De Frontensingel is een straat of singel in de Nederlandse stad Maastricht. De huidige naam is pas sinds 1985 in zwang; daarvoor was de straat onderdeel van de Statensingel. De ongeveer 500 meter lange straat aan de rand van het centrum van Maastricht heeft een belangrijke verkeersfunctie als schakel in de singelring, hoewel die functie na het omleggen van het Noorderbrugtracé is afgenomen.

Naamgeving, ligging en verkeer De Frontensingel, het Frontenkwartier en het Frontenpark zijn alle genoemd naar de nabij gelegen Hoge en Lage Fronten, de buitenwerken van de vestingwerken van Maastricht.

De straat ligt in het noordwestelijk deel van het Maastrichtse stadscentrum en vormt daar de grens tussen de centrumbuurt Statenkwartier en het Frontenkwartier in Maastricht-Noordwest.De straat zelf behoort in zijn geheel bij het Statenkwartier; de aangrenzende percelen worden tot de genoemde buurten gerekend. Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), p. 48. De straat loopt min of meer van zuidwest naar noordoost tussen de Statensingel en Fransensingel. Aan de zuidwestzijde ligt het beginpunt bij de T-kruising met de Maagdendries. Het eindpunt ligt bij de kruising met de Boschstraat, de Fransensingel en de Bosscherweg. Daartussen liggen geen zijstraten.

De Frontensingel was vanaf het gereedkomen van de Noorderbrug in 1984 een van de drukste verkeerswegen in Maastricht. Door het verschuiven van de aanlanding van de brug is deze functie sterk afgenomen.Exacte cijfers voor de Frontensingel zijn niet bekend, maar op de aansluitende Statensingel is sinds de verlegging van de Noorderbrugaanlanding een sterke daling te zien van de verkeersintensiteit: van 15.500 voertuigen per etmaal in 2016 naar 11.000 in 2019. 'Verkeer Maastrichtse binnenwegen neemt af, maar op de snelweg en stadsring wordt het veel drukker', in De Limburger, 27 september 2020. De weg bestaat na de herinrichting van 2018-19 uit twee rijbanen gescheiden door een middenberm. Er zijn geen parkeerstroken, maar aan weerszijden van de weg liggen grote Q-park parkeerterreinen (P+W Sphinx en P+W Frontenpark). Ter hoogte van de parkeerterreinen zijn voorsorteerstroken aanwezig. Aan beide zijden van de weg liggen vrijliggende fiets- en voetpaden.

Geschiedenis De geschiedenis van het gebied rond de Frontensingel loopt tot eind 19e eeuw parallel met die van de vesting Maastricht. Na de sloop van de vestingwerken werd de straat aangelegd als onderdeel van een rustige singelweg, die door de bouw van twee extra Maasbruggen in de tweede helft van de 20e eeuw transformeerde tot een van de hoofdverkeersstructuren in Maastricht.

Vestinggordel (tot 1867) Eind 13e eeuw bleek de eerste middeleeuwse stadsmuur van Maastricht te krap. Door de bouw van een tweede enceinte werden de langs de uitvalswegen ontstane voorsteden binnen de ommuurde stad gebracht. Waarschijnlijk was deze muur pas omstreeks 1500 voltooid. De muur had op de linker Maasoever een hoogte variërend van 6 tot 9 m en een lengte van 4,4 km (inclusief ca. 850 m bestaande muur, voornamelijk langs de Maasoever).'Tweede stadsommuring op de linker Maasoever' op zichtopmaastricht.nl. In het noordwestelijk deel kwamen twee nieuwe stadspoorten: de Boschpoort en de Lindenkruispoort. De daartussen gelegen muur telde zes waltorens. Bij de vijfde toren vanaf de Lindenkruispoort maakte de muur een knik naar het oosten. Aan de veldzijde lag een gracht, die min of meer het tracé van de Frontensingel volgde. Door het wisselende waterpeil in de Maas viel de gracht regelmatig droog. In de 16e eeuw werden de muurtorens omgebouwd tot rondelen door ze te verlagen en vol te storten met aarde. Bij de hoektoren werd in de 17e eeuw de Boschkat aangelegd, een verhoogd platform aan de stadszijde, waar zwaar geschut kon worden opgesteld. Vlakbij lag een kruithuis. Bij de Lindenkruispoort bevonden zich kazernes.Morreau (1979), pp. 50-51, 78.

thumb|left|300px|De noordwestelijke vestingwerken op de Maquette van Maastricht (ca. 1750):1 Boschpoort; 2 Lindenkruispoort; 3 Boschkat. Voor A t/m E zie tekst Na de verovering van Maastricht door Frederik Hendrik werden in dit gebied diverse buitenwerken aangelegd, als eerste het hoornwerk Laag Frankrijk (ook Boschhoornwerk genoemd; B op de kaart hiernaast). Later in de 17e eeuw kwamen daar enkele vrijliggende, bemuurde bastions bij: de ravelijnen voor de Boschpoort en Lindenkruispoort (A, D) en het bastion Tettau (C).Van der Heijden/Notermans (1987), p. 13. Dat deze buitenwerken bij lange na niet voldeden, bleek enkele tientallen jaren later bij het beleg van 1673, toen de stad in minder dan twee weken door Lodewijk XIV van Frankrijk werd ingenomen. De Franse vestingbouwer Vauban stelde diverse verbeteringen voor. Tussen het bastion Tettau en het hoornwerk Laag Frankrijk werd het lunet Le Dauphin (E) gebouwd. De belangrijkste verbetering was de aanleg van het 1100 meter lange Jekerkanaal (1673-78), waardoor het mogelijk werd om water uit het riviertje de Jeker vanuit het zuiden van de stad over te hevelen naar de Bossche Fronten. In de loop van de 18e eeuw werden diverse verbeteringen en uitbreidingen van de Bossche Fronten uitgevoerd, maar door het ontbreken van een totaalplan bleef de verdediging hier gebrekkig. In de Hoge Fronten kwam tussen 1772 en 1776 volgens een integraal plan de Linie van Du Moulin tot stand, die als ondoordringbaar gold. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de Fransen bij het beleg van 1793 en dat van 1794 hun aanval inzetten op de Lage Fronten.Morreau (1979), pp. 151, 157, 186-187.

thumb|Fort Willem I en de Nieuwe Bossche Fronten (situatie ca. 1825-1867) Bij de belegeringen van 1793 en 1794 was gebleken dat vooral de Bossche Fronten dringend modernisering behoefden. Na het vertrek van de Fransen werd in 1815 begonnen met de bouw van het Fort Willem I op de oostflank van de Caberg, een jaar later gevolgd door de vrijwel complete vernieuwing van de Bossche Fronten. De bouw van de Nieuwe Bossche Fronten vond in fasen plaats tussen 1816 en 1821. De kosten bedroegen bijna 2,5 miljoen gulden, een enorme investering in die tijd.Morreau (1979), pp. 220-223. De Nieuwe Bossche Fronten bestonden uit vier bastions en drie ravelijnen. De bastions werden van west naar oost aangeduid als A, B, C en D; de ravelijnen als a, b en c (zie kaart hiernaast). Zes van de zeven vestingwerken werden voorzien van kazematten: ondergrondse, bomvrije ruimten van waaruit de omliggende grachten konden worden beschoten. Drie bestaande werken, de tenaille voor de Lindenkruispoort, het bastion Tettau en het ravelijn voor de Boschpoort (2, 3 en 4), werden verbouwd en aaneengeschakeld tot een enveloppe. Het complex was geheel omgracht. De grachten waren droog, maar konden met behulp van het Jekerkanaal worden geïnundeerd.Morreau (1979), p. 226.

Singelweg (1867–1980)

Na de opheffing van de vestingstatus in 1867 werd de vesting Maastricht in opdracht van het Ministerie van Oorlog ontmanteld, waarna de gronden werden overgedragen aan de Dienst der Registratie en Domeinen voor verdere sloop en herbestemming. De stadspoorten vielen onder de zeggenschap van het gemeentebestuur.Evers (2004), 'Ontmanteling en slechting'. De Boschpoort, de Lindenkruispoort en het daartussen gelegen deel van de walmuur werden tussen 1867 en 1874 afgebroken. Met het puin werd de stadsgracht opgevuld. Al in 1867 kwam de ontmantelingscommissie met een eerste schets voor de uitleg van de stad. De gemeente Maastricht volgde in hetzelfde jaar met een "Project van percees en boulevards". Beide gingen uit van een singel- of boulevardstructuur rondom de ontmantelde stad, zoals dat door de rijksingenieur F.W. van Gendt voor de meeste voormalige vestingsteden werd voorgesteld. Van Maastrichtse zijde waren achtereenvolgens de stadsarchitecten A. Cuypers, J.H. Nivel en vanaf 1873 W.J. Brender à Brandis verantwoordelijk voor de uitwerking van de plannen. Pas met laatstgenoemde kwam er schot in de plannen.De trage uitvoering van de plannen kan worden toegeschreven aan de hoge kosten die met het bouwrijp maken van de vestingterreinen gemoeid waren en de moeizame verhouding met het Departement van Oorlog, dat grote delen van de vestingwerken in reserve hield. Ook de krapte van de gemeentegrenzen vormde een belemmering. Daarnaast was Maastricht in de 19e eeuw een relatief arme stad en viel de verkoop van kavels in de Stationsbuurt en het Villapark, waarmee de gemeente hoopte de kosten te dekken, tegen. Martin (2000), pp. 213-214, 238. Begonnen werd met het noordwestelijk deel, aangezien daar de belangrijkste industrieën gevestigd waren, die in die tijd in Maastricht het primaat hadden.Al in 1867 en 1868 deden de drie grootste bedrijven een aanvraag tot uitbreiding van hun fabrieksterreinen op de voormalige vestinggronden. Tot 1881 zou alleen verkoop van gronden aan bedrijven plaatsvinden. Martin (2000), pp. 208-209. Tussen 1874 en 1876 kwamen de huidige Statensingel, Frontensingel en Fransensingel tot stand. Ter hoogte van de Frontensingel werden alle kavels aan de stadszijde van de singel verworven door de firma Regout, die er de nog bestaande Mouleurs bouwde. Van het zuidelijk deel van de 'boulevard' werd aanvankelijk slechts een klein deel in het Villapark aangelegd; de aanleg van de Hertogsingel moest tot 1891-93 wachten en het westelijk deel van de Prins Bisschopsingel tot 1920.Jenniskens (1995), p. 104. Omstreeks 1900 werd de Cabergerweg aangelegd.Martin (2000), pp. 201-209, 211-216.

In het westelijk deel van de Nieuwe Bossche Fronten werd alleen gesloopt als er behoefte aan ruimte bestond, waardoor diverse vestingwerken gespaard bleven. Rond 1875 werd hier de Havenkom aangelegd, waarbij de voormalige vestinggracht bij de bastions A, B en C werd verbreed, uitgediept en ingericht met loskades. De Havenkom stond in verbinding met de Zuid-Willemsvaart en het Bassin. Bastion C en de courtine tussen de bastions B en C werden afgebroken ten behoeve van infrastructuur en industrie, voor de Maastrichtenaren van die tijd een illustratie van de transformatie van militaire naar modern industriële stad. Het Bosscherveld was vanaf die tijd de favoriete vestigingsplaats voor bedrijven.Martin (2000), pp. 208-211. Het tweede goederenstation Boschpoort kwam pas in 1903 tot stand. Tien jaar later nam Van Gend & Loos de expeditie over.

Van verkeersweg naar parklaan (na 1980) thumb|Maquette uit de beginperiode van het Plan Belvédère, ca. 2000. Links het Sphinxkwartier en de Frontensingel; rechts het Frontenpark Al sinds de jaren 1950 bestond in Maastricht de wens om door de bouw van een noordelijke en zuidelijke brug de ringweg rond het stadscentrum te sluiten. (1964): Maastricht, een visie op de toekomst, pp. 152-159. Gemeente Maastricht, Maastricht De 'zuiderbrug', de John F. Kennedybrug, kwam in 1968 gereed; voor een noordelijke brug was toen nog geen geld. Van 1981 tot 1984 vond de bouw van de Noorderbrug plaats, die op de westelijke Maasoever aansloot op de Frontensingel.Ubachs/Evers (2005), p. 376: 'Noorderbrug'. Een jaar later kreeg de aan de nieuwe verkeersstromen aangepaste Frontensingel zijn huidige naam.