Zeerijp (Gronings: Riep of Zeeriep) is een dorp in de gemeente Eemsdelta in de Nederlandse provincie Groningen. De dorpskern telt inwoners (CBS ) en het postcodegebied 9914 (dus inclusief het buitengebied) ongeveer 500 inwoners (2023).
Geografie Dorp Zeerijp bestaat voor een groot deel uit lintbebouwing langs drie hoofdwegen: de Borgweg (vroeger: Hoofdweg), de Eenumerweg en de Molenweg. Daarnaast is er enige komvorming ten noorden van de Borgweg: rond de in de 17e eeuw ontstane buurt 'De Kamp' (Kampweg), de Kwekersweg en de Noorderstraat. De huizen dateren voor de helft van voor de Tweede Wereldoorlog en voor de helft van daarna. Ongeveer 70% van de woningvoorraad bestaat uit koopwoningen. Huurwoningen (onder andere woningwetwoningen en bejaardenwoningen) werden met name in de jaren 1950 tot 1990 gebouwd rond de Noorderstraat. Een van de oudste woningbouwprojecten is de woning Kampweg 14-16 van woningstichting 't Zandt uit 1919.
Voor voorzieningen is het dorp grotendeels aangewezen op Loppersum en omstreken. Voorzieningen in het dorp zelf zijn een basisschool, een dorpshuis, een molen, een cafetaria, een kapster, twee B&B's en een graanbedrijf. Verder zijn er nog tamelijk veel particulieren. Van de beide kerken wordt de grote hervormde Jacobuskerk zo'n twee keer per maand gebruikt voor diensten en ook regelmatig voor orgelconcerten. De kleinere doopsgezinde kerk is ingericht als bed & breakfast en wordt verhuurd als zaaltje voor feestjes en bijeenkomsten.
Binnen het postcodegebied van het dorp liggen de gehuchten Ozingeweer, Terhorn (ook Molenhorn of Schatsborg) en De Groeve (ook Grou).
Vervoer thumb|300px|Het Zeerijpermaar gezien vanaf de Schippershuistil met links het opslagterrein, waar nu vooral vrachtwagens worden geparkeerd.
Het dorp ligt te midden van de dorpen Loppersum, Westeremden, Garsthuizen-Startenhuizen, 't Zandt, Godlinze, Leermens en Eenum. Zeerijp ligt op enkele kilometers van de belangrijkste uitvalswegen; de N46 (Groningen-Eemshaven) in het westen en de N360 (Groningen-Delfzijl) in het oosten. Zeerijp heeft een busverbinding met Eemshaven en Loppersum (lijn 45).
De belangrijkste waterweg is het Zeerijpermaar ten oosten van het dorp, dat naar het zuiden toe via achtereenvolgens het Eenumermaar en het Oosterwijtwerdermaar aansluit op het Damsterdiep en naar het noorden toe via het Garsthuizermaar in het Oude Maar. Bij het dorp werd in 1855 de Zeerijpstertil of Hartmanstil aangelegd over de Zeerijpermaar, toen de weg van Zeerijp naar Terhorn door de provincie verhard werd tot een grindweg. De brug werd in 1940 vervangen door een nieuwe brug, die in 1982 werd gerestaureerd. De tegenwoordige brug wordt Schippershuistil genoemd. De brug is voorzien van sierlijke gietijzeren balusters. Bij de brug werd in 1976 een opslagplaats aangelegd, die nu dienstdoet als parkeerplaats voor vrachtwagens. Tot begin 19e eeuw was er een haventje in het dorp bij de molen, die aansloot op het Zeerijpermaar.
Bestuur Zeerijp ligt op de plek van de oude dijk die ooit werd aangelegd in de Fivelboezem.Voor de historische informatie op deze pagina is vooral gebruik gemaakt van Knottnerus, Fivelboezem (2005) en het materiaal dat voor dit boek werd verzameld. Het dorp vormde in de middeleeuwen onderdeel van het Westerambt, een onderkwartier van Fivelgo. Tijdens de Republiek vormde het onderdeel van het onderkwartier Oosterdeel van Fivelingo. Gerechtelijk behoorde Zeerijp tot de rechtstoel 't Zandster Eesterrecht. De zetel daarvan bevond zich soms ook in Zeerijp in het Regthuys (later herberg, Borgweg 12). Langs de Woldweg ten zuiden van het dorp zijn skeletten van mensen gevonden die mogelijk door een der rechtstoelen terechtgesteld zijn. Waterstaatkundig vormde het kerspel Zeerijp de 'Zeerijpster eed' die onderdeel vormde van de derde schepperij (Loppersum) van het Dorpster zijlvest.
Zeerijp vormde vroeger een kerspel dat net als de rest van de Ommelanden onderdeel vormde van het bisdom Münster. Samen met Loppersum, Eenum, Wirdum, Garrelsweer en Leermens stond Zeerijp niet onder een seend (proost of deken), maar direct onder de officiaal van de bisschop van Münster. Na de instelling van het Bisdom Groningen-Leeuwarden in 1559 werd in 1562 middels een indultum (Vrijbrief) herbevestigd. Het kerspel van Zeerijp was lange tijd onderverdeeld in twee kluften (of klauwen): Een klauwboek noemt de kluft 'boven de weg' met vijf edele heerden (Guttingeheerd, Sijwerdingeheerd, Eijsmaheerd, Eelzemaheerd, Hidtsmaheerd) en de kluft 'buiten de weg' met zeven edele heerden (Fridemaheerd, Entekeheem, Enneheerd, Edzemaheerd, Pijpingheheerd of Wijninghe tijll, Duwersmaheerd, Eppingheheerd). In een ander klauwboek staat de vermelding dat het 'Lopster redgerrecht' onder andere bestond uit de 'Rijpster clauwe' met drie edele heerden (Lyuppe Hayckensheerd, Vrouw Ulkskensheerd en 'Hoyckemaheerd over de wegh') en de 'Osingeweerster clauwe' met drie edele heerden (Hoyckemaheerd, Jonge Sickensheerd en Godekenheerd of Sijgersmaheerd).
Begin 19e eeuw, toen de gemeenten werden geformeerd, ontstond een lange discussie over de vraag of Zeerijp bij Loppersum of bij 't Zandt zou moeten behoren. Uiteindelijk werd Zeerijp in 1811 onderdeel van de gemeente 't Zandt. In 1990 werd de gemeente 't Zandt en daarmee Zeerijp echter alsnog tot onderdeel van de (vergrote) gemeente Loppersum gemaakt.
Geschiedenis Naam Zeerijp wordt voor het eerst vermeld als Ripa in de Kroniek van Bloemhof onder de jaren 1227 en 1228. Ook Jacob van Deventer gebruikt op zijn kaart van 1559 de verkorte vorm Ryp, die in het Gronings vaak wordt gebruikt. Het dorp wordt in 1461 vermeld als jnden Rijm en 1462 als Rijpp. Een zeventiende-eeuws afschrift van een akte uit 1396 spreekt over in 1396 vermeld als Serijp, maar hier wordt Oprijp te Uithuizen bedoeld.OGD nr. 928
De naam komt van het Germaans rîp, reep, rîm in de betekenis van 'rand, oever, landstrook'. Dit woord werd niet alleen gebruikt voor de oever van de zee (bijvoorbeeld in het Oudengels særima), maar ook voor een nederzetting aan een oever of op een kwelderwal.Jürgen Udolph, Namenkundliche Studien zum Germanenproblem, Berlijn/New York 1994, p. 93. Zie ook J. Moerman, Nederlandse Plaatsnamen, 1956, p. 188; W. de Vries, ‘’Groninger plaatsnamen’’, 1946, p. 286-287. In de Ommelanden komt de naam meermalen voor, bijvoorbeeld de nederzettingen Ripon (fan theru Ripu) bij Warffum (omstreeks 1050), Oprijp te Uithuizen, Langerijp bij Appingedam, Lutjerijp bij Leermens, in den Rijpe bij Pieterburen (1528) en het verdwenen Diurardasrip in Duurswold. Ook in de buurgewesten komt de naam vaak voor. Het woord is verwant aan het Groningse woord riepe ('stoep'). Er vond bovendien een wisselwerking plaats met het Latijnse woord ripa, dat eveneens 'oever' betekent.Niet onderbouwd is de veronderstelling dat rijp 'zandbank' zou betekenen. Huizing (1993) en Zeerijp.info: "Een oud dorp dijkdorp". In het laatste geval wordt ook verwezen naar de naam van buurdorp 't Zandt.
Riepster licht In Groningen wordt het verhaal verteld van het Riepster licht dat af en toe in de buurt van Zeerijp zou worden gezien.J. van der Kooi, ‘Het Riepster licht’, in: W, de Blécourt et al. (samenst.), . . Verhalen van stad en streek, Amsterdam 2010, p. 58-60. Hierbij behoort de onderstaande legende, hier verteld door Van der Aa in 1841:Onder de bijzonderheden van dit dorp [Zeerijp] rekenen wij de Woldweg of Wolddijk en het aldaar zo algemeen waargenomen bekende spokende Rijpster licht. Dit zeer gevreesde licht was geen zich verplaatsende ruil of vurige landmeter, geen valse lantaarn of stalkaars [benamingen voor spokende lichtgeesten], geen dwaal- of hiplicht, maar een blijvend licht, dat op dezelfde plaats dan eens zeer helder en dan eens bijna onmerkbaar gezien werd. Er bestaat omtrent de oorsprong van dit licht de volgende legende.
Keizer Karel de Grote beval na zijn overwinning op de Friese koning Radboud II opdracht dat overal de wetten in schrift zouden worden gesteld. De Friezen benoemden tot dat einde twaalf deskundige personen, wetgeleerden, door hen Wimoedes en door de Noormannen Azen genaamd. Deze moesten als ingewijden de heilige godentaal, die merendeels uit rijmen en spreuken bestond, uit het Oudfries in het Latijn overzetten, en die vertaling zou hen vervolgens tot richtsnoer verstrekken. De Wimoedes weigerden: het was huns inziens niet geoorloofd het door hun voorouders in orakeltaal uitgesprokene op schrift te stellen; ook wilden ze zich niet aan de nieuw ingevoerde keizerlijke wetten onderwerpen, als wijkende te zeer af van hun aloude zeden en gewoonten, waaraan zij bijzonder gehecht waren. De keizer stelt hen nu voor een keus, binnen zeven dagen te doen: onthoofd, levend begraven of in een stuurloos schip uitgezet worden. Ze kiezen voor het laatste.
Voor Gods weer en wind drijvend, vertelt een van de Wimoedes, met name Azing of Asega, dat hij eens in een leerrede van Willebrord gehoord had dat Jezus Christus na zijn opstanding, op het bidden van zijn in druk gezeten [in angst zittende] vrienden onder hen verschenen was, hoewel de deuren van de zaal waarin zij zich bevonden gesloten waren. Hij stelt voor dat ook zij tot Jezus bidden. En ziet: terwijl zij nog baden, vertoonde zich achter in het schip een man, rustende met zijn hand op het kromhout waarmee hij het schip bestuurde en hen alzo weer in de haven vanwaar zij uitgevaren waren terugbracht. Als nu de dertiende, met de twaalf Wimoedes, aan welke hij in uiterlijk voorkomen geheel gelijk was, aan land kwam, wierp hij het kromhout op de grond, alwaar het terstond brandde en vervolgens tot een lichtende baak voor de zeelieden werd, totdat ’t Zandt [de haven van Zeerijp] verstopte, waarop het brandende hout verdween en door eene rijke bron van heerlijk vers water vervangen werd. Doch van toen af brandde de duivel hier aan de dijk een vuur als een valse lantaarn, een groot licht, om de zeelieden te misleiden, daar dit licht bij nadering verdween. De dertiende onderwees de Wimoedes verder. Als zij nu wel onderricht waren, zagen ze de dertiende niet langer. Zij kozen het landrecht dat hun door Maria’s zoon geleerd was en deze verzameling van wetten verwierf de goedkeuring van de keizer en de paus beide, en door deze ingeving van Jezus Christus kregen de anders stijfhoofdige Friezen hun wetten overeenkomstig des keizers verlangen. Het zo gevreesde Rijpster licht is dus niet anders dan het vuur van de Boze.A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek, dl. 13 (1851), p. 123-124. thumb|Johan Dijkstra beeldde de sage in 1940 uit op een van de gedenkramen in het Academiegebouw van de Groninger universiteit. De sage is een variatie op een bekende sage over het ontstaan van het Friese recht die vanaf de veertiende eeuw is overgeleverd en al is afgebeeld op het stadszegel van Medemblik uit 1294. Hij gaat volgens sommige historici terug op de Germaanse mythologie (Fosete) en knoopt aan bij het verhaal dat Karel de Grote - volgens zijn biograaf Einhard - de wetten van al zijn onderdanen liet optekenen.Einhard, The Life of Charlemagne, hst. 29. De middeleeuwers waren dol op Karel de Grote, die als grondlegger van de Friese vrijheid werd gezien en fantaseerden er flink op los.
Het verhaal komt voor in het Ommelander Landrecht van 1448; Eggerik Beninga tekende het verhaal in de 16e eeuw op in zijn Oost-Friese kroniek en Sicke Benninge in zijn Groninger kroniek. De sage is waarschijnlijk rond 1600 aan Zeerijp gekoppeld door de Zeerijper priester, later predikant Gerardus Alberti. Diens verhalen werden voor het eerst bekend door Van der Aa in 1851. Ze kwamen uit een later verloren gegaan manuscript "betrekkelijk Zeerijp en omstreken", met aantekeningen die volgens de arts Rembertus Westerhoff "weinig om het lijf hadden en doorweven waren met spookverhalen".