Het Romeins recht heeft zich ontwikkeld over een periode van meer dan 2.500 jaar vanaf ca 550 v. Chr. en veranderde door de tijd. De oorsprong ervan ligt in het oude Rome, waar het zich als gewoonterecht ontwikkelde uit regionaal geldende rechtsregels, de gepleegde rechtspraak en regels van oudere en andere culturen uit de regio, bijvoorbeeld die van de Grieken, die deels terug te voeren zijn op regels uit het oude Egypte. Tot het Romeins recht horen niet alleen rechtsfiguren, regels, rechtspraak en juridische literatuur, maar ook de organisatie van de rechtspraak, de staatsinrichting en een fijnmazig bestuurlijk systeem. Door de lange duur en groei van het Romeinse en Byzantijnse rijk, kent het een lange en voortdurende geschiedenis, verbreid over Europa, tot in het Verenigd Koninkrijk, Turkije en het Midden-Oosten. De eerst bekende codificatie was de Twaalftafelenwet van omstreeks 450 v.Chr., een grote codificatie werd in de zesde eeuw samengesteld in opdracht van de Byzantijnse keizer Justinianus. Na het verval van het Romeinse rijk leefden de rechtsregels, rechtsfiguren en rechtsbeginselen voort in veel Europese vorstendommen, hertogdommen en graafschappen, als gewoonterecht en via het kerkelijk recht, mede vanwege hun hoge juridisch-technische kwaliteit en hun begrijpelijkheid.

Het Romeins recht veranderde mee met de samenlevingen en machtsstructuren waarbinnen het werd toegepast. Het heeft door de eeuwen heen, als ius commune (het 'gemene, of gemeenschappelijke recht'), een grote invloed gehad op wetgeving, rechtspraak en rechtsontwikkeling in vrijwel alle Europese landen. Rechtsfiguren, -begrippen, -beginselen en discussies uit de Codex Justinianus, vormen in België en Nederland nog steeds een referentie voor wetgeving, rechtspraak en juridische literatuur.

Koningstijd, stadstaat Rome, 753 - 510 v.Chr. Over het Romeinse Koninkrijk zijn vooral veel legenden en mythes bekend; schriftelijke bronnen over die tijd dateren veelal van nadien. Het koninkrijk ontstond uit een agrarische nederzetting in de streek Palatinus, een van de 7 heuvels aan de Tiber. In de loop der eeuwen werd het Romeinse gebied uitgebreid over heel Italië, Europa tot aan rivier de Rijn, het gebied van het huidige Turkije, en alle kustgebieden rond de Middellandse Zee. Het Romeins-bestuurlijk hoogtepunt viel rond 130 na Chr., toen ook het huidige Engeland en Wales tot het Romeinse Rijk behoorden.

De koningen zouden gekozen zijn door een vergadering van het Romeinse volk, de comitia. De Romeinen kenden in deze periode geen erfopvolging. De koning kon volgens bepaalde bronnen geheel autonoom edicten (edicta) uitvaardigen, hij zou dus soeverein gezag (cum imperio) hebben gehad. Goden bewaakten de openbare orde. Recht bestond uit de regels van de voorvaderen, uit eerbied voor de koning, de stam, familie, vader, de gasten en de goden. Het recht was tweeledig, het publiek recht, dat het gemeenschappelijk belang diende van alle Romeinen en het privaatrecht, dat het individueel belang diende. Privaatrecht was in drieën te delen: recht van de natuur, recht tussen de volkeren en recht tussen de burgers, aldus de geleerde Ulpianus ca 200 n.Chr.

Hij kon volgens die auteurs echter ook de comitia voorstellen om een besluit te nemen. Als zo'n besluit dan via de comitia tot stand was gekomen, werd het niet een edict, maar een lex genoemd. Een lex is volgens die bron dat wat het aristocratische deel van het volk – op voorstel van de koning – zou hebben bevolen en vastgesteld. Het voordeel van lex boven edicta was dat edicten net zo lang mee gingen als degene die ze had uitgevaardigd. Als iemand in zijn functie trad, moest hij uitdrukkelijk en precies aangeven welke edicten hij in stand wilde houden en wat onder zijn ambt van toepassing zou zijn. Dit kan echter pas met zekerheid worden gezegd sinds de periode van de Romeinse Republiek.

De Senaat diende als een consilium voor de koning.

Omstreeks de 1ste eeuw v.Chr. beweerde Granius Flaccus in de archieven van het Capitool een bundel rechtspraak te hebben gevonden die aan het eind van het koninkrijk werd samengesteld door de jurist Papirius. Hoewel de bundel sedertdien spoorloos is, zijn er bij Romeinse schrijvers drieëntwintig verwijzingen naar. In de negentiende eeuw werden deze Koningswetten, oftewel leges regiae uitgegeven door Dirksen. Omdat zij er als gerechtelijke beslissingen over conflicten uitzien, mag worden aangenomen dat de koningen toen regeerden via rechtspraak in geval van conflictenL. , Civium causa, Leuven: Acco, 2003. in hun hoedanigheid van pontifex maximus m.b.t. het ius sacrum.

Vroege Republiek, 509 - 366 v. Chr. In 509 v.Chr. werd de laatste koning door de patriciërs afgezet en de (vroege) Romeinse Republiek was geboren als een militair regime. De stadstaat werd bestuurd door patricische pretoren en militaire tribunen, naast een senaat en een comitia.

Vanaf 496 v.Chr. kregen ook de plebejers een eigen orgaan, de consilia plebis. Dit om de eenvoudige reden dat zij een meerderheid uitmaakten van de bevolking en zich begonnen af te keren van de besturende organen waarin zij niet waren vertegenwoordigd. Hoewel zij niet zetelden in de comitia curiata, hadden de plebejers wel overleg met de patriciërs in de comitia centuriata. Hierdoor zou de vroege republiek zich uiteindelijk kenmerken door peraequatio iuris: gelijke rechten voor patriciërs en plebejers, eenieder die meevecht voor Rome, ongeacht stand of etnische groep waartoe men behoorde, had gelijke rechten. Door het toekennen van civiele rechten met en zonder suffragio (stemrecht), en een vrijheidsstatuut (status libertatis) aan cives (wapenbroeders) kon men plebejers - goedkoop - motiveren om het leger te versterken. Populus is een oud Etruskisch woord voor leger.

Het aristocratische collegium pontificum had de taak de rechtspraak te regelen, via rechterlijke oordelen kon men het geldend recht leren kennen. De tribuni plebis waren hiermee niet tevreden en kregen het via de comitia centuriata (comité van vertegenwoordiging) in 496 v.Chr. voor elkaar dat het civiele recht gecodificeerd moest worden op twaalf ivoren tafelen die op het Forum Romanum ter inzage werden neergelegd: de Lex XII Tabularum, de Twaalftafelenwet.

Naast dat civiele recht bleef het ius sacrum van toepassing voor wie zelf geen civiele rechten had en deze niet kon inroepen via een pater familias.

Volle republiek 366 - 27 v. Chr.

In 366 v.Chr. werden via de Leges Liciniae Sextiae de republikeinse instellingen en magistratuur hervormd. Er ontstaat rechtspluralisme: verschillende edicten per domein, magistraat, streek, stad en etniciteit. Bovendien was de macht verdeeld en tijdelijk. Een magistraat had een ambt (of kreeg imperium) voor één jaar en diende te handelen naar zijn edict, nadien was hij een jaar niet herverkiesbaar en kon ter verantwoording worden geroepen. Voor het eerst werden er naast de militaire status libertatis ook politieke vrijheidsrechten toegekend.

De Lex XII Tabularum, Gnaeus Flavius en het pretorschap vormen drie stappen van de juridische emancipatie van het plebs.

Senaat De Senaat kon een vredesverdrag of foedus onderhandelen met overwonnen volkeren. In ruil voor soldaten en belastingen ontvingen die volkeren een politiek vrijheidsstatuut met civiele rechten voor hun foederatio. Dit statuut met rechten voor "peregrijnen" werd civitas genoemd, het recht dat werd ontwikkeld via de edicten van de praetor peregrinus noemt men ius gentium. Gans Italië zou op die wijze civitas zonder stemrecht in Rome krijgen, andere streken commercium, conubium, tributum, enz. Meer en meer zouden civiele rechten worden toegekend aan niet-krijgers om steun te vinden voor het te voeren beleid. In de 2de eeuw voor Christus werd overigens de verplichte legerdienst afgeschaft en konden ook vrouwen een eigen familia beheren.

Daarnaast hield de Senaat toezicht op het ius sacrum, bekrachtigden zij de besluiten van de comitia centuriata en beschikten zij over het budget of aerarium van de republiek.

Quaestor

Het beheer van het aerarium, waarover de comitia centuriata kon beschikken, werd overgelaten aan het edict van de quaestor. Tevens hielden zij de archieven bij.

Stemcomitée Er waren verschillende kiescolleges (comitiae) zonder recht van amendering. Deze stemcomités verkozen de magistraten, dienden fusies van families en testamenten goed te keuren.

Voorstellen (leges rogae) en mandaten werden enkel beantwoord met: UR = uti rogas (zoals gevraagd), hetzij A = antiquo (bij het oude laten) C = condemnito (ik veroordeel), hetzij A = absoluito (ik spreek vrij)

We onderscheiden de kiescolleges: comitia curiata van de patriciërs, comitia centuriata als overlegorgaan voor patriciërs en plebejers. comitia tributa, consilia plebis.

De besluiten (plebiscita) van de consilia plebis verbonden in den beginne alleen het plebs, maar met de lex Hortensia (ingediend door Quintus Hortensius) in 287 v.Chr. verbonden zij het gehele populus. De tribuni plebis (volkstribuun) had al vanaf het begin een vetorecht voor alle magistraten, behalve de censor en dictator.

Leges van de comitiae waren bindend, maar men had toen al een hiërarchie: leges perfectae van openbare orde; leges minus quam perfectae was dwingend recht; leges imperfectae als aanvullend recht.

Consul

De consuls voerden de senatusconsultae uit en oefenden het oppergezag uit met initiatiefrecht in de comitia centuriata. Ook zij waren gebonden aan hun edict, maar konden voor de duur van zes maanden een dictator aanstellen als Rome in gevaar was.

Consuls waren de twee belangrijkste magistraten bestaande uit een patriciër en een plebejer.

In de republiek waren zij pontifex maximus van het ius sacrum.

Dictator

Indien in de Republiek gevaren dreigden, zoals opstandige provinciae, kon een consul of pretor zichzelf benoemen tot dictator reipublicae constituendae (dictator ter reorganisatie van de staat), voor een periode van een half jaar. Zoiets was niet ongrondwettelijk, want er was geen grondwet.

Gaius Julius Caesar maakte handig gebruik van deze regeling, door zichzelf, na zijn Gallische Oorlog, voor onbepaalde tijd tot dictator te benoemen. Hij weigerde de hem aangeboden koningskroon. Gaius Julius Caesar werd vermoord door samenzweerders die de Republiek probeerden te redden.

Tribunus

Ook zij konden wetsvoorstellen indienen en hadden bovendien een vetorecht tegen alle beslissingen en leges behalve die van de censoren en dictator.

Censor

Zij hielden o.a. de oplijsting bij wie over welke vrijheidsrechten beschikte. Onder meer in de pretoriaanse fase van belang om te weten of iemand over de status libertatis beschikt. Zonder vrijheidsrechten kon men geen cursus honorarium afleggen. Verder waren zij belangrijk voor het bijhouden van uitgesproken capitis dimunitio, d.i. Het gedeeltelijk of volledig, al dan niet tijdelijk, ontnemen van vrijheidsrechten.

Formulaproces

Praetor Het ambt van praetor, een collega minor of ondergeschikte van de consul, werd voortaan ook opengesteld voor plebejers. De praetor keek in de eerste fase van een formulaproces na of rechtzoekenden over een vrijheidsstatuut en over een rechtsmiddel beschikten uit zijn edict alvorens hen door te verwijzen naar een rechter. De praetor had net als alle andere magistraten het ius edicendi om edicten uit te vaardigen, eens hij de imperium kreeg van de comitia.

De praetor urbanus had de ontwikkeling van het civiel recht of ius civile in handen in de stad Rome, hij werd daarom 'viva vox iuris civilis' genoemd. In 242 v.Chr. kreeg hij een collega, die bevoegd was voor de provincies met het ius gentium: de 'vreemdelingenpretor' (praetor peregrinus). Uiteindelijk waren er achttien pretoren, waaronder de "praetores aerarii", belast met geschillen over belastingen (aerarium = staatskas, aereus = koper).