Haarlem en het Stedelijk Museum Schiedam. De relatie met Brattinga was steeds meer verzuurd, doordat deze het niet voor elkaar kreeg werk van Van Genk te verkopen of internationale belangstelling te genereren, en eindigde begin jaren zeventig in een juridisch steekspel.Cf. Ans van Berkum, 'Een vogel boven de stad', in: Patrick Allegaert, Annime Calliau, Ans van Berkum en Bart Marius, Willem van Genk bouwt zijn universum (Tielt 2010), 32-103 (90-92). Na het overlijden van zijn zuster Willy in 1972 erfde Van Genk haar woning aan de Harmelenstraat. Op zakelijk vlak vond hij onderdak bij galerie De Ark van Dick Heesen in het Brabantse Boxtel. Van 21 december 1973 tot 27 januari 1974 combineerde Heesen in een dubbeltentoonstelling Afrikaanse etnografica met werk van Van Genk. Het NOS-programma Uit de kunst besteedde aandacht aan de tentoonstelling, en te zien was dat Van Genk inmiddels van pentekeningen was overgestapt naar werken in olieverf op board.Cf. Uit de kunst (NOS), uitzenddatum 11 januari 1974. De tentoonstelling leidde niet tot verkopen, evenmin als een presentatie op kunstbeurs IKI te Düsseldorf in 1974.

1976-2005