Constantijn Huygens (Den Haag, 4 september 1596 – aldaar, 28 maart 1687) was een Nederlandse dichter, diplomaat, geleerde, componist, architect en polyglot.
Huygens staat bekend als een van de grootste dichters uit de Gouden Eeuw. Hij was tevens secretaris van twee prinsen van Oranje: Frederik Hendrik en Willem II.Groenveld, S. "'Een out ende getrouw dienaer, beyde van den staet ende welstant in 't huys van Oragnen'. Constantijn Huygens (1596-1687), een hoog Haags ambtenaar", in: Holland, 20.1 (feb. 1988), p. 3-32. In Voorburg liet hij het nog steeds bestaande buiten Hofwijck bouwen, bedoeld om even bij te kunnen komen van de Haagse politiek.
Huygens bespeelde verschillende instrumenten (luit, gitaar, viola da gamba en klavecimbel) waarvoor hij een groot aantal werken schreef. Muziek vond hij belangrijker dan zijn letterkundige werken, die hij volgens eigen zeggen in zijn weinige vrije tijd schreef.
Constantijn Huygens hield zich ook bezig met parfumerie. Hij experimenteerde met geuren en benaderde parfumerie als wetenschap, waarbij hij het ook inzette om zijn sociale en intellectuele netwerk te versterken.
Hij was de vader van de staatsman en natuurkundige Constantijn Huygens jr. en de geniale natuur- en wiskundige Christiaan Huygens. Hij deelt een graf met zijn zoon Christiaan in de Grote Kerk in Den Haag.
Naar Huygens is een literaire prijs genoemd, de Constantijn Huygens-prijs en het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.
Biografie Jeugdjaren thumb|Constantijn Huygens en zijn secretaris, geschilderd door Thomas de Keyser in 1627, met rechtsboven een schilderij van Jan Porcellis. Constantijn Huygens werd geboren op 4 september 1596 te 's-Gravenhage, als tweede zoon van Christiaan Huygens (senior) – secretaris van de Raad van State – en Susanna Hoefnagel, een zuster van de Antwerpse schilder Joris Hoefnagel. De naam Constantijn verwijst naar de constantia, de standvastigheid van de stad Breda in de vrijheidsstrijd (Constantijns peetoom was burgemeester van Breda). Constantijns moeder Susanna kwam uit Antwerpen. In zijn komedie Trijntje Cornelis (1653) gaf Huygens het Antwerps, dat hij kende van zijn moeder in zijn jeugd en de latere bezoeken aan Antwerpen, zeer fraai en treffend weer.
Muziek Constantijn kreeg een gedegen opvoeding en ontpopte zich al vroeg als een begaafd kind. Zijn vader had zo zijn eigen opvattingen over educatiemethoden en hield zijn kinderen thuis om ze daar deels door hemzelf, deels door zorgvuldig geïnstrueerde gouverneurs, te laten onderwijzen. Vanaf Constantijns vijfde jaar kregen hij en zijn broer Maurits muziekonderricht. Ze begonnen met zanglessen en leerden noten lezen met behulp van goudkleurige knopen op hun jasjes. Opvallend is dat Christiaan sr. de jongens het 'moderne' systeem van zeven notennamen bijbracht, in plaats van de traditionele maar veel ingewikkeldere hexachorden. Twee jaar later begonnen de eerste lessen op de viola da gamba. Daarna volgden de luit en het klavecimbel. Met name voor het luitspel legde Constantijn een uitzonderlijk talent aan de dag. Reeds op zijn elfde werd hem gevraagd luit te spelen voor een groep Deense gezanten; in 1618, op zijn eerste diplomatieke reis, speelde hij voor koning Jacobus I van Engeland.
Talen Het lezen en schrijven en vreemde talen leren de kinderen van Christiaan en Susanna spelenderwijs. Frans krijgen zij onder de knie door gebeden op te zeggen in het Frans en het spreken in het Frans leerden zij van gevluchte Franse hugenoten.Aldersey, Een eeuw van licht, het leven van Christiaan Huygens, pag. 58 Daarnaast leerde hij Latijn en op latere leeftijd Italiaans en Engels. Verder bleek hij een uitstekend rekenaar en schrijver. Op zijn elfde schreef hij zijn eerste Latijnse versjes. Hij bestudeerde de klassieke schrijvers, maar zijn ouders waakten ervoor dat hij een boekenwurm zou worden. Het praktisch doel, de vorming tot een welopgevoed staatsburger, stond voorop. Daarom leerde hij eveneens paardrijden, schermen, tekenen en boetseren. Deze stimulans tot zelfontplooiing kwam gedeeltelijk voort uit het humanistische gedachtegoed, maar vooral uit het calvinistische, dat ontplooiing van de door God gegeven talenten nastreefde.
Broer en zusters Naast zijn broer Maurits had Constantijn vier jongere zusters, Elisabeth (overleden 1612, veertien jaar oud), Catharina (overleden 1618, zeventien jaar oud), Geertruyd (drie jaar jonger dan Constantijn) en Constantia (zes jaar jonger dan Constantijn).
Eerste gedicht thumb|Gedicht Dromen van Huygens op een muur in Den Haag In de periode van het Twaalfjarig Bestand volgde Constantijn onderwijs in wiskunde, rechten en logica en leerde hij daarnaast omgaan met piek en musket. In 1614 kreeg hij les van Pieter de Vooys op het spinet. Eveneens in 1614 schreef hij zijn eerste Nederlandse gedicht, geïnspireerd door de Franse dichter Du Bartas, waarin hij het boerenleven prijst.
Eerste liefde Op zijn negentiende kreeg Huygens een verhouding met Dorothea van Dorp, een vier jaar oudere vrouw uit Den Haag. De relatie kwam in 1616 tot een einde toen Dorothea verliefd werd op een ander. Enkele jaren later zou opnieuw een hechte vriendschap ontstaan tussen Huygens en Van Dorp, maar het kwam ook toen niet tot een huwelijk.
Studie In 1616 trokken Maurits en Constantijn naar de academie in Leiden, waar zij zich lieten inschrijven voor de studie rechten. Hun studie was vooral bedoeld om maatschappelijke contacten te leggen die hen later zouden kunnen helpen bij het opbouwen van een loopbaan. Maurits werd al spoedig teruggeroepen om zijn zieke vader te assisteren bij zijn werkzaamheden als secretaris van de Raad van State. Constantijn rondde zijn studie af in 1617 en keerde daarna terug naar Den Haag.
In 1618 volgde Constantijn een korte stage (zes weken) bij Athonis de Hubert, een advocaat in Zierikzee. De Hubert was iemand die zeer begaan was met de taal en letteren. Hij pleegde bijvoorbeeld in 1623 overleg met Hooft, Reael en Vondel over taal en spelling.
Jong diplomaat In het najaar van 1618 kreeg Constantijn een plaats in het gevolg van Dudley Carleton, de Engelse gezant bij de Staten, die voor korte tijd naar Engeland ging. Ook Jacob de Gheyn reisde mee. In de zomer verbleef Huygens in Londen in de woning van de Nederlandse ambassadeur Noël de Caron. Daar leerde hij veel mensen kennen en kon hij zijn Engels oefenen.
thumb|Panorama vanaf het platform onder de torenspits van Straatsburg. Huygens klom nog hoger. thumb|Huygens in de jaren 30, een kopergravure van de Vlaamse kunstenaar Paulus Pontius In 1620, tegen het eind van het Bestand, reisde Huygens als secretaris van ambassadeur François van Aerssen mee naar Venetië. De heenreis liep via Nijmegen, Heidelberg, Tübingen, Schaffhausen, Zürich, de Splügenpas, Verona en Vicenza en duurde zeven weken. Hij was verrukt van het Teatro Olimpico en andere gebouwen, ontworpen door Andrea Palladio. Het gezelschap voer met een boot over de Brenta. Het doel van deze missie was evenwel het verwerven van protestantse steun in de oorlog tegen Spanje en het verleggen van de militaire aandacht naar Duitsland. Huygens had zijn functie binnen het gezantschap mede te danken aan zijn talenkennis. Hij maakte een goede indruk op de doge Antonio Priuli. Huygens had graag kennisgemaakt met de geleerde monnik Paolo Sarpi, om hem persoonlijk een brief te overhandigen afkomstig van Daniël Heinsius, maar Sarpi weigerde stappen te ondernemen waar hij later op zou kunnen worden aangesproken. Huygens ging wel op bezoek bij de kunsthandelaar Daniël Nijs om diens collectie klassieke standbeelden te bewonderen. Hij hoorde in een kerk muziek die werd uitgevoerd door vier teorben, twee cornetten, twee fagotten, twee violen, een contrabas, een orgel en een koor van tien of twaalf stemmen onder leiding van de wijdvermaarde Claudio Monteverdi. Huygens bleek een durfal en beklom op de terugweg de spits van de toren van de kathedraal van Straatsburg (142 meter) aan de buitenkant.
Een jaar later reisde hij als secretaris van zes gezanten van de Staten naar Engeland. In oktober 1622 werd hij door koning James I tot ridder geslagen.
Eerste gepubliceerde dichtwerken In 1617 verscheen voor het eerst een gedicht van Huygens in druk: Larmes sur la Mort de feu Monsieur Maurice de Nassau, een rouwklacht over de dood van Maurits van Nassau jr. (1604-1617), een buitenechtelijke zoon van Prins Maurits van Oranje en Margaretha van Mechelen. In 1619 kwam Huygens in contact met Anna Roemers Visscher en Pieter Cornelisz Hooft. Met Anna wisselde Huygens heel wat gedichten. In 1621 ontstond er ook een gedichtenuitwisseling met Hooft. Beide dichters probeerden elkaar te overtreffen.
In zijn jeugd had Huygens voornamelijk gedichten geschreven in de Latijnse en Franse taal. De Zeeuwse dichter Jacob Cats stimuleerde hem te dichten in het Nederlands. In oktober 1621 stuurde Huygens een lang gedicht aan Cats, Batava Tempe. Dit werk was een lofzang op zijn geboorteplaats Den Haag en meer in het bijzonder op het Voorhout, waar hij woonde. In december begon hij aan een ander lang dichtwerk, ’t Kostelick Mal, een bijtende satire op de dwaasheid van de mode. Deze was volgens Huygens kenmerkend voor de inconstantia (wispelturigheid), waar de nuchtere, christelijke mens niets mee van doen wil hebben.
In 1623 vond het huwelijk plaats tussen Maria Tesselschade en Allard Crombalch. Voor deze gelegenheid werden verzen geschreven door Huygens, Hooft en Vondel. Tijdens het feest flirtte Constantijn met Machteld van Kampen, en dat gaf hem inspiratie tot het gedicht Vier en vlam.
In 1624 voltooide Huygens Zedeprinten (karakterschetsen), een verzameling satirische, moralistische gedichten met persoonsbeschrijvingen in de stijl van de Griekse geleerde Theophrastus. Zedeprinten bevat portretten van beroepsbeoefenaren, zoals de koning, de soldaat, de gezant en de hoveling. Ook in 1624 schreef Huygens Stede-stemmen en dorpen, een bundel tienregelige gedichten over achttien steden en zes dorpen in Holland en West-Friesland. Het belangrijkste thema van dit werk is het heldendom van de Hollanders in de strijd tegen Spanje. Huygens beschouwde Zedeprinten en Stede-stemmen en dorpen als zijn beste vroege werken.
In 1625 verscheen de bundel Otia of Ledige uren, waarin al zijn dichtwerken tot dan toe zijn gepubliceerd. Dit jaar vormde de afsluiting van Huygens' jeugd- en vormingsjaren. Hij kreeg een vaste betrekking als secretaris van Frederik Hendrik, die, na het overlijden van prins Maurits, tot stadhouder was benoemd.
Huwelijk met Suzanna van Baerle thumb|Dubbelportret van Constantijn Huygens en echtgenote Suzanna van Baerle door Jacob van Campen, ca. 1635 thumb|Constantijn Huygens en zijn vijf kinderen, geschilderd door Adriaen Hanneman In 1626 werd Constantijn verliefd op Suzanna van Baerle (1599-1637). Eerdere hofmakerijen van de familie Huygens om haar voor zijn broer Maurits te winnen, waren mislukt. Constantijn schreef diverse sonnetten voor haar, waarin hij haar zijn 'Sterre' noemt. Op 6 april 1627 vond het huwelijk plaats, dat Huygens in zijn Dagh-werck beschrijft. Aan Dagh-werck, dat bijna tweeduizend regels telt, heeft Huygens gedurende zijn hele huwelijk met Suzanna geschreven. Ze kregen vijf kinderen; in 1628 werd hun eerste zoon, Constantijn, geboren, in 1629 volgde Christiaan, in 1631 Lodewijk en in 1632 Philips. In 1637 werd dochter Susanna geboren, maar twee maanden na de bevalling overleed haar moeder Suzanna. Enige weken later verhuisde de familie naar het Huygenshuis.
Diplomaat