thumb|De versierde kerk "de peperbus" in het centrum

Krabbegat is de carnavalsnaam van Bergen op Zoom gedurende de Bergse Vastenavend. Vastenavend, zoals de viering van Carnaval in de stad wordt genoemd, heeft in Bergen op Zoom een eigen karakter en stijl. Deze stijl komt voort uit het Bourgondische carnaval, gevierd in West-Brabant, dat verschilt van de Rijnlandse variant, die onder meer in Maastricht gevierd wordt.

De naam 'het Krabbegat' zou terug kunnen slaan op de 'Meekrap', een plant die vroeger werd gebruikt als grondstof voor de rode kleurstof alizarine en veel geteeld werd in Bergen op Zoom. Het symbool van het Krabbegat is echter niet de plant, maar het dier dat in de uitspraak identiek daaraan is: de krab. Een inwoner van Krabbegat wordt een Krab genoemd.

Geschiedenis Middeleeuwse feesten (1413-1580) De eerste schriftelijke vermelding naar de Bergse Vastenavend dateert uit 1413, toen het stadsbestuur een muzikant betaalde voor een optreden tijdens het vastenavendfeest. Hoewel er door de stadsbrand van 1397 geen schriftelijke bewijzen zijn voor het vieren van het vastenavendfeest voor 1413 wordt aangenomen dat ook voor deze tijd al sprake was van festiviteiten.

Uit tekeningen en archiefmateriaal blijkt dat het stadsbestuur rond het eind van de 15e eeuw ieder jaar feestmalen rond de vastenavendviering organiseerde. Onder het bewind van Heer van Bergen Jan II van Glymes werden grote feesten georganiseerd, waarbij ieder jaar een of meerdere personen die van groot belang waren voor de stad werden uitgenodigd. Hieronder vielen onder anderen de bisschop van Luik, leden van de Raad van Brabant en de courtmeester van Engeland. De maaltijden werden opgeluisterd met voorstellingen door het rederijkersgilde 'De Vreugdebloeme', die hun gasten op humoristische wijze bezighielden. Hoewel 'De Vreugdebloeme' pas vanaf 1497 een gilde vormde, werd er in 1475 al verwezen naar een vastenavendoptreden van het gezelschap.

Veel discussie is er omtrent het bestaan van de Blauwe Schuit. Hierover zou in 1413 door de dichter Jacob van Oestvoren melding zijn gemaakt. Hoewel er geen archiefmateriaal over bestaat en de datering van het gedicht mogelijk vervalst is, suggereren verschillende publicaties dat er een blauw geverfde boot op wielen door de straten van Bergen op Zoom reed. Zeker is dat deze Blauwe Schuit in 1534 opnieuw werd geverfd en voorzien van wapenschilden. Sinds 1946 rijdt er bovendien opnieuw een Blauwe Schuit door de Bergse straten tijdens de vastenavend.

In de eerste helft van 16e eeuw kreeg het Bergse stadsbestuur steeds meer financiële problemen. In 1530 werd besloten dat het bestuur niet langer de maaltijden voor het vastenavendfeest zou bekostigen.

De protestantse periode (1580-1795) Met de hervormingen van 1580 kwamen de vastenavendvieringen in zwaar weer terecht. Hoewel de protestantse kerk aanvankelijk nog wel enige aan vastenavend gerelateerde activiteiten toestond werd veelvuldig geprobeerd de festiviteiten de kop in te drukken. Aan het begin van de 17e eeuw werd het dragen van maskers op straffe van 6 gulden verboden. In 1646 merkte het stadsbestuur weer vele overtredingen op en in de decennia hierna werden de verbodsbepalingen meerdere malen opnieuw uitgevaardigd. In 1726 werden naast het dragen van maskers alle vastenavendactiviteiten verboden, met een geldboete van 25 gulden voor iedere overtreder.

Hoewel het vieren van vastenavend op straat dus verboden werd, bleek het stadsbestuur maar moeilijk in staat de festiviteiten echt de kop in te drukken. Bovendien wordt aangenomen dat vastenavend binnenshuis gewoon gevierd werd.

Negentiende-eeuwse bals (1795-1900) Met de komst van de Franse bezetting in 1795 keerde de vastenavend weer langzaam terug in het openbare leven. Zo was het vanaf het begin van de 19e eeuw niet langer verboden om verkleed de straat op te gaan, al werd dit alleen toegestaan op de maandag en dinsdag voor Aswoensdag en mocht men zich niet verkleden als soldaat of geestelijke.

De viering van vastenavend in deze periode werd grotendeels beïnvloed door de hoveniers. Deze trokken met vrolijk versierde karren naar de stad en reden daar, vergezeld door verscheidene muziekgroepen, een rondje. Bovendien richtten de hoveniers in de periode vanaf 1820 zogenaamde Teerclubjes op. Dit waren een soort van spaarverenigingen, waarbij verschillende hoveniers elkaar na de zondagsmis in hun stamcafé troffen. Tijdens deze bijeenkomsten stopte iedere hovenier een paar centen in een kastje. Rond de vastenavend werden deze kastjes geleegd en werd het geld gebruikt voor het bekostigen van een feestavond.

Deze feestavonden, die tot wel drie weken voor de vastenavend gehouden konden worden, stonden voor het grootste gedeelte in het teken van de gemaskerde bals. Hiervoor diende vaak entreegeld betaald te worden, waarvan het gebruikelijk was dat een gedeelte naar een goed doel zou gaan. De gemaskerde bals waren over het algemeen vrij deftig: er werd gestijldanst, klassieke muziek gespeeld en wijn en punch gedronken. Bovendien werden er op deze feesten vaak verschillende komische sketches opgevoerd.

In deze periode, omstreeks 1890, ontstond ook de term ‘dweilen’ (verkleed en zingend op straat). Deze term kwam voort uit de verschillende gemaskerde groepen die al zingend van bal naar bal trokken en hierbij niet zelden een straatoptreden verzorgden van een komische act. Door het grote aantal bals werd ook dit op den duur een veel geziene en goed gewaardeerd onderdeel van de vastenavend.

Op 26 februari 1895 werd de eerste georganiseerde optocht gehouden, die werd verzorgd door de een jaar eerder opgerichte Vereniging tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer voor Bergen op Zoom en Omstreken. De optocht werd verzorgd door 300 man, 10 wagens en 15 paarden en werd geopend door de voor het eerst aanwezige Prins Carnaval.

Eerste helft 20ste eeuw (1900-1945) Vanaf 1905 kwam de organisatie van de optocht in het slop en verdween de optocht in zijn geheel. Tijdens de Eerste Wereldoorlog en de periode daarna werd het dragen van maskers en het organiseren van openbare bals bovendien verboden. Wel bleven enkele besloten bals bestaan.

Pas in 1920 werd het vieren van vastenavend weer (deels) toegestaan. Men mocht zich op de maandag en dinsdag weer verkleden, al was het verboden gekleed te gaan als iemand van het andere geslacht. Dit leidde in 1930 zelfs tot een gerechtelijk proces tegen enkele vrouwen die waren aangeklaagd door de Rooms-katholieke deken, hoewel de vrouwen uiteindelijk niet veroordeeld werden. De periode tussen de twee Wereldoorlogen werd gekenmerkt door een grote discussie over het wel of niet vieren van de vastenavend. In de gemeenteraad waren er verscheidene voorstanders voor een verbod op de vastenavendsviering, zoals die er ook in veel andere steden was. Een groot voorstander in de discussie was de Bergse schrijver Willem Asselbergs die in 1928 onder zijn pseudoniem Anton van Duinkerken het boek “De Verdediging van Carnaval” schreef, waarmee hij op flinke kritiek kon rekenen van de katholieke overheid. Het boek werd in de meeste plaatsen verboden.

De vastenavend in Bergen op Zoom werd na de Eerste Wereldoorlog voornamelijk georganiseerd door een comité van de toneelvereniging Tot Ons Genoegen (TOG), dat ook wel de bijnaam “de leutige ploeg” had. Dit comité organiseerde de intocht en optocht en koos de prins en zijn gezelschap. Van 1922 tot 1939 werd de rol van Prins vertolkt door S. Warringa, die op zaterdagmiddag van het station werd opgehaald en in een door paarden getrokken wagen met daarop een grote krab naar de Grote Markt werd vervoerd. Aldaar gaf de Gròòtste Boer een toespraak.

Met het begin van de Tweede Wereldoorlog kwam aan alle festiviteiten een abrupt einde. Hoewel in 1939 nog een verzoek werd ingediend tot het houden van een intocht en optocht, is hier nooit een reactie op gekomen. Het dragen van maskers, maar ook het maken van muziek op straat was bovendien verboden. Wel werd achter gesloten deuren nog vastenavend gevierd.

Vastenavend na de Tweede Wereldoorlog (1946-heden) Direct na de oorlog laaide de discussie voor het wel of niet vieren van vastenavend weer op. Er werd een initiatiefcommissie opgericht onder leiding van Kees Becht. Na moeizaam overleg met de gemeente en de katholieke overheid kreeg het comité toestemming tot het organiseren van het feest. Hiervoor moest het comité echter wel komen met de aanbevelingen van 40 Bergenaren ter goeder naam en moest er een goede organisatievorm gekozen worden. De Stichting Vastenavend kon uiteindelijk in januari 1946 opgericht worden.

Omdat veel tegenstanders bang waren dat het feest uit de hand zou lopen stelde de Stichting Vastenavend bovendien een manifest op. Hierin stond hoe vastenavend vanaf dan gevierd zou worden. Dit manifest is nog steeds de basis voor de Bergse vastenavend. Op 2 maart 1946 werd Prins Nilles 1, de eerste naoorlogse prins, op een traditionele Bergse vissersschuit de stad in gevaren. Op een arrenslee werd de prins naar het stadhuis gereden, alwaar hij van de burgemeester van Bergen op Zoom de sleutel van de stad ontving. Het was voor het eerst in vijfhonderd jaar dat het stadsbestuur zich met de vastenavend bemoeide. Diezelfde dag werd bovendien de kreet “Agge mar leut et” (Als je maar plezier hebt) de Bergse vastenavendgroet, waarbij de duim van de uitgespreide (toen nog) rechterhand tegen de neus wordt gehouden, gepresenteerd.

thumb|Wagen "DE BLAUWE SCHUIT"door Louis Weijts (1946) In 1946 deed de "Blauwe Schuit" zijn intrede in de optocht en rijdt tot op heden elk jaar mee.

(Illustratie uit 1946 van Louis Weijts (1905-1995), die vele wagens en prinsenwagens ontworpen heeft tot 1973).

In de jaren na de oorlog werden steeds meer onderdelen toegevoegd aan de vastenavendsviering. Zo ziet politiefiguur Steketee in 1949 het levenslicht en wordt sinds 1948 het Neuzebal gevierd.

In 1953 werd de Vastenavend, uit solidariteit met de slachtoffers van de Watersnoodramp, afgelast. Ingezamelde gelden werden gebruikt om de slachtoffers van de ramp te helpen. De kreet “Agge mar leut et” is dat jaar omgezet in “Agge mar goed doet!”. Ook de netto-opbrengsten van de adverteerders in de in dat jaar uitgegeven aangepaste editie van de Vastenavendkrant werden afgedragen aan de actie “Agge mar goed doet!”.

Personages De Bergse Vastenavend kent enkele prominente figuren die een hoofdrol spelen in de festiviteiten. Hoewel officieel gezien alle figuren ieder jaar opnieuw moeten worden gekozen is dit meestal een formaliteit: alle personages kunnen aanblijven zo lang ze willen.

De verschillende gekozen personages worden op 11 november aan het publiek voorgesteld. Ze zijn dan echter nog niet gekleed in hun kostuum, maar dragen een boerenkiel en de prins draagt een zuidwester. Pas vanaf de intocht en tot de sluiting worden de echte kostuums gedragen.

De Prins De Prins neemt als leider van Krabbegat de hoofdrol in het vastenavend vieren voor zijn rekening. Hij dient de krabben te leiden in de Vastenavendviering. De prins ontvangt tijdens de vastenavend de sleutel van de stad en is daarmee het hoogste gezag in de stad. Iedere prins kiest na zijn verkiezing de naam die hij wil dragen.

De kleding van de Bergse prins laat zich kenmerken door verschillende elementen. Het kostuum bestaat uit een pak met witte en rode strepen met daarop het wapen van de stad, een rode mantel, witte laarzen, een wit masker dat de ogen en neus bedekt, een ketting met een grote gouden krab en een kroon die in zes punten uitsplitst.

Volgens het officiële verhaal van de vastenavend woont de prins in het Slikpeleis (Slikpaleis), dat zich ergens onder water in de Schelde bevindt. De prins wordt bovendien altijd afgebeeld als het meest wijze personage van de vastenavend.

De Nar