Taalpolitiek verwijst naar die politieke en andere beleidsmaatregelen die erop gericht zijn het gebruik van een taal te bevorderen of te reguleren, of de status van die taal te beïnvloeden. Tussen politiek en beleid, die vaak in elkaar overvloeien, wordt in dit artikel geen principieel onderscheid gemaakt.
Taal als institutie; groepsidentiteit Een van de kenmerken van taal is dat zij een centrale sociale institutie vormt. Daardoor grijpt zij diep in het bestaan van individuen en gemeenschappen in, alsook in hun functioneren in een groter verband. Taal is niet de enige institutie met dit effect: er zijn ook economische en religieuze instituties die overigens vaak in combinatie met taal een rol spelen. Als een bepaalde taal in dit verband een voorwaarde stelt voor volwaardige sociale participatie en mobiliteit, kan zij tot discriminatie leiden van degenen die deze taal niet of onvoldoende beheersen. Daarin heeft de moderne staat een belangrijke regie omdat zij bepaalt welke taal of talen officieel in gebruik en dus voorgeschreven zijn en welke in tweetalig contact moeten wijken. Degenen die hun taal moeten 'inleveren' worden aangeduid als taalminderheid, niet per se een getalsmatige minderheid want het getal bepaalt niet op directe wijze de politieke macht. Wanneer de taalminderheid meer en uiteindelijk gelijke taalrechten nastreeft, ontstaat politieke wrijving, zogenaamde taalstrijd, die via een democratisch proces, soms afgedwongen met geweld, tot wetsveranderingen kan leiden en bij succes taalrechten, uiteindelijk in gelijkwaardige tweetaligheid kan verschaffen. Nationaal bewustzijn en taal als (nationaal) identiteitskenmerk hangen nauw samen. Als moderne taalkundigen met name op purisme gerichte taalpolitiek afwijzen en stellen dat talen zich vrij moeten kunnen ontwikkelen en dat ook een verval van de taal niet bestaat, is hun standpunt mede gebaseerd op een afwijzing van nationaal bewustzijn dat zich in taal zou uitdrukken.
De natie Historie Bij het grotere verband waarin individuen functioneren, kan allereerst aan de natie worden gedacht. Taal wordt vaak beschouwd als onderscheidend kenmerk van een natie. Wanneer nationale grenzen (staatsgrenzen) niet samenvallen met taalgrenzen kunnen politieke problemen ontstaan in een streven naar separatisme resp. gebiedsannexatie. Men spreekt dan van taalminderheden, etnische minderheden of nationale minderheden. Enerzijds kunnen die problemen tot internationale conflicten leiden, zoals het nationaalsocialisme dat een Groot-Duitsland wilde vestigen, waartoe het woongebied van alle Duitstaligen moest behoren, of andersom het Italiaanse fascisme dat het recht om Zuid-Tirol en Istrië te italianiseren, ontleende aan het gegeven dat deze provincies op het grondgebied van de Italiaanse staat lagen. Anderzijds kunnen binnenlandse conflicten het gevolg zijn: tijdens de Oostenrijks-Hongaarse monarchie waren Duits en Hongaars de dominante talen, waaronder andere talen zoals het Pools en Tsjechisch en ook het Roemeens hun nationale rechten opeisten, een situatie die na de Eerste Wereldoorlog leidde tot de oprichting van diverse nationale staten. In België was vanaf de 18de eeuw het Frans de dominante staatstaal maar sinds het begin van de 20ste eeuw veroverde het Nederlands langzaamaan een dominante positie in de Vlaamse provincies. Twee bestuurlijk gescheiden taalgebieden ontstonden; in het tweetalige Brussel verloor echter het Nederlands zijn gelijkwaardige positie. Omdat deze stad zich geografisch blijft expanderen en Franstalige Brusselaars rechten opeisen in de Vlaamse gemeenten om Brussel heen, waar zij zich vestigen, kreeg de taalstrijd, nadat zij in de jaren zeventig van de vorige eeuw beslist was in de bestuurlijke scheiding tussen een eentalig Vlaanderen en Wallonië, opnieuw een voortzetting rond Brussel die de Belgische staatseenheid onder druk blijft zetten.
Separatisme Verschillen in linguïstische identiteit kunnen spanningen tussen groepen taalgebruikers veroorzaken, en zelfs tot afscheidingsbewegingen (separatisme) leiden. Soms worden de taalverschillen uit opportunistische motieven uitgespeeld ten behoeve van economische en politieke machtsverwerving. In België en Zuid-Tirol heeft dit geleid tot verregaande politiek-bestuurlijke autonomie op basis van taalgebieden. Ook in Zwitserland werd recent een nieuw kanton - Jura - ingericht voor de Franstaligen die ontevreden waren met de tweetaligheid in het kanton Bern. In België wensen de bewoners van de randgemeenten dat zij bestuurlijk van Vlaanderen losgemaakt en bij Brussel aangesloten worden. Omdat zij getalsmatig meerderheden zijn gaan vormen, voelen zij zich 'democratisch' gerechtigd om de taalwetgeving in Vlaanderen te veranderen. Op de achtergrond speelt daarbij een streven naar afscheiding van Vlaanderen door bestuurlijke aansluiting bij Brussel. Daartegenover stelt de deelstaat Vlaanderen dat deze Franstaligen, wetende dat ze zich van buitenaf in de betrokken Nederlandstalige gemeenten hebben gevestigd, onrechtmatig niet aan de in Vlaanderen geldende taalwetgeving willen houden.
Ontwikkelingsstadia Het hangt deels af van de politieke en economische ontwikkeling van een meertalig land, in welke mate interne conflicten een rol spelen. In het eerste stadium zijn de meeste etnisch-linguïstische groepen nog weinig bij het nationale gebeuren betrokken. Een van deze groepen, vaak een elite, is dominant en deze dominantie wordt door de andere groepen erkend, althans aanvaard. Voorlopig geeft dat weinig reden tot conflict. In het tweede stadium eisen de zogenaamde minderheidsgroepen echter hun aandeel op in het nationale politiek-economische leven, en die eis van gelijkberechtiging kan tot spanningen leiden omdat ze bestaande posities en voorrechten bedreigt. In het derde stadium treedt na de pacificatie van de interne verhoudingen internationalisatie op: een nieuwe generatie leert een of meer internationale talen, maar toch vooral Engels, spreken, en richt zijn oriëntatie over de grenzen.
Fragmentatie en assimilatie Doorgaans is de assimilatie van bevolkingsgroepen tot een nationale eenheid moeilijker naarmate de natie sterker linguïstisch is gefragmenteerd, dus opgedeeld in taalgroepen en taalgebieden. Waar er slechts één dominante taal is en verder alleen talen van minder economisch, politiek en numeriek belang, blijft het probleem beperkt. Zo heeft bijvoorbeeld het Frans bijna alle andere talen in Frankrijk (zoals, Vlaams, Bretoens, Catalaans, Duits) kunnen verdringen. Waar een klein aantal talen elkaar in evenwicht houden, kan dat ertoe leiden dat ze elkaar in gijzeling nemen. Dit laatste hoeft overigens niet het geval te zijn. Er kan ook een geografische verdeling bewerkstelligd worden, zoals in Zwitserland waar de meeste, bovendien betrekkelijk autonome, kantons eentalig zijn. Waar de kantonnale taalverhoudingen niet in balans waren heeft dat recent geleid tot separatisme: de afscheiding van een nieuw Franstalig kanton Jura uit het oude kanton Bern.
Internationale afspraken In een volgend stadium worden er internationale afspraken gemaakt die een kader aangeven voor het taalgebruik. Zij kunnen op zeer diverse terreinen liggen: Bij het Verdrag van Versailles (1919) werd voor het eerst rekening gehouden met linguïstische grenzen. Echter, toen bij de herverdeling van Europa deze grenzen maar zeer ten dele werden gehonoreerd, kreeg dit verdrag tot gevolg dat in Midden-Europa grote nationale minderheden binnen de staatsgrenzen van de nieuwe staten ontstonden, die juist gingen bijdragen tot het provoceren en uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Dit proces begon met de Sudeten-Duitsers. Het Verdrag van Versailles voorzag in het opzetten van een uitgebreid interstatelijk verdragsysteem, onder toezicht van de Volkenbond, die minderhedenverdragen werden genoemd, om ervoor te zorgen dat onder meer taalrechten van minderheden werden beschermd.Capotorti, Francesco, Study on the rights of Persons belonging to Ethnic, religious and linguistic minorities, United Nations, New York, 1991, 93. In het luchtvaartverkeer is volgens internationale afspraak het Engels de voertaal. Er is een officieel Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Internationale organisaties zoals de Europese Unie maken afspraken over talen. In de Europese Unie zijn alle 24 verdragstalen ook officiële talen en werktalen. Wetgeving wordt bijvoorbeeld altijd in al die talen vertaald. In de praktijk wordt wel gebruikgemaakt van werktalen, in de eerste plaats Engels, maar ook Frans en in mindere mate Duits.Van der Jeught, Stefaan (2015), EU Language Law. Groningen: Europa Law Publishing.
Redenen voor taalpolitiek Taalideologie De redenen voor uiteenlopende instanties om taalpolitiek en taalbeleid te voeren, zijn uiterst divers, maar het uitgangspunt ligt in het algemeen in een taalideologie. Taalideologieën maken gebruik van: Assimilatie, als gevolg van het streven dat iedereen ongeacht zijn of haar moedertaal ook de officiële taal van het land of de nationale maatschappij, waar hij of zij deel van uitmaakt, moet leren spreken. Minderheidstalen kunnen een ontkenning en bedreiging vormen voor deze nationale eenheid. Twee- en meertaligheid wordt dan bestreden in het axioma van de nationale eentaligheid: nationale uniformering. Dit streven is in de Franse grondwet verankerd en daarmee is de reden dat Frankrijk het bovengenoemde Europees Handvest niet kan en wil onderschrijven. Het tegenovergestelde van assimilatie is nationale pluriformering (pluralisme): de erkenning dat binnen één land of gemeenschap meerdere talen een officiële functie moeten kunnen hebben. Een voorbeeld hiervan lijkt Zwitserland, dat niet minder dan vier officiële talen kent: Duits, Frans, Italiaans en Reto-Romaans. Deze worden echter niet, enkele tweetalige gemeenten uitgezonderd, naast elkaar gebruikt, maar zijn de enige officiële taal op basis van kantonnale bestuurlijke autonomie. Een ander voorbeeld lijkt de erkenning in Nederland van streektalen zoals Fries, Limburgs en Nedersaksisch naast het Standaardnederlands, talen waarvan overigens alleen het Fries als een officiële standaardtaal in openbaar bestuur en onderwijs in de provincie Friesland gebruikt wordt. Dit wil dan weer niet zeggen dat het gebruik van deze taal op een gelijkwaardig niveau als het Nederlands plaatsvindt. De andere streektalen hebben wat dit betreft geen standaardvorm en kunnen zodoende geen officiële status in onderwijs en bestuur bezitten. Hun zogenaamde erkenning als 'taal', met name van het Nedersaksisch en het Limburgs, betreft niet een consistente en uniforme standaardtaal maar een cluster van zeer uiteenlopemde dialecten, en blijft zodoende symbolisch. Wel een voorbeeld van gelijkwaardige meertaligheid is bijvoorbeeld de erkenning van de vier officiële standaardtalen (Engels, Mandarijn, Maleis en Tamil) in Singapore. Van nationalisering is sprake wanneer een inheemse minderheidstaal tot die van officiële taal van de staat wordt verheven, bijvoorbeeld nadat de nationale onafhankelijkheid is uitgeroepen. Die taal wordt daarmee symbool van de onafhankelijkheid. De onafhankelijkheid van voormalige koloniën en daarmee vergelijkbare gebieden werd vaak gevolgd door de verheffing van de inheemse taal tot nationale staatstaal. Maar wanneer de koloniale taal veel gezag en praktisch nut heeft bleef zij ook in functie, zoals in het geval van het Engels en het Frans. Het Nederlands verdween om dezelfde reden wel uit Indonesië (Nederlands-Indië) omdat het te weinig praktisch nut had.