Madeleine Pelletier (Parijs, 18 maart 1874 – Épinay-sur-Orge, 29 december 1939) was een Franse feminist en (in 1906) de eerste vrouwelijke psychiater in Frankrijk. Daarnaast was zij ook bekend vanwege haar vele politieke activiteiten en haar uitgesproken ideeën; zij behoorde tot de fanatieke feministen binnen de Franse vrouwenbeweging in de 19e eeuw. Op jonge leeftijd onderbrak zij haar studie om zich aan te sluiten bij diverse socialistische en anarchistische groeperingen, waar zij de denkbeelden ontwikkelde waarin zij tot haar dood bleef geloven. Op haar twintigste besloot Pelletier, ondanks haar geldgebrek, om haar studie weer op te pakken. Zij slaagde erin arts te worden. Dit maatschappelijk succes was voor haar echter niet voldoende en zij bleef zich verzetten tegen misstanden in de maatschappij.

In 1906 trad zij toe tot de vrijmetselarij, werd zij gekozen tot voorzitter van een feministische organisatie en werd zij lid van de Franse afdeling van de internationale arbeidersbeweging (SFIO). Zowel bij de vrijmetselaars als binnen de SFIO zette Pelletier zich in voor de belangen van vrouwen. Haar standpunten leverden haar binnen haar politieke verwanten en bij de vrijmetselarij veel vijanden op. De pogingen om haar op een zijspoor te zetten deden haar besluiten om toenadering te zoeken tot de anarchistische beweging en te wisselen van loge binnen de vrijmetselarij.

In 1917 ondernam zij, enthousiast gemaakt door de Oktoberrevolutie, vol goede moed een reis naar Rusland om daar met eigen ogen te zien hoe haar ideaal werkelijkheid werd. De rampzalige toestand van het land ontgoochelde haar, maar desalniettemin bleef zij geloven in het "communistisch ideaal". Terug in Frankrijk zette zij zich, samen met libertaire groepen, in voor een communistische maatschappij. Naast haar feministische strijd verzette zij zich tegen het opkomend fascisme. Om haar overtuigingen kenbaar te maken, schreef zij talloze artikelen en publiceerde zij romans, toneelstukken en essays. In 1937 werd zij getroffen door een beroerte, waardoor zij halfzijdig verlamd raakte. Haar politieke activiteiten lagen tijdelijk stil, maar eenmaal genezen zette zij haar strijd voort, ondanks haar handicap. In 1939 werd zij beschuldigd van het uitvoeren van een abortus. Haar aanklagers realiseerden zich echter al snel dat het, gezien haar fysieke gesteldheid, onmogelijk was dat zij deze daad op haar geweten had. Wel werd zij gezien als een gevaar voor zichzelf en voor anderen en daarom werd zij opgenomen in een psychiatrische instelling, waar haar fysieke en mentale toestand verslechterde. Op 29 december 1939 stierf zij aan de gevolgen van een tweede beroerte.

Jeugd Anne Pelletier werd op 18 maart 1874 geboren, in een arme Parijse familie. Haar vader, de voormalig huurkoetsier Louis Pelletier, raakte verlamd nadat hij een beroerte kreeg in 1878. Haar moeder, de groentevrouw Anne Passavy, was een koningsgezinde, zeer gelovige maar weinig liefdevolle vrouw. Zij werd volledig in beslag genomen door de zorg voor haar zieke echtgenoot, haar twaalf zwangerschappen en het draaiend houden van de groentewinkel in de Rue des Petits-Carreaux, in een arme wijk in het tweede arrondissement. Anne en haar oudere broer Louis waren de enige kinderen die in leven bleven en na het vertrek van haar broer leefde Anne als enig kind binnen het gezin. Na het overlijden van haar vader, op haar vijftiende, bleef zij alleen achter met haar moeder.

Anne had een ongelukkige jeugd, en haar politieke ideeën stonden lijnrecht tegenover de opvattingen van haar moeder. Op haar twaalfde stopte zij met school. Zij was geïnteresseerd in politiek en zij bezocht 's avonds regelmatig bijeenkomsten. Rond haar vijftiende was zij geregeld in anarchistische kringen te vinden. Hoewel deze niet aan haar verwachtingen voldeden, besefte zij door de bijeenkomsten wel dat scholing belangrijk is. Daarop behaalde zij alsnog haar middelbareschooldiploma. Tegen de tijd dat zij volwassen werd, nam zij de voornaam Madeleine aan. Zij mocht bij haar moeder in huis blijven wonen, maar die weigerde haar boeken te betalen. De dood van haar moeder bracht Anne in de problemen, maar zij vond steun bij Charles Letourneau, een arts die net als zij uit een arme familie kwam. Hij was door een onverwachte erfenis zijn problemen te boven gekomen. Hij was op Pelletier gesteld en steunde haar op financieel en intellectueel gebied.

In 1896 slaagde zij, 22 jaar oud, met de hakken over de sloot voor het eerste deel van het middelbareschoolexamen. Vervolgens slaagde zij in 1897 met briljante cijfers voor het tweede deel van het examen, wat haar de aantekening 'zeer goed' opleverde. Omdat zij arts wilde worden, schreef zij zich in voor de propedeuse van de studie medicijnen. In 1901 werd zij coassistent in een psychiatrische instelling in Villejuif, waarna zij in de herfst van 1902 als coassistent bij de afdeling verloskunde in het Baudelocque-hospitaal ging werken. Haar interesse ging echter uit naar de antropologie, een studie waarin artsen zich in die tijd onderscheidden.

Studie medicijnen Pelletier verdiepte zich in de antropologie. Zij bestudeerde het verband tussen schedelomvang en intelligentie volgens de toentertijd geldende theorie van Paul Pierre Broca. Charles Letourneau en Léonce Manouvrier, met wie zij samenwerkte, verdedigden de heersende mening dat de man intelligenter is dan de vrouw. Pelletier slaagde er niet in om hen op andere gedachten te brengen. Doordrongen van het bestaan van deze heersende theorie probeerde zij de veronderstelde lagere intelligentie van vrouwen te weerleggen, door te stellen dat de vrouwelijke schedel minder dik is. Bovendien zou dit ook de vermeende superioriteit van het 'blanke ras' gebaseerd op de schedelomvang onderuithalen. Uiteindelijk keerde zij antropologie de rug toe, omdat zij het niet eens was met de theorie dat intelligentie samenhangt met de schedelomvang. Deze opvatting impliceert dat vrouwen minder intellectuele vermogens zouden hebben. Het weerleggen van deze doctrine, door te stellen dat het schedelbot van de vrouw dunner is, leverde Pelletier weinig bijval op. In november 1902 werd haar de deelname aan het concours voor studenten psychiatrie geweigerd, omdat alleen personen mochten deelnemen die stemrecht hadden. Omdat vrouwen geen stemrecht hadden, waren zij dus automatisch uitgesloten van deelname. Daarop stelde zij alles in het werk om deze regel te laten afschaffen. Gesteund door het vrouwenblad La Fronde en door enkele juryleden die haar kenden, kreeg Pelletier in 1903 uiteindelijk toestemming om deel te nemen aan het concours. In datzelfde jaar schreef zij haar proefschrift getiteld L'Association des idées dans la manie aiguë et dans la débilité mentale. In 1906 werd Pelletier de eerste gediplomeerde vrouwelijke psychiater in Frankrijk.

Jaren van strijd Vier jaar lang volgde Pelletier intern de opleiding in verschillende psychiatrische instellingen in de buurt van Parijs; eerst in het Sint Anne ziekenhuis en daarna in de inrichting in Villejuif. Daar leerde zij collega Constance Pascal kennen, die in hetzelfde jaar met de studie psychiatrie startte. Naast haar studie schreef zij talloze artikelen die gepubliceerd werden in wetenschappelijke tijdschriften. In 1904 trad zij toe tot de vrijmetselaars, waarbij zij – ondanks de vele botsingen die zij met andere leden had – tot haar dood aangesloten bleef. Vanaf 1906 wijdde zij zich volledig aan de psychiatrie. In maart van dat jaar vestigde zij zich als arts in het 14e arrondissement in Parijs. Omdat de praktijk weinig patiënten had, liet zij zich op de lijst zetten om nachtdiensten te draaien. Dit betekende dat zij ook 's nachts gebeld kon worden om hulp te verlenen, waarbij het vaak ging om de verschoppelingen van de maatschappij. Een politieagent vergezelde haar bij haar nachtelijke werk. In datzelfde jaar werd zij voorzitter van de feministische groepering 'La solidarité des femmes' (Vrouwensolidariteit), opgericht door Eugenie Potorié-Pierre en tot dat moment geleid door Caroline Kaufmann. Zij werd er met open armen ontvangen, maar het bleek Pelletier moeite te kosten om de leden tot actie aan te zetten. Zij sloot zich aan bij de SFIO, waar zij de opvattingen van de beweging van Jules Guesde omarmde. Later raakte zij beïnvloed door het gedachtegoed van de stroming van Gustave Hervé. In 1909 werd zij lid van de permanente commissie van de partij en toen Hervé gearresteerd werd, nam zij zijn plaats in binnen dit hoogste orgaan. In 1910 stelde Pelletier zich kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen, maar het bestuursorgaan wees haar een moeilijk kiesdistrict toe. Hoewel zij meer stemmen kreeg dan de vorige socialistische kandidaat, leed zij een nederlaag bij deze verkiezingen.

Haar activisme leverde weinig resultaten op en zij raakte teleurgesteld in zowel de feministen als de socialisten. Ontmoedigd stapte zij uit de hervéïstische beweging; Gustave Hervé was een nep-revolutionair volgens haar. Daarnaast waren haar opvattingen over abortus en de door haar gewenste afschaffing van het gezin als hoeksteen van de samenleving tegen het zere been van de andere SFIO-leden; Pelletier raakte daardoor geïsoleerd binnen de partij. Daarop verliet zij de partij en zocht zij toenadering tot de anarchisten. Hoewel zij zich niet kon vinden in de kern van het anarchistische gedachtegoed – namelijk het streven naar een maatschappij zonder overheid – vond zij wel gehoor voor haar opvattingen over abortus, neomalthusianisme en antimilitarisme. Tussen 1912 en 1924 werkte zij op onregelmatige basis voor het anarchistische blad L’idée libre. Daarnaast publiceerde zij vanaf januari 1914 tot het begin van de oorlog artikelen in het blad Le libertaire en vervolgens weer van 1919 tot 1921. Rond 1912 maakte zij een paar moeilijke jaren door, waarin zij geplaagd werd door teleurstellingen op politiek en feministisch gebied en financiële problemen.

Toen zij bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog haar diensten aanbood, eerst als arts en later als verpleegster aan het front, werd zij afgewezen. Daarop ging zij werken voor het Rode Kruis, waarbij zij soldaten afkomstig uit alle strijdende landen hielp. In september 1914 kwam zij bij het slagveld bij de Marne terecht. Deze ervaring sterkte haar in haar antimilitarisme; zij was ontgoocheld door zoveel 'domheid van menselijke wezens'. Zij keerde zich af van de militante acties om zich te wijden aan de geneeskunde en de wetenschap.

Communistische jaren Het SFIO-congres in Tours, in december 1920, betekende een scheuring tussen de communisten, die zich hergroepeerden in de Derde Internationale, en de socialisten, die de Tweede Internationale aanhingen. Gegrepen door de idealen van de Russische Revolutie sloot Pelletier zich aan bij de nieuwe communistische partij, waar zij ook weer oude tegenstanders tegenkwam. In 1920 startte zij met het schrijven van analyses van de werken van Lenin en Trotski voor het socialistisch-feministische blad La Voix des femmes, dat zich na het congres in Tours achter de communistische partij schaarde. Binnen de redactie botsten de feministen met degenen die in het communisme het middel zagen om gelijkheid van mannen en vrouwen te bereiken. Pelletier behoorde tot de eerste stroming. Tijdens de vrouwenconferentie van de Derde Internationale in Moskou op 11 juni 1921 werd haar plaats echter ingenomen door Lucie Colliard, aanhanger van de tweede stroming.

Omdat zij met eigen ogen de 'verworvenheden' van sovjet-Rusland wilde zien, vooral op het gebied van seksegelijkheid, reisde Pelletier er in het geheim op eigen houtje naartoe. Die reis liep uit op een teleurstelling doordat de realiteit van armoede, hongersnood en politieke vervolgingen in niets leek op het gedroomde ideaal. Toch bleef zij geloven in het communistische ideaal en zij zocht de oorzaken voor de kwalen van de Sovjet-Unie onder andere in de strijd tegen de kapitalistische machten en de apathie van het volk.