De Statensingel is een straat of singel aan de rand van het centrum van de Nederlandse stad Maastricht. De ongeveer 750 meter lange straat was oorspronkelijk langer; in 1985 werd de Frontensingel afgesplitst. De Statensingel is een schakel in de Maastrichtse singelring, hoewel de verkeersdruk na het omleggen van het Noorderbrugtracé enigszins is afgenomen. De straat heeft een gevarieerde bebouwing met onder andere herenhuizen en arbeiderswoningen.

Naamgeving, ligging en verkeer De Statensingel, het Statenkwartier en het voormalige bastion Staten-Generaal (bij de Verlengde Zakstraat) zijn alle genoemd naar de Staten-Generaal van de Nederlanden, die van 1632 tot 1794 (met kleine onderbrekingen) medeheer waren van het tweeherige Maastricht.De Statenstraat in de Binnenstad is genoemd naar het voorheen daar gelegen Statenhuis, waarvan de naam eveneens verwijst naar de Staten-Generaal. De naam is gekozen naar analogie van andere singelnamen op de linker Maasoever, die eveneens verwijzen naar voormalige machthebbers: Prins Bisschopsingel, Hertogsingel en Fransensingel.

De Statensingel ligt in het westelijk deel van het Maastrichtse stadscentrum en vormt daar de grens tussen de centrumbuurt Statenkwartier en het Frontenkwartier in Maastricht-Noordwest.De straat zelf behoort in zijn geheel bij het Statenkwartier; de aangrenzende percelen worden tot de genoemde buurten gerekend. Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), p. 48. De singel is aangelegd op een helling, wat in het straatbeeld onder andere zichtbaar is door de trapsgewijs oplopende gevels. Het hoogteverschil bedraagt 18 meter: van 52 m NAP in het noordoosten tot 70 m NAP in het zuidwesten.Hoogtekaart Maastricht op nl-be.topographic-map.com. De straat loopt min of meer in een rechte lijn tussen de Frontensingel in het noordoosten en het Koningin Emmaplein in het zuidwesten. De straat begint bij de T-kruising met de Maagdendries. Het eindpunt bij het Koningin Emmaplein is een rotonde, waar de Brusselsestraat, de Hertogsingel en de Sint Annalaan bij elkaar komen. Daartussen liggen aan beide zijden vier zijstraten, van noordoost naar zuidwest: Capucijnenstraat / Cabergerweg, Laagfrankrijk, Kazemattenstraat en (Verlengde) Zakstraat. Op de eerstgenoemde na, lopen deze straten naar het noorden toe dood op de Hoge Fronten.

De Statensingel was tot het verleggen van het Noorderbrugtracé in 2018 een van de drukste verkeerswegen van Maastricht. Doordat het verkeer vanaf de brug niet langer naar de singelring wordt geleid, is de drukte sterk afgenomen.Sinds de verlegging van de Noorderbrugaanlanding is op de Statensingel een sterke daling te zien van de verkeersintensiteit: van 15.500 voertuigen per etmaal in 2016 naar 11.000 in 2019. 'Verkeer Maastrichtse binnenwegen neemt af, maar op de snelweg en stadsring wordt het veel drukker', in De Limburger, 27 september 2020. De weg bestaat uit een middendeel voor het doorgaand verkeer met twee rijbanen, deels met voorsorteerstroken en busbanen, en twee ventwegen met voetpaden. De ventwegen doen tevens dienst als fietspaden en zijn voorzien van parkeerstroken. Tussen de hoofdrijbanen en de ventwegen staan bomen.

Geschiedenis De geschiedenis van het gebied rond de Statensingel loopt tot eind 19e eeuw parallel met die van de vesting Maastricht. Na de sloop van de vestingwerken werd de straat aangelegd als onderdeel van een rustige singelweg, die door de bouw van twee extra Maasbruggen in de tweede helft van de 20e eeuw transformeerde tot een van de hoofdverkeersstructuren in Maastricht.

Vestinggordel (tot 1867) Eind 13e eeuw bleek de eerste middeleeuwse stadsmuur te krap. Door de bouw van een tweede enceinte werden de langs de uitvalswegen ontstane voorsteden binnen de ommuurde stad gebracht. De muur was pas omstreeks 1500 voltooid. De muur had op de linker Maasoever een hoogte variërend van 6 tot 9 m en een lengte van 4,4 km (inclusief ca. 850 m bestaande muur, voornamelijk langs de Maasoever).'Tweede stadsommuring op de linker Maasoever' op zichtopmaastricht.nl. In het westelijk deel kwamen twee nieuwe stadspoorten: de Brusselsepoort en de Lindenkruispoort. Daartussen bevonden zich zes waltorens. De namen van enkele torens zijn overgeleverd: de Kackenberch, de Crotentoren, de Boenentoren, de toren "der Hont", de "toren achter de Cellebroeders" en de Sint-Joristoren (de tweede toren vanaf de Lindenkruispoort). Die laatste namen vinden mogelijk hun verklaring in het feit dat elk klooster en kerspel, ook het Cellebroedersklooster en de Sint-Joriskapel, de taak had een deel van de hoofdwal te onderhouden en verdedigen.Morreau (1979), pp. 96-97. Aan de veldzijde lag een (droge) gracht, die min of meer het tracé van de huidige Statensingel volgde. In de 16e eeuw werden de muurtorens omgebouwd tot rondelen door ze te verlagen en vol te storten met aarde, zodat er zwaar geschut kon worden opgesteld. Op het Cellebroedersrondeel stond een bekend kanon, de 'Kwade Griet' ("'t geschut dye Quoede Gryt genant"). De stadsmuur werd aan de binnenzijde versterkt met een aarden wal, zodat deze beter bestand was tegen de sterk toegenomen vuurkracht van het geschut. Op twee plekken werden katten of caveliers opgeworpen: de kat Nassau en de kat Hoog Frankrijk. De katten waren voorzien van ondergrondse kruitmagazijnen. Bij de Lindenkruispoort en de Brusselsepoort bevonden zich kazernes.Morreau (1979), pp. 50-51, 78.

Na de verovering van Maastricht door Frederik Hendrik werden in dit gebied diverse buitenwerken aangelegd, namelijk het hoornwerk bij de Brusselsepoort (A op de maquette hiernaast) en het hoornwerk Hoog Frankrijk.Morreau (1979), pp. 146-149. Later in de 17e eeuw kwamen daar enkele vrijliggende, bemuurde bastions bij: Maria en Oranje (B, C).Van der Heijden/Notermans (1987), p. 13. Dat deze buitenwerken bij lange na niet voldeden bleek bij het beleg van 1673, toen de stad in minder dan twee weken door Lodewijk XIV werd ingenomen. De Franse vestingbouwer Vauban stelde diverse verbeteringen voor, waarvan tijdens de vijf jaar durende bezetting in het noordelijk deel van de Hoge Fronten de lunetten Condé en Orleans (D, E) werden gerealiseerd.Morreau (1979), pp. 155-163. In 1688 kwamen de bastions Saxen, Holstein en Dopff (F, G, H) gereed, naar plannen van toenmalig ingenieur-fortificatiemeester Daniël van Dopff (later militair gouverneur van Maastricht). Het Brusselsehoornwerk bleef gehandhaafd, maar werd uitgebreid met een ravelijn en een lunet (A1, A2). Op de door de Fransen omstreeks 1750 gebouwde Maquette van Maastricht zijn deze werken duidelijk te herkennen. Een kwart eeuw later zou het gebied onherkenbaar veranderd zijn.Morreau (1979), p. 168.

In 1772 werd Carel Diederik du Moulin (1728-1793) directeur van het Departement van Fortificatiën van Overmaze, waaronder ook de vesting Maastricht ressorteerde. In de plannen van Du Moulin moest het merendeel van de hierboven opgesomde werken verdwijnen. Daarvoor in de plaats kwamen er vier nieuwe bastions: Louise, Prins Frederik, Stadhouder en Erfprins. De bastions Saxen en Holstein zouden worden gemoderniseerd.Morreau (1979), p. 203. De plannen van Du Moulin werden vanaf 1773 uitgevoerd door zijn opvolger François de Veye. Eind 1777 waren de werkzaamheden voltooid. De Linie van Du Moulin gold daarna als ondoordringbaar.Morreau (1979), pp. 195-198.

Singelweg (1867–1950) Na de opheffing van de vestingstatus van Maastricht in 1867 werd de vesting in opdracht van het Ministerie van Oorlog ontmanteld, waarna de gronden werden overgedragen aan de Dienst der Registratie en Domeinen voor verdere sloop en herbestemming. De stadspoorten van Maastricht vielen onder de zeggenschap van het gemeentebestuur.Evers (2004), 'Ontmanteling en slechting'. De Brusselsepoort, de Lindenkruispoort en het daartussen gelegen deel van de walmuur werden tussen 1867 en 1874 afgebroken. Met het puin werd de stadsgracht opgevuld. Al in 1867 kwam de ontmantelingscommissie met een eerste schets voor de uitleg van de stad. De gemeente Maastricht volgde in hetzelfde jaar met een "Project van percees en boulevards". Beide gingen uit van een singel- of boulevardstructuur rondom de ontmantelde stad, zoals dat door de rijksingenieur F.W. van Gendt voor de meeste voormalige vestingsteden werd voorgesteld. Van Maastrichtse zijde waren achtereenvolgens de stadsarchitecten A. Cuypers, J.H. Nivel en vanaf 1873 W.J. Brender à Brandis verantwoordelijk voor de uitwerking van de plannen. Pas met laatstgenoemde kwam er schot in de plannen.De trage uitvoering van de plannen kan worden toegeschreven aan de hoge kosten die met het bouwrijp maken van de vestingterreinen gemoeid waren en de moeizame verhouding met het Departement van Oorlog, dat grote delen van de vestingwerken in reserve hield. Ook de krapte van de gemeentegrenzen vormde een belemmering. Daarnaast was Maastricht in de 19e eeuw een relatief arme stad en viel de verkoop van kavels in de Stationsbuurt en het Villapark, waarmee de gemeente hoopte de kosten te dekken, tegen. Martin (2000), pp. 213-214, 238. Begonnen werd met het noordwestelijk deel, aangezien daar de belangrijkste industrieën gevestigd waren, die in die tijd in Maastricht het primaat hadden.Al in 1867 en 1868 deden de drie grootste bedrijven een aanvraag tot uitbreiding van hun fabrieksterreinen op de voormalige vestinggronden. Tot 1881 zou alleen verkoop van gronden aan bedrijven plaatsvinden. Martin (2000), pp. 208-209. Tussen 1874 en 1876 kwamen de huidige Statensingel, Frontensingel en Fransensingel tot stand. Van het zuidelijk deel van de 'boulevard' werd aanvankelijk slechts een klein deel in het Villapark aangelegd; de aanleg van de Hertogsingel moest tot 1891-93 wachten en het westelijk deel van de Prins Bisschopsingel tot 1920.Jenniskens (1995), p. 104. Omstreeks 1900 werd de Cabergerweg aangelegd.Martin (2000), pp. 201-209, 211-216.

Aan de stadszijde van de Statensingel verrezen vanaf circa 1880 de eerste woningcomplexen voor arbeiders en beambten, die zo dicht mogelijk bij de fabrieken aan de Boschstraat en het Bassin gebouwd werden. Meer naar het zuiden kwamen herenhuizen en middenstandswoningen. Vanaf 1898 liep een stoomtramlijn door de nog grotendeels onbebouwde straat. Deze verbond het goederenstation Boschpoort via het tramstation aan het Koningin Emmaplein met Maasmechelen en Maaseik.Ubachs/Evers (2005), p. 534: 'tram'. De lijn leidde een kwakkelend bestaan en werd in 1943 opgeheven (zie ook: Buurtspoorwegen van de provincie Limburg).Jenniskens (1995), p. 46. De noordzijde van de straat bleef tot eind jaren '20 onbebouwd, waarschijnlijk vanwege de vestingwerken met hun ondergrondse gangenstelsels, waarvan de sloop tijdrovend en kostbaar was. Voor het begin van de Tweede Wereldoorlog was de straat voltooid. Aan het einde van de oorlog verbleven veel Maastrichtenaren vanwege het voortdurend luchtalarm in de kazematten van de Hoge Fronten ("de katsj") achter de Statensingel; in de weken voor de bevrijding van Maastricht op 14 september 1944 min of meer permanent.

Ring Maastricht (na 1950)