thumb|Fol. 28r van het Gruuthuuse-handschrift, met rechtsonder het lied 'Egidius waer bestu bleven' Het Gruuthusehandschrift is een middeleeuws verzamelhandschrift, in Brugge samengesteld, waarvan de oudste kern dateert van omstreeks 1395, terwijl de jongste bijdragen stammen uit omstreeks 1408. Het maakte waarschijnlijk deel uit van de Bibliotheek van Lodewijk van Gruuthuse.
Het handschrift geldt als de enige bron voor een groot aantal Middelnederlandse teksten. Sinds 2007 wordt het bewaard in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag onder signatuur KW 79 K 10.
Tot de liederen in het manuscript behoren het beroemde 'Egidiuslied' en het Kerelslied.
thumb|Lodewijk van Gruuthuse
Naamgever Het handschrift, dat na zijn ontdekking omstreeks 1840 lange tijd bekendstond als het handschrift der Oudvlaemsche liederen en gedichten, werd in de loop van de twintigste eeuw vernoemd naar zijn eerst mogelijke eigenaar Lodewijk van Gruuthuse (ca. 1422-1492), wiens wapen in de late vijftiende eeuw in de benedenmarge van de eerste beschreven bladzijde werd toegevoegd. De Brugse patriciër en diplomaat Lodewijk van Gruuthuse was een groot verzamelaar van manuscripten, al ging het hem daarbij vrijwel uitsluitend om eigentijdse verluchte handschriften en boeken. Het oudere Gruuthusehandschrift, dat in het Middelnederlands geschreven is en op een paar initialen na geen verluchting bevatte, moet in zijn collectie uitzonderlijk zijn geweest.
Men heeft erover gediscussieerd of de wapenschilden inderdaad van Lodewijk van Gruuthuse waren, maar de ontdekking van identiek uitgevoerde wapenschilden in vier andere handschriften (onder meer BnF ms. fr. 1001), waarin de wapens op dezelfde manier werden aangebracht, heeft hierover zekerheid verschaft en liet toe de toevoeging van het wapenschild aan het Gruuthusehandschrift te dateren op omstreeks 1474.Voor een gedetailleerde argumentatie zie: Herman Brinkman, 2015, pp. 118-119 Dit maakt het duidelijk dat er voor Lodewijk van Gruuthuse andere eigenaars zijn geweest. Wat er na het overlijden van Lodewijk met het handschrift is gebeurd is onbekend.
Geschiedenis Hoe het handschrift bij de familie De Croeser en Van Caloen is terechtgekomen is nog steeds onduidelijk.
Eigendomslijn Van der Hooghe - van Caloen Omstreeks 1840 werd het handschrift ontdekt door Jan Antoon De Jonghe bij de erfgenamen van baron Karel Aeneas de Croeser en men heeft alleen kunnen vaststellen dat een eigenaar uit de 18e of vroege 19e eeuw, door toevoeging van aantekeningen, gepoogd heeft te benadrukken dat de codex ooit in het bezit was geweest van Lodewijk van Gruuthuse en Margareta van Borsselen.
In het handschrift vindt men een lijst van de eigenaars van de laatste twee eeuwen in modern schrift. Het is van de hand van Jean van Caloen (1884-1972) die de (vermeende) afkomst van zijn familie van de Gruuthuses hiermee wilde bevestigen.Andries Van Den Abeele, Zes eeuwen Gruuthusehandschrift en zijn mogelijke eigenaars. Deze nota vermeldt dat het handschrift in de familie van Caloen terechtkwam door het huwelijk in 1779 van barones Marie-Constance van Borsselen van der Hooghe (1752-1824) met de achttien jaar oudere Jean-Adrien van Caloen (1734-1813). De Van der Hooghe's stamden af van een Middelburgse poorter Adriaan Jacobszoon die het kasteel Ter Hooghe had gekocht van Lodewijk van Gruuthuse en zich sedert 1485 'van der Hooghe' was gaan noemen, zich beroepend op een document van aartshertog Maximiliaan, waarvan nooit een spoor is teruggevonden. Jacob van der Hooghe (1622-1686) was de eerste die zich 'van Borssele van der Hooghe' ging noemen en het wapen van de familie van Borssele ging voeren. In het kader hiervan is het vrij twijfelachtig dat het handschrift via vererving langs Margareta van Borsselen, de echtgenote van Lodewijk van Gruuthuse, bij de familie Caloen terechtkwam.
Alleen over de eigenaars na 1850 is er zekerheid dat het de kasteelheren van Ten Berghe waren, Charles-Joseph en Charles-Marie de Croeser en vervolgens Paul van Caloen de Basseghem, Ernest I, Ernest II en François van Caloen.
Eigendomslijn Despars - Van Marivoorde - de Croeser De onbeantwoorde vragen betreffende een eigendomslijn van der Hooghen van Borssele en nadien van Caloen en de Croeser, hebben er toe geleid dat ook een andere filiatie werd voorgesteld.
Na Lodewijk van Gruuthuse zou het handschrift in het bezit zijn gekomen van burgemeester Jacob Despars (1445-1500), of van burgemeester Wouter Despars (1455-1515) en/of van zijn kleinzoon, de historicus en burgemeester Nicolaas Despars (1522-1597). Ze waren alle drie eigenaars van de heerlijkheid en het zomerverblijf Ten Berghe, ten Noorden van Brugge. Het is bekend dat ze historische belangstelling hadden en documenten verzamelden. De laatste naamdraagster Despars trouwde met een lid van de familie de Marivoorde, die de erfenis in deze familie doorgaf, waarna het, toen ook deze familie uitdoofde, terechtkwam bij de familie de Croeser. Als het Gruuthusehandschrift aan de Despars toebehoorde, zou het langs deze filiatie bij de De Croesers en uiteindelijk bij de Van Caloens zijn terechtgekomen.
Mogelijke aankoop door de Croeser Er is nog een andere mogelijkheid, tegengesteld aan de beide voorgaande. Over het handschrift is immers geen enkele verwijzing bekend naar een eigenaar over de hele periode van de vijftiende tot het begin van de negentiende eeuw. Anderzijds staat het jaartal 1818 in het handschrift naast de naam de Croeser vermeld.
Het zou mogelijk zijn dat het handschrift vanaf de vijftiende eeuw in een of andere verzameling werd bewaard. Het kon een privéverzameling zijn, of een kloosterbibliotheek, of de koffer van een rederijkerskamer of van een ambacht. Na de Franse Revolutie zou het in het circuit van de openbare veilingen zijn terechtgekomen en in 1818 door burgemeester de Croeser of door zijn zoon Charles-Joseph zijn aangekocht. Vader en zoon kochten immers heel wat oude handschriften op, zoals de zes volumes van het handschrift de Hooghe.
Aankoop in 2007 Op 14 februari 2007 werd bekend dat de Koninklijke Bibliotheek in het Nederlandse Den Haag het handschrift had aangekocht.
Voorheen bewaard in privébezit in Koolkerke bij Brugge, op het kasteel Ten Berghe, als deel van de collectie van de familie Van Caloen, kwam het handschrift in openbaar bezit. De teksten werden zowel in een wetenschappelijke publicatie als digitaal ter beschikking gesteld. Het is nu een van de topstukken van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, die het permanent tentoonstelt op de webstek De Verdieping van Nederland.
Inhoud Het handschrift bevat gebeden (7), liederen (147) en gedichten (18). Deze driedeling in gebeden, liederen gedichten was vanaf het begin de opzet.Herman Brinkman, Het Gruuthusehandschrift, Hs. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 79 K 10, Hilversum, Verloren, 2015, p. 19 De originele opzet was te openen met de lange allegorie "De minneburcht" (III.1) gevolgd door twee gebeden, een tot Maria (I.5) en een meditatie over de passie (I.6), waarop het liedboek zou volgen. Latere toevoegingen beslisten hier anders over. Het toevoegen van nieuwe teksten leidde ertoe dat men de codex ging onderverdelen in drie secties: gebeden, liederen en gedichten. De indeling is niet altijd zeer strikt, gebeden worden soms als gedicht behandeld (een vertaling uit het Latijn van het "Obsecro te" III.12) en liederen lijken soms sterk op gebeden.
De inhoudslijst kan men terugvinden op de website van de Koninklijke Bibliotheek.website van de Koninklijke Bibliotheek. Gearchiveerd op 13 februari 2022. De nummers van teksten (III.1, I.4 etc.) verwijzen naar deze lijst.
Indruk van het handschrift
Gebeden Het handschrift bevat zeven gebeden, sterk verschillend van aard. Bij het ene is het literaire aspect vrij belangrijk, bij andere komt het retorische sterk op de voorgrond terwijl sommige verhalend zijn. Het handschrift bevat ook een uniek pelgrimsgebed, voor de pelgrimages naar Onze Lieve Vrouwe van Hulsterloo, dat volledig gepersonaliseerd werd en de namen bevat van degenen voor wie het werd opgesteld (I.4). Op dit laatste na zijn alle gebeden in het handschrift ook gekend van andere Brugse gebedenboeken.Herman Brinkman, 2015, p. 20 In het gebed I.5 maakt de auteur Jan van Hulst zich bekend met een acrostichon.
Liederen Deze sectie met 147 liederen maakt het grootste deel uit van de inhoud van de codex. Twee derde van de liederen zijn ballades of rondelen, de overige zijn veel diverser van vorm en worden aangeduid met het begrip chanson.Herman Brinkman, 2015, p. 21 De schrijvers van de liederen hebben veel geëxperimenteerd met de basisvormen en zelfs basisvormen gekruist, zodat het soms moeilijk vast te stellen is of het lied in kwestie een ballade of een rondeel is (II.108, II.116, II.117 en II.118). De minneallegorieën III.1 en III.2 bevatten respectievelijk acht en twee liederen. In III.1 zijn ze voorzien van muzieknotatie, in III.2 niet.Herman Brinkman, 2015, p. 22.
Geen enkel van de liederen in het handschrift is elders teruggevonden. Sommige liederen, de met een acrostichon benoemde liefdesliederen en het Egidiuslied, werden waarschijnlijk alleen gebruikt binnen de groep waar ze ontstonden, van andere kan men uit de gebruikssporen in het handschrift afleiden dat ze op een ruimere belangstelling konden rekenen.
Gedichten De codex bevat een aantal allegorische minnedichten (III.1, III.2, III.6, III.7 en III.13) in de trant van de Roman de la rose, die geïnspireerd lijken door het werk van Guillaume de Lorris, maar eigenlijk veel dichter aanleunen bij het laatveertiende-eeuwse werk van Guillaume de Machaut en Jean Froissart. Daarnaast zijn er zeer verschillende genres van dichtwerken, zoals de berijmde bewerking van een preek (III.8), uniek in de Middelnederlandse literatuur, de beschrijving van een schilderij of wandtapijt (III.9), didactische gedichten, gebeden (III.10, III.12) en een nieuwjaarsgedicht.Herman Brinkman, 2015, pp. 23-24. De gedichten III.17 en III.18 zijn latere toevoegingen.
Thematiek Het bijzonderste thema van het handschrift is ongetwijfeld de liefde in alle mogelijke vormen: als hoofse liefde, als lust, naastenliefde, liefde tot de eigen stad en vrienden en zeer prominent de liefde voor Maria en God. De teksten onderscheiden zich van de feodale troubadours-minnelyriek door de gelijkwaardigheid van de partners die zeer dikwijls benadrukt wordt. Niettemin worden bijna alle minneliederen door een man voorgedragen, slechts in één lied is er duidelijk een vrouw aan het woord (II.89). Voor erotiek is er geen plaats in deze minneliederen, dat is een zaak van de onderkant van de maatschappij en geeft aanleiding tot hilariteit over de dorpspastoor, het dienstpersoneel, sletten en hoeren en de 'kerel', het tegenbeeld van de geciviliseerde stedeling, een lomp, dom, rebels, onbeschoft en zelfingenomen persoon.Herman Brinkman, 2015, p. 26
Maar ook de liefde tot Maria wordt zeer fraai bezongen in de liederenbundel, waarbij de dichter soms termen gebruikt die ontleend lijken aan de minnepoëzie. Daarnaast komt ook de devotie aan God en de Drie-eenheid uitgebreid aan bod. Devotie is een belangrijk thema.Herman Brinkman, 2015, pp. 27-28.
Melodieën Het Gruuthusehandschrift bevat de oudste collectie van Vlaamse liederen, in verschillende genres, die met muzieknotatie tot ons zijn gekomen. Sommige liederen zijn qua vorm verwant aan Franse liedvormen, andere lijken in melodie en cadans op de Duitse liederen uit die tijd.Herman Brinkman, 2015, p. 34 Een belangrijk aantal liederen vertoont eigen karakteristieken, zoals een bijzonder groot bereik van een decime of zelfs een duodecime, wat veel meer is dan Duitse liederen uit die tijd. Typisch is ook het eenstemmige van de liederen in de bloeitijd van de meerstemmige muziek.