Het Beleg van Montmédy was een periode in de Frans-Pruisische Oorlog van 1870. De Franse vesting van Montmédy, in het departement Meuse, werd belegerd door het leger van de Duitse coalitie. De verdedigers, het 57e infanterieregiment, de Garde Nationale en elementen van andere eenheden, capituleerden op 14 december 1870.

Locatie In 1870 was Montmédy een kleine stad van ongeveer 3000 inwoners. De bovenstad Montmédy-Haut was een zogenaamde "place forte", een citadel die naast zijn militaire functie ook bewoning kende en waar op dat ogenblik onder andere nog het stadhuis en de onderprefectuur gevestigd waren. De bovenstad was gelegen op een heuvelrug aan drie zijden omgeven door de 100 meter lager gelegen Chiers die een eerste natuurlijke bescherming vormde. De benedenstad aan de oever van de rivier werd beschermd door een stadswal van zes meter hoog, voorzien van drie stadspoorten (Porte de Luxembourg, Porte de Sedan en Porte de Metz), die langs de heuvel opliepen tot de citadelmuren die 20 tot 25 meter hoog waren. De poterne, een doorgang in de wal die afgesloten kon worden met hekwerk en een voetpad, verbond de citadel met de benedenstad. Verdere fortificaties verdedigden het buiten de wallen gelegen station en de Tivoli heuvel tegenover de citadel. De nog tijdens het Spaanse bewind gebouwde, en nadien door Vauban verder uitgewerkte verdedigingswerken boden slechts weinig bescherming tegen artilleriebeschietingen. De citadel beschikte over weinig schuilplaatsen die weerstand boden aan bominslagen, en had een tekort aan goed beschermde opslagruimten en schietposities. De rondom Montmédy gelegen heuveltoppen, op een afstand van 2,5 tot 4 km van de wallen, stelden de plaats bloot aan vijandelijke artilleriebeschietingen. Gelegen op 6 km van de Belgische grens was de vestiging Montmédy deel van een geheel van kleinere verdedigingswerken gelegen tussen de Maas en de Moezel. Te klein om een grote troepenmacht te legeren diende ze toch om de spoorwegverbinding en de keizerlijke weg nr. 47 te beschermen. De spoorlijn, die het industriegebied rond Longwy en Thionville via Sedan en Charleville-Mézières met het steenkoolbekken rond Valenciennes verbindt, loopt in de directe nabijheid van de citadel doorheen een 900 meter lange tunnel onder de Tivoli heuvel door.

Begin van de vijandelijkheden Op 16 juli 1870, drie dagen voor de oorlogsverklaring, ging het gerucht rond dat een Pruisische legereenheid bij Sierck-les-Bains de Franse grens had overgestoken wat tot een begin van paniek leidde. De bevelhebber van Montmédy verzamelde de inwoners en trof de nodige maatregelen.

Het garnizoen, onder bevel van bataljonschef Reboul, bestond uit een compagnie van het 57e infanterieregiment en het 3e bataljon van de Mobiele Nationale Garde van het departement Meuse. De mobiele garde die tijdens de eerste weken van het conflict werd samengesteld, miste oefening en er waren nauwelijks gekwalificeerde artillerie- en genieofficieren. De beschikbare artillerie, die erg heterogeen was, bestond uit 65 stukken waarvan slechts acht met gedraaide loop. De munitie bestond uit 35.000 obussen, 40.000 kg kanonkruit, 6.300 kg kruit voor geweren, 116937 patronen voor het Chassepotgeweer (model 1866) en 539.320 patronen voor het oudere geweer model 1857.

miniatuur|links|Saint-Martin kerk in de citadel van Montmédy. miniatuur|Pruisische Ulanen in 1867, doek van Christian Sell, 1867. miniatuur|Sergeant van de Garde nationale mobile, 1870-1871. Tijdens de laatste dagen van augustus ontving de vestiging Montmédy aanzienlijke voorraden bestemd voor het leger van maarschalk Bazaine en de versterkingstroepen die zich verzamelden rond Châlons. De chef-arts Félix Hippolyte Larrey, opper-intendant Wolf en andere officieren, die de leiding droegen van deze legers kwamen zich eveneens vestigen in Montmédy. Na de nederlaag van Bazaine tijdens de slag van Saint-Privat (18 augustus) en het beleg van Metz, waardoor de verbindingen met zijn leger verbroken raakten, begonnen het vee en andere voorraden zich te Montmédy op te stapelen: bij gebrek aan depots werden voorraden opgeslagen in de Saint-Martin kerk en andere lokalen waar ze zouden blijven tot de capitulatie van de stad. Tijdens de volgende dagen kreeg het garnizoen versterking van 700 verplegers bestemd voor het leger van Châlons en door meerdere kleine detachementen van de gendarmerie uit de naburige dorpen, zodat de troepensterkte opliep tot 2500 à 3000. In het station waren 7 of 8 locomotieven en 200 wagons beschikbaar.

Op 27 augustus vernam het garnizoen dat de spoorlijn Mézières - Thionville onderbroken was. Een compagniedeel van het 6e infanterieregiment uit Mézières kwam de troepen in Montmédy vervoegen. Op 30 augustus was er te Chauvency-le-Château een schermutseling tussen de voorhoede van het 6e infanterie en een detachement van jagers te voet van het Beierse leger: de Franse infanteristen, met insluiting bedreigd, werden gered door de versterkingen die per trein vanuit Montmédy aangevoerd werden. Aan Franse zijde waren er 7 of 8 doden en 15 gewonden; aan Duitse kant 2 doden en 4 gewonden. Volgens historicus Peter Spohr was het Duitse detachement een voorhoede van 12e legerkorps van het Saksische leger bestaande uit jagers en cavalerie; de Saksen vernielden de installaties van het station te Chauvency (watertoren etc.), ze verloren bij de gevechten een man en een gewonde en namen zelf 11 Franse krijgsgevangenen waaronder een kapitein.

Op 1 september hoorde men in Montmédy een hevige kanonbeschieting in het noordwesten. 's Anderendaags vernam men dat het leger van maarschalk Patrice de Mac Mahon, overgekomen uit Châlons, de slag bij Sedan had uitgevochten en verloren. Op 2 september diende een Saksisch officier, gezant van de koninklijke prins Albert van Saksen, zich bij de militair commandant van Montmédy aan om hem de nederlaag van de Fransen bekend te maken en hem beleefd te verzoeken zich over te geven, wat door commandant Reboul als volgt geweigerd wordt: "U weet net als ik dat een vestiging niet capituleert zonder zich verdedigd te hebben, verover ze indien u kan."

Op 3 september herhaalde een Pruisisch officier van het 3e regiment Ulanen in opdracht van Prins van Hohenlohe de vraag tot overgave. Een Frans tirailleur, die de witte vlag niet had gezien noch het bevel niet te schieten had gehoord, vuurde en doodde een Pruisisch trompetter. Commandant Reboul bood zijn excuses aan en beloofde de schuldige soldaat streng te straffen. Hij weigerde nogmaals de capitulatie, zelfs nadat de Pruisische officier hem vertelde dat Mac Mahon gedood is (hij was in werkelijkheid slechts gewond geraakt) en dat keizer Napoleon en een groot deel van zijn leger door hen krijgsgevangen zijn gemaakt.

Het beleg Het bombardement van 5 september Op 4 september besliste prins Albert, bevelvoerder van het 12e legerkorps, prins Hohenlohe om Montmédy te belegeren. In de ochtend van 5 september kwamen Pruisische cavaleriepatrouilles de Franse verdedigingen observeren: rond 9 uur werden zij verjaagd door het afvuren van enkele obussen. De Pruisische artillerie begon daarop meteen met de beschieting van de stad, een voor die tijd uitzonderlijke praktijk waarop de Fransen slecht voorbereid waren. De garde mobile die zijn gevechtsposities wilde innemen werd hierbij gehinderd door de toestroom van verschrikte vrouwen en kinderen die beschutting kwamen zoeken in de kazematten. De Fransen beschikten slechts over een kanon met voldoende reikwijdte om de Pruisische stellingen te beschieten. De kerk, het stadhuis en de sous-préfecture werden geraakt. Er ontstonden brandhaarden die de Fransen niet onder controle konden krijgen. Tegen de middag stopte de Pruisische artillerie de beschieting en bracht een gezant, de burgemeester van Thonnelle, een bericht van prins Hohenlohe met een nieuwe vraag tot overgave die net als de vorigen verworpen werd.

miniatuur|Franse gewonden geëvacueerd naar België, gravure uit L'Illustration européenne, 1870. In de namiddag werd het bombardement met meer precisie hervat. Twee derde van de woningen en alle openbare gebouwen werden beschadigd en de brand in een voorraadkamer deed vrezen voor de ontploffing van een nabijgelegen kruitkamer. Terwijl de Franse kanonnen, verplaatst tijdens het middagreces, de Pruisische stellingen begonnen te beschieten, kregen de soldaten met grote moeite de brand, die nog een week lang zou woeden, onder controle. Het bombardement eindigde rond 18 uur. In totaal telden de Fransen 3 doden (1 burger) en 19 gewonden waarvan er 4 overleden aan hun verwondingen. Het merendeel van de burgerwoningen was beschadigd maar het bombardement, uitgevoerd met veldartillerie, had nauwelijks effect gehad op de wallen. Op 6 september trokken de Pruisen zich terug zonder het bombardement te willen herbeginnen. Een groot deel van de burgerbevolking ontvluchtte de stad naar België. De verlaten woningen werden ingenomen door de soldaten.

Uitvallen in september en oktober miniatuur|Gevecht in een dorp; doek van Paul-Louis-Narcisse Grolleron (1848-1901) Vanaf 6 september kwam het kleine Duitse garnizoen van de Meuse onder het bevel van generaal von Bothmer die het beleg van Verdun leidde. Het Duitse 65e regiment werd verdeeld over Damvillers, Stenay en Étain.

Chef-chirurg Larrey, generaal-intendant Wolf en andere officieren verlieten Montmédy voor Parijs. Ongeveer 2000 soldaten, krijgsgevangen gemaakt tijdens de gevechten bij Beaumont (30 augustus) en Sedan (1 september) slaagden erin te ontsnappen en bereikten Montmédy, maar de meesten, gedemoraliseerd en zonder uitrusting, bleven niet en gaven er de voorkeur aan het Loireleger, dat door de Regering van Nationale Verdediging in het zuiden werd samengesteld, te vervoegen. Slechts 600 nieuwkomers bleven ter plekke en vormden, ondanks een terugvallende discipline, een waardevolle versterking voor het garnizoen. Een ontsnapte artillerieluitenant werkte aan de verbetering van de schietposities maar gaf er, als gevolg van een aantal onenigheden, na een maand de brui aan om bij het armée du Nord aan te sluiten. Op 11 september werden de locomotieven en de wagons de tunnel ingereden waarna deze aan beide uiteinden opgeblazen werd om te beletten dat deze in vijandelijke handen zouden vallen.

Colonnes Franse krijgsgevangenen trokken op weg naar het oosten dicht bij Montmédy, langsheen beboste wegen die zich makkelijk leenden tot hinderlagen. In de nacht van 12 op 13 september werd een infanteriecompagnie van 200 man uitgestuurd in een poging ze te bevrijden. Na een mars in de regen, namen de Fransen hun stelling in nabij Stenay, maar een Algerijnse tirailleur die nog voor het bevel ertoe vuurde, alarmeerde het konvooi waardoor de aanval mislukte. Op 17 september besloot een detachement van 200 man, uitgezonden om vijandelijke verkenners op te sporen nabij Chauvency, toen ze deze niet vonden, om het Duitse garnizoen van Stenay aan te vallen. Bij toeval stuitten ze op een Duits konvooi van een honderdtal man met twee vrachtwagens, waarop ze hun plan wijzigden en het konvooi aanvielen: 40 soldaten en een officier van het 53e regiment Landwehr werden door hen krijgsgevangen gemaakt, de overige Duitsers konden ontkomen naar Damvillers.