De Algemene Diamantbewerkersbond van België (ADB), in het Frans Syndicat des Ouvriers Diamantaires, was een Belgische socialistische vakbond voor diamantbewerkers. Opgericht onder de naam Antwerpse Diamantbewerkersbond in 1895, werd de bond hernoemd tot de Algemene Diamantbewerkersbond van België in 1913.

De bond had, ondanks dat ze op haar hoogtepunt maar zo'n 14.000 leden telde, veel gezag en aanzien. Ze wist haar leden in korte tijd uit de 19de-eeuwse armoede te tillen en pionierde in sociaal werk. De ADB was de eerste die betaald verlof binnenhaalde, opende later een huisje in Grobbendonk voor de "Natuurvrienden", en dwong de diamantwerkgevers – via stakingen en een mislukte lock-out, onder minister Achille Delattre – om de allereerste vaste paritaire commissie van België te aanvaarden in 1935. Om beroepsziektes zoals tuberculose aan te pakken, werd in 1905 "Zonnestraal" opgericht; en om de werkplaatsen gezonder te maken, kwam er in 1929 de modelslijperij De Daad (die de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben afgebroken).

Historiek De vakbond werd op 19 augustus 1895 opgericht in Antwerpen onder de naam Antwerpse Diamantbewerkersbond (ADB), met aanzienlijke steun van de reeds beter georganiseerde Nederlandse Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB). Ondanks de beperkingen die artikel 310 van het Strafwetboek oplegde — waarbij iedere belemmering van de arbeid strafbaar was — en ondanks het feit dat arbeiders zich nog moeilijk lieten organiseren, ontplooide de bond vanaf zijn oprichting reeds acties voor meer schafttijd en een beperking van het aantal leerlingen.

De leiding kwam in handen van het 'Rode Trio' Jan Bartels, Louis Roméo en Jef Groesser. Bartels was in het trio de tribuun en voerde het woord, Groesser was de man die met de pen werkte, en Roméo was de organisator.

De staking van 1904 miniatuur|Jef Groesser, Louis Romeo (van de ADB) en Jan van Zutphen (ANDB) in overleg tijdens de staking voor de negenurige werkdag in 1904. In februari 1904 brak in Antwerpen een langdurige staking uit die tot juni zou aanhouden en bepalend was voor de machtspositie van de ADB. De directe aanleiding was de weigering van de werkgevers om een verkorting van de arbeidstijd toe te staan, evenals hun eis tot toelating van nieuwe leerlingen. Tegelijkertijd besloten diamanthandelaren en fabriekseigenaars in Amsterdam tot een uitsluiting. Het vier maanden durende conflict eindigde in een overwinning voor de Nederlandse en Belgische bonden, met de invoering van de negenurige werkdag en een akkoord over de toelating van een beperkt aantal leerlingen.

De leiding van de Antwerpse staking werd waargenomen door Jan van Zutphen van de ANDB, Louis Roméo, Jan Van Meerbeeck en Leo De Man, aangezien de andere twee voormannen, Jan Bartels en Jeff Groesser, wegens overtredingen van artikel 310 nog gevangenisstraffen moesten uitzitten. Deze wet beschouwde het verspreiden van manifesten als een misdrijf en het uitroepen van stakingen als strafbaar.Pas bij wet van 24 mei 1921 werd door de regering-Carton de Wiart artikel 310 van het Strafwetboek afgeschaft op instigatie van de BWP. Bartels melde zich bij het gevang, terwijl Groesser over de grens naar Roosendaal uitweek om daar de staking te ondersteunen. De staking onderstreepte het belang van internationale samenwerking en solidariteit.

Samen speelden de ANDB en de ADB ook een sleutelrol bij de oprichting van het Wereldverbond van Diamantbewerkers in 1905. Zowel binnen de ADB als binnen het Wereldverbond lagen de eerste eisen op de verbetering van de arbeidsomstandigheden, de verkorting van de werktijd, een duidelijker vastgelegd loon en — vooral om betere werkomstandigheden te waarborgen — een beperking van het aantal leerlingen in het vak. De ADB groeide uiteindelijk uit tot een van de machtigste vakbonden in Antwerpen.

Scheuring en verzoening

Hoewel tal van bestuursleden lid waren van de Belgische Werkliedenpartij (BWP), was de ADB voorstander van een onafhankelijke positie ten overstaan van de socialistische partij. De ADB hechtte sterk aan het behoud van zijn reeds verworven machtspositie en wilde zich niet onderwerpen aan een nationaal overkoepelende centrale. Dat had mede te maken met de bijna uitsluitend Antwerpse basis van de ADB. Bovendien had er, voor de bond logischer, al eerder een centralisatie plaatsgevonden door de aansluiting bij het Wereldverbond van Diamantbewerkers. Daarnaast voelde de ADB zich door de BWP gehinderd in haar streven naar een corporatistische afsluiting van het vak: de BWP was voorstander van vrije beroepskeuze en keurde het beperken van leerlingen door de ADB af.

Het dispuut rond het al dan niet aansluiten bij de Syndikale Kommissie (SK) van de BWP werkte als een splijtzwam in de ADB. In Antwerpen bestonden twee interprofessionele vakbonden: het in december 1906 opgerichte Algemeen Arbeidssecretariaat, verbonden aan de SK en de BWP en gedomineerd door metaalarbeiders, en de Antwerpse Federatie van (onafhankelijke) Vakverenigingen, met de ADB als kern, die zich in 1907 terugtrok uit de SK. De voorstanders van de aansluiting bij de SK verenigden zich in 1911 in de Algemene Belgische Diamantbewerkersbond (ABDB) en noemden zich de "geroyeerden".

De polemiek tussen de ADB en de geroyeerden werd gevoerd in hun respectievelijke organen, de Volkstribuun en De Werker en was een remmende factor in de ontwikkeling van de socialistische arbeidersbeweging te Antwerpen. Na bemiddeling door Camille Huysmans en Jan van Zutphen en nadat de oude leiding, het zgn. “Rode Trio” (Jan Bartels, Louis Roméo en Jef Groesser) het veld had geruimd, kwam in 1912 Louis Van Berckelaer aan het hoofd van de ADB. Onder zijn bestuur kwam het tot een fusie met de “geroyeerden”van de ABDB en sloot de ADB zich aan bij de SK na de algemene staking voor het algemeen kiesrecht in april 1913, die beide stromingen weer bij elkaar bracht. Ook werd de naam van de bond omgevormd in Algemene Diamantbewerkersbond van België vanwege de groeiende diamantnijverheid op het platteland rond Antwerpen − de zgn. buitenindustrie in met name De Kempen − buiten elke vakbondsstructuur om.

Na de oorlog Mede dankzij de rol van Van Berckelaer tijdens de Eerste Wereldoorlog groeide het wederzijds vertrouwen tussen de ADB en de werkgevers, waardoor overleg de dominante strategie werd. In 1927 werd met de patroonsorganisatie, het Syndicaat der Belgische Diamantnijverheid (SBD), de eerste collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten en werden de eerste overlegorganen opgericht. Hoewel de ADB de machtigste vakbond in de stad Antwerpen was, bleef een groot deel van de diamantbewerkers op het platteland en een groeiend aantal thuiswerkers − met name joodse immigranten die de pogroms in Oost Europa ontvluchtten − buiten haar invloedssfeer en werkte er tegen aanzienlijk lagere lonen.

In 1929 werd in de schoot van de ADB De Daad opgericht. Als de modernste diamantslijperij van haar tijd beschikte zij over 200 zitplaatsen voor diamantsnijders en 600 slijpmolens ter huur. De oprichting had tot doel het financieel beheer van de bondsgoederen te verbeteren, een voorbeeld te stellen voor andere fabrieken en een werkplaats te bieden bij lock-outs. De huurinkomsten dienden ter financiering van Zonnestraal, de organisatie voor tuberculosebestrijding.

De periode 1923–1929 vormt de belangrijkste bloeifase van de ADB, samenlopend met de expansie van de Belgische diamantindustrie, waarin Antwerpen zich ontwikkelde tot het grootste diamantcentrum, ten koste van Amsterdam. Na de plotselinge dood van Van Berckelaer in 1936 kwam de opvolging in het geding tussen Jan Bartels en Alfons Daems. Toen de leden geraadpleegd werden om tussen beiden te kiezen, vreesde men dat de oude tegenstelling tussen "politiek" en "apolitiek" opnieuw zou oplaaien. Uiteindelijk kwam er een minnelijke schikking: Alfons Daems werd voorzitter van de ADB, Bartels hoofdredacteur van het weekblad De Diamantbewerker.

Crisis van de jaren 1930 en teloorgang

De economische malaise als gevolg van de crisis van de jaren 1930 was lang en hevig, met slechts af en toe een heropleving. Daardoor konden geen hoge eisen gesteld worden. Een uitkomst werd gezocht in een betere reglementering van de diamantindustrie: productiebeperking werd aanvaard in ruil voor het behoud van de werkgelegenheid. Dit leidde op 10 september 1935 tot de oprichting van het Nationaal Paritair Comité, een overlegstructuur tussen vakbonden en werkgevers met een regeringsafgevaardigde als voorzitter. Dit wierp al snel vruchten af: op 11 november 1935 werd een principeakkoord getekend over de 40-urenweek. Vanaf dan werd de strijd voor betere arbeidsvoorwaarden binnen de paritaire commissie gevoerd. Hoewel in deze periode de 40-urenweek werd ingevoerd en de overlegstructuur op poten werd gezet, zijn de Belgische diamantnijverheid en de ADB nooit volledig hersteld van de crisisperiode van de jaren dertig.

Na de Tweede Wereldoorlog, waarin veel Antwerpse joodse diamantslijpers het leven lieten, verloor de ADB haar vooraanstaande rol die zij, vooral in de Antwerpse vakbeweging mede dankzij zijn voortrekkersrol op het vlak van het overlegsyndicalisme had vervuld. Vergeleken met de grote centrales was de bond numeriek nog maar klein en kon hij zich enkel nog onderscheiden door zijn vooruitstrevende arbeidsvoorwaarden. De terugloop van het ledenaantal was al in de jaren 1930 ingezet, toen veel diamantbewerkers, na opeenvolgende stopzettingen in de nijverheid, op zoek gingen naar een stabielere baan. Door de geringe toekomstperspectieven in de diamantsector bleef verjonging uit, waardoor de vergrijzing een probleem werd. De voornaamste zorg van de ADB werd het behoud van werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden — zeker in Antwerpen, waar alle grote fabrieken door de bouwspeculatie in de diamantwijk dreigden te verdwijnen. Om sterker te staan fuseerde de bond in december 1993 met de Textielarbeiderscentrale van België (TACB) en de Centrale der Kleding en Aanverwante Vakken van België (CKB) tot de Centrale voor Textiel, Kleding en Diamant (TKD).

Categorie:Belgische diamantindustrie