De Brusselsestraat (Limburgs: Breuselestraot) is een straat in het centrum van de Nederlandse stad Maastricht. De huidige naam, verwijzend naar de stad Brussel, is pas sinds de 18e eeuw in zwang. De ongeveer 500 meter lange straat telt 70 rijksmonumenten en kent een grote variatie aan winkels en woon- en werkpanden.
Ligging, verkeer en inrichting De straat ligt in het westelijk deel van het Maastrichtse stadscentrum en vormt daar de grens tussen de buurten Statenkwartier en Kommelkwartier.De straat zelf behoort in zijn geheel bij het Statenkwartier; de aangrenzende percelen worden tot de genoemde buurten gerekend. Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), p. 48. De straat loopt min of meer van oost naar west tussen de Grote Gracht en het Koningin Emmaplein. Aan de oostzijde ligt het beginpunt bij de splitsing van de Oude Tweebergenpoort en de Grote Gracht. Het Koningin Emmaplein aan de westzijde is een druk verkeersplein, waar de Brusselsestraat, de Hertogsingel, de Sint Annalaan en de Statensingel bijeen komen. De Brusselsestraat heeft acht zijstraten: aan de zuidzijde de Kommel, de Kruisherengang, het Herdenkingsplein, de Jekerstraat en de Sint Nicolaasstraat, en aan de noordzijde de Cellebroedersstraat, de Zakstraat en de Herbenusstraat. De Cellebroedersstraat is niet toegankelijk voor het gemotoriseerd verkeer en is 's nachts afgesloten. De weg die vanaf de Brusselsestraat naar het Beyartterrein leidt is geen openbare weg.
De Brusselsestraat is vanouds een van de hoofdstraten in het centrum van Maastricht en vervult ook nu nog een belangrijke verkeersfunctie. In het smallere deel is eenrichtingverkeer ingesteld in de richting van het Koningin Emmaplein (geldt niet voor fietsers). Aan de zuidzijde is een fietssuggestiestrook aangebracht. Tussen de Jekerstraat en de Hertogsingel wordt de straat geleidelijk breder en is verkeer in beide richtingen toegestaan. Hier en daar is (betaald) parkeren op een gedeelte van de stoep mogelijk; in de bredere delen zijn parkeervakken voor dwars- of schuinparkeren ingericht, afgewisseld met bomen. Het wegdek bestaat uit kasseien, die zoals in de meeste centrumstraten in Maastricht in een waaiervormig patroon zijn gelegd. De stoepen zijn geplaveid met diagonaal gelegde natuurstenen tegels; alleen in het meeste westelijke deel liggen betonnen stoeptegels.
Geschiedenis De Brusselsestraat en de daarop aansluitende Brusselseweg, alsmede de buurt Brusselsepoort en het winkelcentrum Brusselse Poort, zijn alle genoemd naar de stad Brussel, tot 1794 de hoofdstad van het hertogdom Brabant, waartoe ook Maastricht (ten dele) behoorde. De Brusselsestraat leidde via de middeleeuwse Brusselsepoort naar de grote handelsweg in de richting van Vlaanderen, via Brussel.Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), p. 43: 'Brusselsestraat'.
Romeinse tijd Archeologische opgravingen hebben aangetoond dat de Brusselsestraat in de Romeinse tijd onderdeel was van de hoofdweg van Keulen (Colonia Claudia Ara Agrippinensium) via Tongeren (Atuatuca Tungrorum) naar Boulogne-sur-Mer (Gesoriacum). Sinds omstreeks 2000 wordt deze heerweg aangeduid als Via Belgica. Vanaf de Romeinse brug van Maastricht leidde de weg via de Grote Staat en langs de noordzijde van het Vrijthof naar de huidige Brusselsestraat. De weg was gelegen buiten de bebouwde kom van Romeins Maastricht (Mosa Trajectum).De naam Mosa Trajectum wordt pas vanaf de middeleeuwen in de bronnen genoemd. Of dat ook werkelijk de naam van de Romeinse nederzetting was, is niet bekend. Een deel van de westelijke begraafplaats lag langs het oostelijk deel van de straat. Bij een kleinschalige opgraving in het pand Brusselsestraat 68 werd in 1980 een brandgraf uit de tweede helft van de 2e eeuw gevonden.Panhuysen (1996), pp. 22, 65 (met name noot 246).
Middeleeuwen
De Brusselsestraat werd in de middeleeuwen 'Tweebergen' of 'Tweebergenstraat' genoemd (Latijn: Duobus Montibus). De straat vormde de kern van de heerlijkheid Tweebergen, het gebied buiten de Tweebergenpoort aan weerszijden van de oude Romeinse heerweg.Ubachs/Evers (2005), p. 102: 'Brusselsestraat'. In de gecompliceerde staatkundige verhoudingen van het tweeherige Maastricht was Tweebergen een van de elf banken van Sint-Servaas, aanvankelijk behorend tot het bezit van het Sint-Servaaskapittel. Het bestuurscentrum van de heerlijkheid was de Hof van Tweebergen (genoemd in 1070), die ergens halverwege de straat lag. Vanaf 1232 werd dit gebied, dat toen nog buiten de ommuurde stad lag, rechtstreeks door de proosten van Sint-Servaas bestuurd, zonder tussenkomst van het kapittel.
Vanaf circa 1300 werd het gebied, waar zich al enkele huizen en boerderijen bevonden, door de bouw van de tweede middeleeuwse stadsmuur bij de ommuurde stad gevoegd. De Brusselsestraat werd nu een stadsstraat, gelegen tussen de Oude en Nieuwe Tweebergenpoort. Die laatste werd in 1427 herbouwd en kreeg later de naam Brusselsepoort.Schaepkens van Riemst (1907), pp. 103-104. De oude poort behield tot de 17e eeuw een secundaire functie bij de verdediging van de stad. De poort deed tevens diens als leube (gildekamer) van het ambacht der leemplakkers (stukadoors).Schaepkens van Riemst (1907), pp. 225-228.
In het gebied tussen de twee stadsmuren was ruimte voor onder andere nieuwe kloosters en andere geestelijke instellingen, zoals het Sint-Nicolaasgasthuis. De eerste schriftelijke vermelding van dit gasthuis dateert van 1265, dus nog vóór de bouw van de tweede muur. Het lag op de hoek van de Kommel en de Brusselsestraat en was afhankelijk van het Sint-Servaaskapittel. In 1584 werd het gasthuis opgeheven wegens bouwvalligheid. De kapel bleef in gebruik als kerspelkapel.Ubachs/Evers (2005), p. 370: 'Nicolaasgasthuis, Sint-'. In de 14e eeuw was er nog een andere (kerspel)kapel in Tweebergen, maar over de exacte ligging is niets bekend. De kapel was gewijd aan de heilige Maria Magdalena en Agnes. In 1316 was Theodoricus er rector; in 1358 was Theodoricus de Wilre kapelaan. De laatste vermelding dateert uit 1404.Schaepkens van Riemst (1907), pp. 108-112.
Het Cellebroedersklooster werd omstreeks 1350 gesticht door de Alexianen. Het bescheiden klooster aan de noordzijde van de Brusselsestraat bestond waarschijnlijk aanvankelijk slechts uit losse huisjes (cellae). De kloosterkapel werd kort na 1500 gebouwd. De broeders hielden zich onder andere bezig met het verzorgen van zieken en krankzinnigen. In 1476 vestigde zich op een steenworp afstand van dit klooster een aantal tertiarissen van het franciscanessenklooster uit Peer. Door hun biechtvader Gerard de Bruin was hen het Huis De Beyart aangeboden. In 1485 en 1490 bevestigde de bisschop van Luik, Johan van Horne, de zelfstandigheid van het nieuwe klooster, dat Dal van Josephat of Beyart werd genoemd. De kloosterkerk werd in 1510 ingewijd. De 10 tot 20 zusters van Josephatsdal kwamen uit de gegoede kringen in Maastricht en omgeving en hielden zich, naast hun religieuze taken, bezig met weven.Ubachs/Evers (2005), pp. 178-179.
Ancien régime Vanaf de 16e eeuw werd de vesting steeds verder uitgebouwd, aanvankelijk met rondelen of bolwerken bij de stadsmuur, later met buitenwerken. Ook bij de Brusselsepoort was dat het geval, waarbij de veldzijde van de poort in 1686 door de bouw van het gelijknamige bastion grotendeels aan het oog onttrokken werd en de poortdoorgang aanzienlijk werd verlengd.Vanwege dat laatste stonden er regelmatig files voor de poort en werd deze later dan de andere poorten gesloten.Morreau (1979), p. 90.
De kloosters hadden door hun ligging dicht bij de westelijke stadsmuur veel te lijden van belegeringen, met name in 1579, 1632 en 1794. Bij het beleg van 1794 werd het Beyartklooster dusdanig vernield dat de 15 koorzusters en vier werkzusters gedwongen waren hun intrek te nemen in een aantal huizen aan de Brusselsestraat.
Begin 17e eeuw waren de meeste huizen in Maastricht nog opgetrokken uit houten vakwerk met een vlechtwerk van takken en leembepleistering. Wel hadden veel huizen scheidswanden van baksteen of mergel. In 1612 ging bij een stadsbrand een groot deel van de Brusselsestraat in vlammen op. Ongeveer 42 huizen tussen de Kommel en de Jekerstraat, inclusief de Sint-Nicolaaskapel, werden verwoest.Ubachs/Evers (2005), p. 92: 'brand'. De kapel werd verderop in de straat herbouwd, maar de exacte locatie is niet bekend. Blijkbaar duurde het lang voordat de straat zich van deze ramp hersteld had, want in 1655 werd bepaald dat de eigenaren van onbebouwde percelen deze moesten bebouwen, anders zou het perceel per opbod worden verkocht.Schaepkens van Riemst (1907), p. 115.
In de 18e eeuw lagen er verschillende adellijke woonhuizen in de Brusselsestraat, waarvan er enkele bewaard zijn gebleven. De Refugie van Sint-Gerlach, het refugiehuis van het adellijke klooster Sint-Gerlach in Houthem, was van 1731 tot 1771 op nr. 77 gevestigd.De oorspronkelijk Refugie van Sint-Gerlach was een woontoren uit 1377 in de Stokstraat, waar nog delen van over zijn. In 1771 verkochten de Houthemse stiftsdames het aan Hendrik Nypels, die de huidige gevel liet optrekken. Later werd het pand bewoond door de familie De Stuers; in 1843 werd Victor de Stuers hier geboren. Boogard/Minis (2001), p. 94; Ubachs/Evers (2005), p. 192: 'Gerlach, refugie van Sint'. In 1761 ontplofte een ondergronds kruitmagazijn in de nabije kat Brandenburg, waarbij 21 doden vielen. Daaronder waren enkele prominente bewoners van de Brusselsestraat: prinses Frederika van Hessen-Philippsthal (de dochter van landgraaf Filips van Hessen-Philippsthal) en de freule de Selys-Fanson met huisgenoten.
Moderne tijd De komst van de Fransen in 1794 bracht grote veranderingen met zich mee. In 1797 werden alle Maastrichtse kloosters opgeheven. Ook de zusters van de Beyart en de cellebroeders waren gedwongen hun kloosters te verlaten. Beide terreinen kwam in bezit van het Burgerlijk Armbestuur, dat in het Cellebroedersklooster een gasthuis ("infirmenhuis") begon. Van 1822 tot 1924 was hier de lommerd gevestigd. In 1940 werd een deel van het klooster afgebroken; in 1954 volgde de rest. De kapel bleef bewaard en is van 1963 tot 1966 ingrijpend gerestaureerd.
thumb|left|Zoutziederij van Seidlitz (tekening Philippe van Gulpen, ca. 1850) De zoutraffinaderij achter het pand Brusselsestraat 87 heeft mogelijk twee eeuwen of langer gefunctioneerd. In 1797 kochten Jan Cazeau en diens schoonzoon Maximiliaan den Appel de bestaande zoutziederij. In 1825 erfde Sophia Cazeau, die getrouwd was met Willem Jacob Strengnart, het bedrijf. In deze periode was Hubert Seidlitz bedrijfsleider. In 1871 kocht de brouwerszoon Joseph Marres de fabriek. Onder zijn leiding en die van zijn zonen breidde de raffinaderij verder uit tot zes zoutpannen. In 1957 werd de productie stopgezet, waardoor 89 werknemers hun baan verloren.'Zoutziederij Jos Marres 1870-1957 Brusselsestraat' op website marres.nl. Begin jaren 1990 werd het terrein herontwikkeld naar plannen van de stedenbouwkundige Rein Geurtsen (met o.a. woningen ontworpen door Erick van Egeraat) en kreeg daarna de naam Herdenkingsplein.Bisscheroux/Minis/Van den Berg/Humblé (1997), p. 29.