De Prins Bisschopsingel is een straat, singel of boulevard aan de rand van het centrum van de Nederlandse stad Maastricht. De ruim 1 km lange singel was ooit een rustige woonstraat voor welgestelden, maar is tegenwoordig een drukke verkeersweg, onderdeel van de Ring Maastricht. De Prins Bisschopsingel heeft een gevarieerde bebouwing van voornamelijk villa's en herenhuizen uit de late 19e en vroege 20e eeuw.

Naamgeving, ligging, verkeer en inrichting De Prins Bisschopsingel is genoemd naar de prins-bisschoppen van Luik, die van circa 1200 tot 1794 medeheren waren van het tweeherige Maastricht (samen met de hertogen van Brabant). De verhouding tussen die twee was in 1284 vastgelegd in de Alde Caerte. De laatste die in Maastricht de prins-bisschopstitel droeg was Franciscus Antonius de Méan de Beaurieux. Aanvankelijk werd de straat aangeduid als 'Boulevard' of 'Singelweg'. De huidige naam werd in 1903 gekozen naar analogie van andere singelnamen op de linker Maasoever: Hertogsingel, Statensingel en Fransensingel.Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), p. 38, 43, 52, 58.

De straat ligt aan de zuidwestelijke rand van het Maastrichtse stadscentrum en vormt daar de grens tussen de centrumbuurt Jekerkwartier en de buurt Villapark in Maastricht-Zuidwest.De straat zelf behoort officieel bij het Jekerkwartier; de zuidelijke straatwand wordt echter tot de buurt Villapark gerekend. Overigens worden zowel de straten ten noorden als ten zuiden van de Prins Bisschopsingel aangeduid als "Villapark". Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), pp. 34, 38. De Prins Bisschopsingel loopt min of meer van west naar oost tussen het Tongerseplein en de kruising Maasboulevard/Kennedybrug. Daartussen liggen aan de noordzijde vijf zijstraten, van west naar oost: Aldenhofpark, Sint Hubertuslaan, Sint Lambertuslaan, Prins Hessen Casselstraat en Sint Pieterskade; aan de zuidzijde zijn dat er zeven: Champs Elyseesweg, Jekerweg, Sint Hubertuslaan, Sint Monulphusweg, Sint Lambertuslaan, Graaf van Waldeckstraat en Sint Pieterskade.

De Prins Bisschopsingel behoort tot de drukkere verkeerswegen in Maastricht en is zowel onderdeel van de Maastrichtse singelring als van de provinciale weg N278. De weg bestaat uit een middendeel voor het doorgaand verkeer met tweemaal twee rijbanen (inclusief voorsorteerstroken) en twee vrijliggende ventwegen met voetpaden. De ventwegen doen tevens dienst als fietspaden en zijn voorzien van parkeerstroken. Tussen de hoofdrijbanen en de ventwegen liggen in het westelijk deel groenstroken met bomen en gras. Bij de kruising met de Sint Lambertuslaan gaat het middendeel van de weg geleidelijk over in een viaduct, dat de Maasboulevard ongelijkvloers kruist en daarna overgaat in de Kennedybrug. Aan de noordzijde van het viaduct is een extra busbaan. De aanlanding van de brug deelt enkele straten in tweeën. Hier bepalen betonnen muren, vangrails en hekwerken het aanzien van de straat. Aan de oostzijde van de Maasboulevard bevinden zich onder de op- en afritten van de brug vier parkeerterreinen. Ter hoogte van de Sint-Pieterskade bevindt zich een vijfde parkeerterrein onder het viaduct. De kruising met de Sint Hubertuslaan is beveiligd met verkeerslichten. Nabij de brug over de Jeker staan verkeerslichten die door overstekende voetgangers en fietsers bediend worden.

Geschiedenis De geschiedenis van het gebied rond de Prins Bisschopsingel loopt tot eind 19e eeuw parallel met die van de vesting Maastricht. Na de sloop van de vestingwerken werd de straat aangelegd als onderdeel van een rustige singelweg, die door de bouw van de Kennedybrug en de aanleg van de Maasboulevard in de tweede helft van de 20e eeuw transformeerde tot een van de hoofdverkeersstructuren in Maastricht.

Vestinggordel (tot 1867) Eind 13e eeuw bleek de eerste middeleeuwse stadsmuur te krap. Door de bouw van een tweede enceinte werden de langs de uitvalswegen ontstane voorsteden binnen de ommuurde stad gebracht. De muur was pas omstreeks 1500 voltooid.De stadspoorten waren waarschijnlijk ouder dan de muren van de tweede enceinte. Waarschijnlijk werden de poorten al voor 1300 gebouwd. Ze zouden aanvankelijk met elkaar verbonden zijn geweest door een aarden wal met palissades. Zie ook Ubachs/Evers (2005), p. 532, en Morreau (1979), pp. 34, 92. De muur had op de linker Maasoever een hoogte variërend van 6 tot 9 m en een lengte van 4,4 km (inclusief ca. 850 m bestaande muur, voornamelijk langs de Maasoever). In het zuidwestelijk stadsdeel verving de Sint-Pieterspoort de Minderbroederspoort (ook wel Oude of Binnenste Sint-Pieterspoort) en na de voltooiing van de Nieuwstad-uitbreiding ook de Helpoort. Aan de veldzijde van de zuidelijke stadsmuur functioneerde als stadsgracht een Jekertak, die enkele tientallen meters ten noorden van de huidige Prins Bisschopsingel liep.Morreau (1979), pp. 6-7, 44, 90.

thumb|left|220px|Franse kaart (1708) met inundatie-gebied tussen Tongersepoort (1) en Sint-Pieterspoort (2). De letters A t/m F worden in de tekst verklaard Vanouds was dit een drassig gebied dat door de overstromingen van de Jeker (en incidenteel de Maas) weinig geschikt was voor bewoning. Het lag voor de hand om bij belegeringen de barrièrewerking van het water te benutten en door inundaties te versterken. De eerste vermelding hiervan dateert van 1475. Vooral vanaf de 16e eeuw, toen de vuurkracht van kanonnen sterk toenam, was het zaak om de belegeraars zover mogelijk van de stadsmuur vandaan te houden. Na het beleg van Maastricht door Parma in 1579 werd een begin gemaakt met de bouw van buitenwerken, waardoor de stad in de eeuwen die volgden steeds meer ingekapseld raakte. Bij de stadspoorten en op andere strategische plaatsen verrezen ravelijnen en halvemanen (A op de kaart links). Iets ten zuiden van de Sint-Pieterspoort werd in 1638-40 het hoornwerk Sint-Pieter gebouwd (B).Morreau (1979), pp. 150-154.

Dat de buitenwerken niet voldeden bleek bij het beleg van 1673, toen de stad in minder dan twee weken door Lodewijk XIV werd ingenomen. Toch was de Jekerinundatie in zekere zin effectief geweest, omdat deze de Fransen ervan had weerhouden een grootscheepse aanval op de zuidelijke vestingwerken in te zetten.Morreau, p. 257. De beroemde Franse vestingbouwer Vauban maakte na de inname een ontwerp voor het herstel en de uitbouw van de vesting, waarvan een deel tijdens de vijf jaar durende bezetting werd gerealiseerd. Buiten de Tongersepoort was vóór het beleg een lunet aangelegd, die na de nodige verbeteringen de naam demilune des Mousquetaires kreeg (C). Een belangrijk onderdeel van de plannen was de verbetering van het inundatiegebied ("de Kommen"). Hier werd onder andere de bestaande Jekerschans (D) verbouwd en werden de lunet La Royale (E) en het bastion Saint-Pierre (F) toegevoegd.

Omstreeks 1690 vonden op initiatief van vestingingenieur Daniël van Dopff opnieuw grootscheepse werkzaamheden plaats aan de zuidelijke vestingwerken. Het ravelijn aan de Tongersepoort werd aan de veldzijde uitgebreid met een couvre-face en het nog bestaande bastion Waldeck (I en J op de kaart rechts). Het bastion Saint-Pierre werd omstreeks 1725 opgenomen in het kroonwerk Hessen (V), genoemd naar de toenmalige gouverneur van Maastricht. Dit werk werd in 1741 naar het noorden en westen uitgebreid, later aangeduid als lunetten van Aylva (U), eveneens genoemd naar een gouverneur. Waarschijnlijk werd daar ook de lunet Cassel (P) toe gerekend, die in de 19e eeuw bekend stond als het werk Z3.Morreau (1979), pp. 69, 150, 157, 161-162, 166-170, 177-178, 261. Op de door de Fransen omstreeks 1750 gebouwde Maquette van Maastricht zijn deze werken duidelijk te herkennen.

In de tweede helft van de 18e eeuw vonden verdere vernieuwingen aan de vestingwerken plaats onder leiding van Pieter de la Rive (1694-1771), de ambitieuze directeur van het Departement van Fortificatiën van Overmaze, waaronder de vesting Maastricht ressorteerde. Deze liet tussen 1764 en 1769 in dit deel van de stad het hoornwerk Sint-Pieter en de Jekerschans afgraven, verbeteringen aanbrengen aan de couvre-face Tongeren, het bastion Waldeck, de lunetten van Aylva en de lunet (of avancée) De la Rive (Q), en daarnaast een aantal nieuwe buitenwerken toevoegen: het deels behouden bastion Wilhelmina (K), de lunetten van de Nieuwenhof (M), de bastions Carolina en Nassau-Weilberg (R en S) en de lunet Sint-Pieter (T).Morreau (1979), pp. 182, 187-189.Zie ook kaart door Guido Provaes in 2006 getekend voor Stichting Maastricht Vestingstad op forum.mestreechonline.nl.

Na de scheiding van Nederland en België verloor de vesting Maastricht haar belang voor de landsverdediging en werd er nauwelijks nog onderhoud gepleegd. In 1840 werden De Kommen ingericht als oefenterrein van het in Maastricht gelegerde 2e Regiment Infanterie (zie Regiment Limburgse Jagers#Ontstaan). Vanaf 1864 oefende de cavalerie er. Tussen 1847 en 1850 werd het Kanaal Luik-Maastricht gegraven, dwars door de zuidelijke vestingwerken, waarvoor in de rechtercourtine van het kroonwerk Hessen een insnijding werd gemaakt.Morreau (1979), pp. 173, 188, 236-239, 261-262.

Singelweg (1867–1950)

Na de opheffing van de vestingstatus in 1867 werd de vesting Maastricht in opdracht van het Ministerie van Oorlog ontmanteld, waarna de gronden werden overgedragen aan de Dienst der Registratie en Domeinen voor verdere sloop en herbestemming. De stadspoorten vielen onder de zeggenschap van het gemeentebestuur.Evers (2004), 'Ontmanteling en slechting'. De afbraak van de Tongersepoort werd op 30 november 1867 als eerste aanbesteed. Het ravelijn, de couvre-face en delen van bastion Waldeck volgden een jaar later. De Sint Pieterspoort en het kroonwerk Hessen werden in 1869 gesloopt.Morreau (1979), pp. 97, 187-189, 204. De buitenwerken werden oppervlakkig gesloopt, waardoor in de meeste gevallen ondergronds nog delen bewaard gebleven zijn.Het slechten van de vestingwerken was kostbaar. Het Rijk sloopte uitsluitend waar dat nodig was voor de aanleg van pleinen en straten, en dan nog alleen als de gemeente die stroken wilde overnemen. Martin (2000), p. 205. In 1881 werden de resterende vestingwerken in De Kommen door het Rijk overgedragen aan de gemeente, die in de jaren daarna de bastions Brunswijk, Carolina en Nassau-Weilberg en de lunetten van Aylva liet slopen. Kort daarna werd het oostelijk deel van de Prins Bisschopsingel aangelegd. Het westelijk deel is op een plattegrond uit 1890-95 gestippeld ingetekend als "geprojecteerde singelweg". Het bastion en de lunet Wilhelmina werden pas in 1917 (deels) geloopt; de lunetten van de Nieuwenhof in 1919. In 1921 waren de sloop-, ophogings- en egaliseringswerkzaamheden in De Kommen voltooid.