Het Neutraal Moresnet, officieel het Onverdeelde Gebied van Moresnet, niet te verwarren met Neu-Moresnet, was van 1816 tot 1920 een neutraal gebied met een oppervlakte van amper 344 hectare dat toebehoorde aan zowel het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (vanaf 1830 aan de nieuwe staat België) als aan Pruisen (vanaf 1871 Duitsland). Het gebied, in de vorm van een stompe driehoek, lag ten zuiden van de Vaalserberg en reikte tot aan de hoofdweg van Aken naar Luik.
In de Eerste Wereldoorlog werd het bezet door Duitsland en na afloop door België. Uiteindelijk werd het door België definitief ingelijfd en sindsdien maakt het deel uit van de provincie Luik. Neutraal Moresnet werd voornamelijk bevolkt door Belgen (vanaf de onafhankelijkheid), Pruisen (vanaf 1871 Duitsers) en Nederlanders (in mindere mate vanaf de Belgische onafhankelijkheid). In augustus 1914 werden alle inwoners genaturaliseerd tot Duitser.
Neutraal Moresnet ontstond na de definitieve val van Napoleon, nadat de Nederlanden en Pruisen het bij de herindeling van Europa niet eens werden over het bezit van een waardevolle zinkgroeve bij Kelmis in de toenmalige gemeente Moresnet. Het stond bekend als een zinkexporteur, een belastingparadijs, een smokkelvrijplaats, een gokoord en korte tijd als potentiële Esperantostaat.
Een van de cartografische bijzonderheden was dat het met België, Nederland en Duitsland een vierlandenpunt had, of beter gezegd een 'viergrenzenpunt', want Neutraal Moresnet was niet echt een onafhankelijke staat.Mr. J.W. Boeksteeg: 'Het staatsrecht van Neutraal Moresnet',hier)
Geschiedenis Voorgeschiedenis thumb|Gesteente met zinkspaat thumb|Jean-Jacques Dony miniatuur|De zinkgroeve Altenberg/Vieille-Montagne in Kelmis/La Calamine Aan het begin van de christelijke jaartelling schreef Plinius de Oudere over een kostbaar erts dat te vinden was aan de voet van de Altenberg.Dröge, p. 44 In de middeleeuwen ontstond hier het dorpje Kelmis. De naam is afkomstig van kalamijn, een ander woord voor zinkspaat of smithsoniet. Vanaf de 15e eeuw dolf de plaatselijke bevolking in een groeve naar zinkspaat, een mineraal waarvan zinkpoeder werd gemaakt. Samen met koper werd zinkpoeder gelegeerd tot messing. Het zinkpoeder werd gewonnen door het gesteente dat het zinkspaat bevatte in een oven te verhitten, waardoor de stenen uiteenvielen. De vrijgekomen brokstukken zinkspaat werden vervolgens tot poeder vermalen. In de oven liep de temperatuur zo hoog op dat een groot deel van het zink in gasvorm door de schoorsteen verdween. Als gevolg daarvan was het eigenlijk niet mogelijk om de zinkwinning in voldoende mate rendabel te maken.Dröge, p. 14-19
In de loop der eeuwen streden de rijksstad Aken en het hertogdom Limburg om het bezit van de groeve. Het gebied viel lange tijd onder jurisdictie van Aken, totdat de Fransen het gebied in 1795 inlijfden en bij de gemeente Moresnet voegden. Vanwege het kostbare bewerkingsproces werd de zinkgroeve noodgedwongen geëxploiteerd door een Frans staatsbedrijf dat aan het zinkspaatbedrijf de naam Vieille-Montagne gaf.Dröge, p. 15
Aan het begin van de 19e eeuw vond de Luikse uitvinder Jean-Jacques Dony een fabricagemethode uit waarmee puur zink kon worden gewonnen. Zijn uitvinding maakte gebruik van een verbeterde reductieoven, waarboven zich een pijp bevond waarin de zinkdamp opsteeg om vervolgens op schuin geplaatste platen neer te slaan en in inmiddels vloeibare vorm in klaarstaande bakken te druppelen. Door deze uitvinding kon niet alleen de opbrengst van het productieproces sterk verhoogd worden, maar ook de kwaliteit van het gewonnen zink. In 1805 vroeg Dony bij Napoleon een concessie aan om naar metalen te graven in een gebied van 8000 hectare in het departement Ourthe van het Eerste Franse Keizerrijk. Vijf jaar later verkreeg Dony van Napoleon een patent op de productie van zink met een reductieoven. Samen met boekhouder Hector Chaulet stichtte hij de mijnonderneming Dony et Compagnie.
Dankzij de reductieoven nam de winning van zink enorm toe, maar Dony wist het product niet te verkopen. Daarnaast leidde de val van Napoleon in 1814 tot de instorting van de zinkmarkt. Het bedrijf werd van een faillissement gered door de rijke zakenman François-Dominique Mosselman, die op 25 april 1813 driekwart van de aandelen had overgenomen voor 555.000 frank.Dröge, p. 22
Stichting Na de Honderd Dagen werd Napoleon in 1815 voorgoed verslagen en werd Europa op het Congres van Wenen opnieuw ingedeeld. Het pas opgerichte Koninkrijk der Nederlanden en Pruisen onderhandelden over hun gezamenlijke grens en het bezit van de zinkgroeve.Dröge, p. 24-25 Diplomaat Hans Christoph Ernst von Gagern eiste met succes namens koning Willem I een deel van de oostelijke Maasoever op, maar over de precieze grens tussen Nederland en Pruisen bestond nog onduidelijkheid. De uiteindelijke grenzen werden onderhandeld door Maximiliaan de Man namens de Nederlanden en Karl von Bernuth namens Pruisen.Dröge, p. 36-37
Over het bezit van Kelmis bleken twee artikelen van het Weense verdrag elkaar tegen te spreken. De Nederlandse grens lag bij Kelmis tot twee kilometer oostelijker dan de westgrens van Pruisen en omdat beide partijen zeggenschap wilden over de zinkgroeve, kwamen ze niet tot een overeenkomst. De regeringen van de Nederlanden en Pruisen besloten om het middelste gebied van Moresnet los te koppelen van de onderhandelingen en tijdelijk tot neutraal gebied te verklaren. Op 26 juni 1816 werd de stichting van 'Het Onverdeelde Gebied van Moresnet' met het Traktaat van Aken bezegeld. Het werd opgericht als een tijdelijke oplossing, maar de speciale commissie die het vraagstuk had moeten oplossen werd nooit bijeengeroepen.Dröge, p. 42-43
Beginjaren De unieke situatie waarin Neutraal Moresnet zich bevond leidde in de beginjaren tot verwarring. Zo was het onduidelijk welke nationaliteit de inwoners hadden, aan welk land ze belasting verschuldigd waren en in welk land de mannen hun dienstplicht moesten vervullen. De kaarsrechte grenzen liepen hier en daar dwars door een huis, waardoor het onduidelijk was of de bewoners wel ingezetenen waren van Neutraal Moresnet.Dröge, p. 50-52 Deze ongekende vraagstukken leidden tot langdurige bureaucratische processen en onzekerheid bij de bevolking.Dröge, p. 56
Voor het dagelijks bestuur stelden de Nederlanden en Pruisen vanaf 1817 elk een eigen commissaris aan. Voor de Nederlanden werd de eerste commissaris de Limburgse jurist Werner Jacob en Pruisen stelde de in Aken wonende mijnbouwkundig adviseur Wilhelm Hardt aan. Ze ontmoetten elkaar maar enkele keren en voerden vooral overleg per post. In Neutraal Moresnet kwamen ze zelden. De commissarissen waren samen verantwoordelijk voor de belastingheffing en stelden de begroting vast. De burgemeester van het nabijgelegen Pruisisch Moresnet, het huidige Neu-Moresnet, werd tevens benoemd tot burgemeester van Neutraal Moresnet. Voorheen was hij dat al. De burgemeester hield zich vooral bezig met kleinschalige zaken, zoals vergunningverlening, de burgerlijke stand en het bijhouden van het kadaster. Dat bestuur en mijnen nauw verbonden waren, blijkt uit het feit dat enkele burgemeesters ook functies binnen de mijndirectie bekleedden. Bij twijfel verwezen de commissarissen beslissingen door naar de regeringen van de landen. Daarnaast werd er besloten dat het Duits de voertaal zou worden. Het besturen van Moresnet bracht veel vragen met zich mee. Moesten de mannelijke inwoners militaire dienstplicht gaan vervullen en in welk land dan? Kwam er wel of geen douane? Wat ging er gedaan worden als een crimineel naar Neutraal Moresnet vluchtte? Om uit die bestuurlijke impasse te geraken adviseerden de commissarissen om het gebied min of meer onafhankelijk te maken, maar dit idee werd door beide regeringen afgewezen.Dröge, p. 52-55 In 1822 werd de Code Napoléon ingesteld als wetboek.Dröge, p. 57
Omdat slechts belasting werd geheven op luxezaken, leefden de inwoners zeer voordelig en werd Neutraal Moresnet een belastingparadijs. Dit had een immigratiestroom tot gevolg, mede door de toestroom van jonge mannen uit de buurlanden die aan de dienstplicht wilden ontsnappen, en in de eerste tien jaar verdubbelde de bevolking. Omdat de douane gemakkelijk te omzeilen was werd ook massaal via Neutraal Moresnet gesmokkeld. Hoewel ambtenaren klaagden over de chaos die de situatie veroorzaakte, waren de Nederlanden en Pruisen vastberaden om het gebied niet aan de ander te laten.Dröge, p. 59-64
In de eerste jaren leverde de zinkgroeve zo'n half miljoen kilogram zink per jaar op. Het materiaal werd in de loop der jaren steeds beter verkocht als bouwmateriaal.Dröge, p. 72 Tussen 1813 en 1818 maakte Vieille-Montagne 787.000 frank winst. Pruisen bezat bij het oostelijke Kattowitz een zinkmijn op eigen grondgebied en werkte de concurrerende mijn van Mosselman door middel van rechtszaken tegen.Dröge, p. 68-69 In 1827 werd Mosselman door Pruisen en de Nederlanden aangeklaagd omdat het bedrijf, gebruikmakend van een maas in de wet, al jaren geen pacht meer had betaald. Mosselman besloot de groeve te verkopen en onderhandelde in het geheim met koning Willem I der Nederlanden, een van zijn aanklagers.Dröge, p. 76-78 Nadat Mosselman bij een tussenvonnis in het ongelijk werd gesteld mocht de koning van Mosselman de groeve voor 600.000 gulden, zo'n 1,4 miljoen Franse frank, overnemen. Mosselman had drie miljoen Franse frank in het bedrijf geïnvesteerd, dus hij verkocht met verlies. Wel verplichtte Willem I zich om Mosselman te vrijwaren van alle eventuele latere claims door derden en zou de koning ook zorgdragen voor de betaling van achterstallige pacht, die inmiddels in de tonnen liep.Dröge, p. 82
De koning ging akkoord, maar vlak voor de definitieve aankoop brak de Belgische Revolutie uit en nam de nieuwe Belgische staat in 1830 het Nederlandse co-regentschap over, al deed Nederland nooit officieel afstand van aanspraak op Neutraal Moresnet. Vanaf 1835 werden Belgische commissarissen aangesteld.Dröge, p. 244 Door de onafhankelijkheid van België en de splitsing van Limburg in 1839 ontstond bij Vaals een vierlandenpunt.Dröge, p. 84-85
Stabilisering thumb|Kaart van Neutraal Moresnet uit 1862 Mosselmans invloedrijke dochter Fanny en haar echtgenoot, ambassadeur Charles Le Hon, gebruikten hun Franse connecties om te investeren in de groeve. Dit leidde tot de oprichting van de Société des Mines et Fonderies de Zinc de la Vieille-Montagne, een naamloze vennootschap met een aandelenkapitaal van 5,8 miljoen frank. Dankzij dit aangetrokken kapitaal kon de achterstallige pacht worden betaald en kwamen Vieille-Montagne, België en Pruisen tot een juridische overeenkomst.Dröge, p. 93-95 In 1855 bereikte de zinkwinning een hoogtepunt: dat jaar werd 137.000 ton zinkspaat opgegraven. Sindsdien daalde de opbrengst elk jaar.Dröge, p. 135-136 In 1856 werd de concessie van Vieille-Montagne verlengd tot in de eeuwigheid.Dröge, p. 107 Als gevolg bloeide de economie van het gebied, wat toeleveranciers en detailhandelaars aantrok.Dröge, p. 117
Met de industriële revolutie steeg de vraag naar zink aanzienlijk. Net zoals bij een goudkoorts leidde de stijgende waarde van zink tot een explosieve groei van het inwoneraantal van Neutraal Moresnet. Door de diplomatische rompslomp die de buitenlandse politie moest ondergaan om Neutraal Moresnet te betreden, konden misdadigers de ordehandhaving in hun eigen land gemakkelijk ontlopen door naar Neutraal Moresnet te vluchten. Veel Belgische jongemannen vertrokken naar Neutraal Moresnet om rekrutering voor het nieuwe Belgische leger te ontduiken.Dröge, p. 90-96