thumb|right|Matthias Stom: Christus bij Kajafas (ca. 1630) Het proces tegen Jezus of verhoor van JezusEncarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "Pontius Pilatus; Kajafas; Herodes § Herodes Antipas". Microsoft Corporation/Het Spectrum. is een centrale gebeurtenis in het christendom en vormt een onderdeel van de passie van Jezus. Het verhaal vindt plaats kort na het laatste avondmaal dat Jezus hield met zijn apostelen en de arrestatie van Jezus. Het proces tegen Jezus ging volgens het Nieuwe Testament over de vraag of hij de messias (Latijn: christus) was, dan wel de "Zoon van God". Hij werd veroordeeld tot de doodstraf, eerst door het Sanhedrin en daarna de Romeinse prefect Pontius Pilatus.
De verloochening van Petrus vond plaats tijdens het proces tegen Jezus. Het verhaal over het proces wordt gevolgd door de verhalen over de kruisweg en de dood en herrijzenis van Christus.
Zoals geldt voor alle verhalen over Jezus wordt er een verschil gemaakt tussen de religieuze betekenis in het christendom en in historische zin. De eerste betekenis wordt vooral bepaald in de theologie. De historische interpretratie valt binnen de zoektocht naar de historische Jezus, door historici die gebruik maken van de historisch-kritische methode. Daarin is de consensus dat naar alle waarschijnlijkheid Pilatus Kajafas' aanklacht ontving, Jezus liet geselen en hem kort ondervroeg. Toen de antwoorden niet bevredigend waren, stuurde hij hem naar het kruis zonder er verder over te hoeven nadenken.E.P. Sanders (1993): The Historical Figure of Jesus, Penguin, pag. 273-274
Bronnen en synthese Het verhaal komt in alle vier canonieke evangeliën (Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes) voor. De verhaallijnen zijn grotendeels hetzelfde, maar de vier verslagen spreken elkaar tegen met betrekking tot de settings, de personages, de handelingen en de chronologie. Ook vertonen de evangeliën afwijkende intermezzi dan wel plot-twists.
Proces bij Kajafas of Annas thumb|300px|Jezus in het huis van Annas - (Madrazo 1803) Alle evangeliën zeggen dat Jezus na zijn arrestatie werd meegevoerd naar een vergadering van Joodse religieuze en wellicht ook seculiere leiders, die in Matteüs en Marcus het Sanhedrin genoemd wordt (vergelijk Johannes 11:47). Marcus en Matteüs zeggen dat dit plaatsvond bij het huis dan wel paleis van de officiële hogepriester Kajafas, Johannes zegt dat dit plaatsvond bij het paleis van diens schoonvader Annas, die de vorige hogepriester was maar nog steeds veel informele autoriteit uitoefende. Lucas noemt geen namen van hogepriesters.
Alle evangeliën vermelden dat de verloochening van Petrus geschiedde tijdens deze episode in het proces tegen Jezus. Marcus en Matteüs vermelden dat aan het einde, Lucas aan het begin, terwijl Johannes de twee verhalen door elkaar heen vertelt.
Proces bij Pilatus (en Herodes Antipas?) Marcus en Matteüs vertellen bijna hetzelfde korte proces dat Jezus onderging bij Pilatus, met het verschil dat Matteüs een intermezzo inlast (27:3–10) over het lot van Judas Iskariot, de apostel die Jezus uitleverde, berouw kreeg, zijn beloning van 30 zilverstukken terug de tempel insmeet en zichzelf uit spijt ophing. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit relaas significant tegenspreekt wat Handelingen 1:15–20, waarin Judas van het geld een stuk grond kocht maar ten val kwam en verongelukte. Lucas geeft een afwijkende, langere weergave van het proces bij Pilatus, waarbij Jezus tussendoor werd langsgestuurd bij Herodes Antipas omdat hij een Galileër was en daarom niet onder het Romeinse gezag van Pilatus viel; dit wordt niet beschreven door de andere evangeliën. Johannes' beschrijving van Jezus' berechting door Pilatus duurt verreweg het langst: Pilatus liep vele malen het pretorium in en uit om binnen Jezus en buiten de Joodse autoriteiten te ondervragen; hij verkeerde in grote twijfel over wat hij moest doen.
Jezus versus Barabbas thumb|Pilatus waste zijn handen in onschuld volgens Matteüs 27:24 (Hendrick ter Brugghen ca. 1620). In alle vier evangeliën wordt het proces uiteindelijk beslecht door een publieke stemming. Er was een Joods gebruik om ieder jaar met het Pesachfeest een veroordeelde misdadiger amnestie verlenen en vrij te laten (Lucas noemt dit niet expliciet). De Romeinse gouverneur, in dit geval Pilatus, had het privilege om te bepalen wie dat was. Hij liet zich hierbij 'adviseren' door de aanwezige menigte. De evangeliën spreken elkaar tegen over wie met dit idee kwam om Jezus' lot om deze manier te beslechten. Alleen in Marcus en Matteüs geeft de alwetende verteller uitleg over deze amnestiegewoonte en geeft uitleg over Barabbas als mogelijke tegenkandidaat van Jezus. Lucas laat niemand de amnestiegewoonte uitleggen, de verteller zegt alleen dat Barabbas was gevangengezet wegens een oproer in de stad en moord. Ook Marcus vermeldt dat Barabbas, samen met andere opstandelingen, veroordeeld was wegens moord tijdens een (anti-Romeinse?) opstand. In Johannes was Pilatus degene die de Joodse autoriteiten herinnerde aan het amnestiegebruik, hij repte niet over Barabbas; de verteller in Johannes zegt alleen kortaf dat Barabbas een 'misdadiger' was. In Matteüs gaat de verteller niet verder dan 'beruchte gevangene', wiens volledige naam 'Jezus Barabbas' was.
Alleen in Matteüs opperde Pilatus Barabbas als alternatief op Jezus, in de andere drie evangeliën was het de aanwezige menigte die (volgens Marcus en Matteüs op instigatie van de hogepriesters (en volksoudsten)) opperde dat Barabbas moest worden vrijgelaten in plaats van Jezus. In alle evangeliën was de gehele menigte uiteindelijk voor het vrijlaten van Barabbas en het kruisigen van Jezus; alleen Matteüs 27:19 verhaalt dat Pilatus' eigen vrouw hem smeekte om Jezus te laten gaan. Pilatus liet zich tot slot onder druk van de menigte overhalen om Barabbas amnestie te verlenen en Jezus te laten kruisigen, ook al sprak hij volgens Matteüs, Lucas en Johannes expliciet uit dat Jezus naar zijn mening onschuldig was. Met name in Johannes probeerde de gouverneur nog lang te onderhandelen met de Joodse leiders en de menigte, maar zwichtte hij toen zij dreigden de keizer bij de zaak te betrekken. In Matteüs 27:24–25 waste Pilatus ten slotte zijn handen terwijl hij tegen de menigte zei: 'Ik ben onschuldig aan de dood van deze man. Zie het zelf maar op te lossen.' (Deze symbolische daad leidde tot de Nederlandse uitdrukking 'zijn handen in onschuld wassen'), waarna de menigte terugriep: 'Laat zijn bloed ons dan maar worden aangerekend, en onze kinderen!' De synoptische evangeliën vermelden dat Pilatus Barabbas vrijliet, in het Johannesevangelie blijft het lot van Barabbas onbekend.
Jezus afgevoerd Jezus werd volgens de synoptici weggevoerd door Romeinse soldaten, maar volgens Johannes door de hogepriesters.
Matteüs en Marcus beschrijven daarna bijna dezelfde gebeurtenissen: de soldaten mishandelden en bespotten Jezus door hem te slaan, te verkleden met een doornenkroon en sarcastisch uit te maken voor 'koning van de Joden'. Een soortgelijke mishandeling en gedwongen verkleding met doornenkroon (maar zonder verbale bespotting) door soldaten vond ook plaats in Johannes, maar dit gebeurde al eerder in het verhaal, tijdens de amnestiestemming onder toeziend oog van Pilatus. In het Evangelie volgens Lucas vond er geen mishandeling door soldaten plaats direct na Jezus' terdoodveroordeling; Jezus werd alleen eerder in het bijzijn van Herodes bespot en een pronkgewaad van ongenoemde kleur (ἐσθῆτα λαμπρὰν) aangedaan, maar geen doornenkroon opgezet en niet geslagen (Lucas 23:11). Marcus en Johannes vermelden dat het een gewaad van purper (πορφύραν, πορφυροῦν ἱμάτιον) was, maar Matteüs beschrijft het als scharlakenrode mantel (χλαμύδα κοκκίνην).
De volgende scène in alle canonieke evangeliën is de Kruisweg.
Vergelijking Het proces tegen Jezus wordt verhaald in de verzen Matteüs 26:57–27:31, Marcus 14:53–15:20, Lucas 22:54–23:26 en Johannes 18:13–19:16. Het proces kan worden onderverdeeld in vier episoden: Jezus werd berecht bij de Sanhedrin (bij Kajafas of Annas); Jezus werd berecht bij Pilatus (volgens Lucas ook kort bij Herodes Antipas); Pilatus woog de stemming onder de menigte om Barabbas amnestie te verlenen en Jezus ter dood te veroordelen; Jezus werd afgevoerd door Romeinse soldaten (volgens Johannes de hogepriesters) en mishandeld en/of bespot (volgens Lucas en Johannes gebeurde dat nog voordat hij werd veroordeeld, volgens Marcus en Matteüs pas erna). In alle evangeliën fungeert de Verloochening van Petrus als intermezzo, Matteüs voegt een intermezzo toe dat het lot van Judas beschrijft.
Interpretatie Motief voor executie Volgens Amerikaans nieuwtestamenticus Bart D. Ehrman dient het proces van Jezus te worden begrepen door zijn publieke optreden als prediker te verbinden met de redenen van zijn arrestatie en de redenen waarom hij uiteindelijk ter dood veroordeeld werd. Daarin moet de rol van Judas Iskariot worden begrepen als iemand die niet alleen de Joodse autoriteiten verklapte waar Jezus zich bevond, maar wellicht dat Judas privé-informatie heeft overgeleverd die Jezus voor het publiek verborgen had willen houden. Volgens Ehrman kan dit geweest zijn dat Jezus daadwerkelijk van zichzelf geloofde dat hij de Zoon van God, de messias was en daarmee de toekomstige koning van de Joden (en/of koning van Israël), hetgeen hem in rechtstreeks conflict zou brengen met de Joodse religieuze dan wel Romeinse seculiere autoriteiten vanwege godslastering respectievelijk rebellie. Jezus noemde zichzelf echter nooit zo tijdens zijn publieke optredens; in Marcus 8:29–30 suggereerde Petrus dat Jezus daadwerkelijk de messias was, maar Jezus verbood de discipelen hierover te spreken. Desondanks kan Jezus hebben gedacht dat hij de messias was. Zo suggereerde Jezus dat zijn twaalf discipelen de twaalf stammen van Israël zouden regeren en dat hij over zijn discipelen zou regeren zoals hij nu al deed. Als Judas dergelijke doctrines van Jezus had doorgespeeld aan de hogepriesters, dan was dat voldoende om Jezus ter dood te veroordelen (wat zij al sinds de Tempelreiniging wilden). Tijdens het proces werden deze beschuldigingen tegen Jezus ingebracht en hij kon ze niet ontkennen (in Marcus 14:61–62 bevestigde Jezus zelfs rechtstreeks dat hij de messias was), hetgeen leidde tot zijn executie.
Verhouding tussen Joodse en Romeinse autoriteiten Een belangrijk historisch vraagstuk blijft waarom Jezus werd gearresteerd door de Joodse religieuze autoriteiten – de Sanhedrin onder leiding van hogepriester Kajafas en zijn vader Annas – maar geëxecuteerd door de Romeinse staatsautoriteiten – de gouverneur Pontius Pilatus. Volgens Ehrman zou het 'niet godslasterlijk' zijn geweest dat Jezus in Marcus 14:61–62 bevestigde dat hij de messias was, maar wel dat hij zei dat 'de Mensenzoon binnenkort uit de wolken van de hemel zou komen', ook al zei Jezus niet expliciet over zichzelf dat hij de Mensenzoon was; dat is slechts de aanname van Marcus. Een andere reden dan blasfemie was dat Jezus mogelijk een rel of zelfs een opstand tegen de bestaande Joods–Romeinse orde wilde ontketenen tijdens Pesach (zoals in de loop der jaren al vaak was gebeurd) en dat een dergelijk risico meteen in de kiem gesmoord diende te worden. Dat de Joodse autoriteiten de zaak doorverwezen naar Pilatus in plaats van hem zelf af te handelen kan zijn geweest uit gehoorzaamheid, uit angst dat sympathie voor Jezus onder de bevolking (indien die breed gedragen was, wat onduidelijk is) zou kunnen omslaan in vijandigheid jegens de Joodse autoriteiten (die daarom liever de verantwoordelijkheid op de Romeinen wilden afwentelen), of omdat de Joodse autoriteiten niet het recht hadden om zelf de doodstraf uit te voeren (zoals Johannes 18:32 beweert) en dus de Romeinse autoriteiten moesten overtuigen om de doodstraf voor hen uit te voeren.
Schuldvraag