Jérôme Leussink, geboren als Gerhardus Johannes Antonius (Gerard) Leussink en ook bekend als Girolamo Leussink (Zwolle, 4 oktober 1898 – Rome, 29 maart 1952), was een benedictijner monnik-schilder en iconograaf.
Geboorte en overlijden Leussink was het oudste kind van Gerhardus Paulus Leussink (Haaksbergen, 1863 – Zwolle, 1937), aannemer, en Johanna Maria Brummelhuis (Hengevelde, 1868 – Zwolle, 1907).Geboorteakte, Historisch Centrum Overijssel via archieven.nl. Het stel was op 11 november 1897 getrouwd in Hengevelde. G.P. Leussink had in 1892 in Zwolle het timmer- en metselbedrijf van een oom overgenomen en daar ging het echtpaar dan ook wonen. Ze kregen vier zonen; ook de jongste koos voor het kloosterleven.Huwelijksakte, Historisch Centrum Overijssel via archieven.nl. Overige informatie en data via Delpher en archieven.nl.
Dom Jérôme Leussink O.S.B. overleed in Rome in het Grieks college van St. Athanasius aan een hartaanval, na reeds enige tijd te hebben geleden aan een in de bronnen niet verder gemelde kwaal. Hij is begraven te Rome; op de begraafplaats van het Klooster van Chevetogne herinnert een kruis aan zijn monastieke leven.'Cimetière', website van het klooster.
Kapelaan Leussink studeerde aan beide seminaries in het bisdom Utrecht, het kleinseminarie Kuilenburg en het grootseminarie Rijsenburg; in Rijsenburg kreeg hij onderwijs van onder anderen de latere kardinaal Johannes de Jong. Hij werd in 1923 priester gewijd.Leussink kreeg de vier mindere orden toegediend op 27 november 1921 (Het Centrum 28 november 1921, het subdiakonaat op 15 augustus 1922 (Het Centrum 16 augustus 1922), het diakonaat op 3 december 1922 (Het Centrum 5 december 1922) en het priesterschap op 15 augustus 1923 (De Tijd 16 augustus 1923). Na zijn opleiding werd hij kapelaan in Herveld (1923-1924), Doornenburg (1924-1929), Enschede (1929-1933) en Kampen (1933-1934).Benoeming Herveld: Het Centrum 4 september 1923; Doornenburg: De Maasbode 14 oktober 1924; Enschede: Het Centrum 16 april 1929; Kampen: De Tijd 22 augustus 1933.In Enschede woont hij in de pastorie, Langestraat 51 (bericht van vestiging, Twentsch dagblad etc. 16 mei 1929; bericht van vertrek, Twentsch dagblad etc. 4 oktober 1933), en ook in Kampen neemt hij zijn intrek in de pastorie, Burgwal 105 (bericht van vestiging, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 12 september 1933; bericht van vertrek, Provinciale etc. 16 oktober 1934).
Leussink kweet zich van zijn priesterlijke taken: in Enschede was hij betrokken bij de oprichting van het R.K. Tehuis voor het gebrekkige Kind; bij de oprichting van tehuizen voor jeugdige respectievelijk oudere werklozen; hij was adviseur voor de R.K. Werklieden-vereeniging; hij was de geestelijke leidsman van de Katholieke Verkenners.'Een R.K. Tehuis voor het gebrekkige Kind', Twentsch dagblad Tubantia en Enschedese courant 25 juli 1932; 'Opening Tehuis R.K. jeugdige werkloozen', Twentsch dagblad etc., 18 januari 1933; 'Opening Tehuis voor Oudere Werkloozen', Twentsch dagblad etc., 14 juni 1933; 'Kapelaan Leussink overgeplaatst naar Kampen', Twentsch dagblad etc. 23 augustus 1933; 'Afscheid kapelaan Leussink', Twentsch dagblad etc. 26 augustus 1933. Evenwel moet hij tijd hebben gezien aandacht aan kunst te besteden, getuige ook zijn bespreking in 1930 van een tentoonstelling van kerkelijke kunst in Almelo in dagblad De Tijd, waarin hij lof spreekt van het werk van Joanna Wichmann en vooral van Josef ten Horn, van wiens ontwikkeling hij zich goed op de hoogte toont.
In de orde der benedictijnen Volgende de apostolische brief Equidem Verba van 21 maart 1924, waarin Pius XI opriep tot het werk der hereniging, speciaal met de Russische orthodoxen, stichtte de benedictijner Lambert Beauduin in 1925 het "Klooster van de Eenheid" in het Belgische Amay-sur-Meuse. Het klooster, dat sinds 1939 als Monastère de l'Exaltation de la Sainte Croix in Chevetogne wordt voortgezet, geeft sinds 1926 het tijdschrift Irénikon uit. Irénikon is van aanvang af een van de middelen geweest om het verlangen naar eenheid (oecumene) onder de leden van de westerse kerk te doen toenemen, mede door het bevorderen van inzicht in de geschiedenis, zeden, theologie en liturgie van de oosters-orthodoxen. Leussink was een trouw lezer van het blad, en hij bezocht het herenigingskloostertje (de priorij was begonnen met tien monniken en zes novicen) regelmatig; waarschijnlijk trok hem ook de verzameling iconen die door onder meer Dom Ildefons Dirks in Amay was aangelegd.
In augustus 1934 verleende aartsbisschop Jansen hem ontslag uit de geestelijke bediening: Leussink had aangegeven in te willen treden in de orde der benedictijnen om zich te voegen bij de monniken der hereniging.'In het Aartsbisdom', 21 augustus 1934. Hij legde zijn professie af op 10 februari 1936.De datum staat vermeld op het grafkruis in Chevetogne. Niet achterhaald is hier of Leussink zijn kloosternaam Girolamo op die datum of al eerder kreeg toegewezen.
De oversten in Amay herkenden de bijzondere aanleg van Don Girolamo voor de schilderkunst en zonden hem na zijn novicaat voor een opleiding naar de École supérieure des arts Saint-Luc in Luik.
Zijn theoretische kennis deelde Leussink enkele malen in publieke lezingen, hierbij gebruikmakend van een serie gekleurde lichtbeelden van kerkschilderingen en iconen. In 1937 sprak hij in Hotel Hof van Holland in Den Haag over de plaats die Maria inneemt in de Byzantijnse liturgie van het Oosten en over de Mariaverering in het oude Rusland in de privésfeer.'Maria-vereering in het Oosten', De Maasbode 25 november 1937. Voor de Kunstenaarsvereeniging "Limburg" hield Leussink begin 1939 in de Redoutezalen te Maastricht een voordracht onder de titel 'Uit den feestkring der Iconen', handelend over het wezen van iconen en de ontwikkelingsgang van de iconenschilderkunst.Zie bijvoorbeeld 'Over iconen', Limburgsch dagblad 9 januari 1939. De lezing deed de vereniging besluiten een excursie naar Amay te organiseren ('Hoogmis in den Griekschen ritus', Limburger koerier 23 februari 1939).
Rome In 1939 werd Pimen Sofronov (1898 – 1973), de nestor van de Russische icoonschilders, uitgenodigd om in het kader van de Wereldtentoonstelling van 1942 in Rome een iconostase te schilderen. De opdracht was omvangrijk en Sofronov was niet bekend met de gebruiken en de taal in Rome, zodat hij de aangeboden assistentie goed kon gebruiken. Sofronovs tolk werd de latere Zeeuws-Vlaamse icoonschilder Robert de Caluwé (1914 – 2005).Hij bleef ongeveer een jaar in Rome, waar de kennismaking met Sofronov en de iconografie zijn verdere loopbaan zou bepalen. Zie: 'Robert de Caluwe', website van de Nederlandse Vereniging in Finland. Ook Dom Girolamo werd ontboden, om "de meester" te assisteren bij de uitvoering. Leussink had Sofronov al eerder ontmoet in Amay.Berger (2004), p. 20. Volgens Robson trof Leussink Sofronov 'toevallig' in Rome, maar dat lijkt uitgesloten. Ze waren ongeveer even oud en er ontstond een hechte vriendschap tussen hem en Sofronov en diens vrouw Nadezhda.
De Wereldtentoonstelling zou uiteindelijk vanwege de oorlog worden afgelast, maar Sofronov voltooide rond Pasen 1940 zijn opdracht.Sofronov werd als Russisch staatsburger na het uitbreken van de oorlog onder politietoezicht gesteld. Door de Vaticaanse tewerkstelling bleef de gevangenis hem bespaard, waardoor hij zelfs in het ondergronds verzet ontsnapte Russische krijgsgevangen onderdak kon geven. De 56 (volgens Leussink 58) iconen die Sofronov voor de Wereldtentoonstelling had gemaakt werden aangekocht door het Vaticaan. Zie 'Un géant de l'iconographie au 20ème siècle: le Vieux-Croyant Pimen Maximovitch Sofronov' op Saint Materne: Vagues-à-l'âme d'un ami des vraies racines de la Belgique Chrétienne (blog). De internationale ontwikkelingen noopten zowel Sofronov als Leussink in Rome te blijven.Dit laatste meldt ook Antoine Bodar, 'De Byzantijnse kapel', in: idem, Rome door de ogen van Antoine Bodar. Een spirituele gids voor de Eeuwige Stad, [Utrecht]: Ten Have, 2012, pp. 95-97 (Bodar geeft overigens enkele onjuiste data).
Byzantijnse kapel
Het talent van Leussink was ook in Rome niet onopgemerkt gebleven. In het voorjaar van 1940 kreeg hij van kardinaal Tisserant een opdracht die hem drie jaar werk bracht.Leussink brengt de prior van Chevetogne, Théodore Belpaire, zijn vreugde over, en schrijft dat hij nu met Sofronov zal werken. De correspondentie van Leussink wordt in het archief van Amay-Chevetogne bewaard. Tisserant was secretaris van de Congregatie voor de Oosterse Kerken, die was gevestigd in het juist heropgebouwde Palazzo dei Convertendi.CONGREGAZIONE PER LE CHIESE ORIENTALI, profiel van de Congregatie op vatican.va. Op de begane grond van het Palazzo zou Leussink een kleine rechthoekige kamer omtoveren tot een volledig beschilderde Byzantijnse kapel, waarover met bewondering werd gesproken. Sofronov was behulpzaam bij de schetsen, en ook diens invloed op Leussink is aanwijsbaar, voor het ontwerp tekende Dom Girolamo echter zelf. De kapel vertoont niet alleen Russische invloeden, maar vooral Leussinks persoonlijke stijl, die mede was gevormd door de Griekse iconen die hij had gezien op Oros Athos.
Het gebouw van de Congregatie is voor publiek niet toegankelijk. Binnen het gebouw wordt de Byzantijnse kapel slechts zelden geopend voor het houden van een Oosterse mis. Dit werk van Leussink wordt dan ook, evenals de iconen van Sofronov op de eerste verdieping, zelden gezien.Dit wordt betreurd door Berger (2004), kenner van de kunst in het Vaticaan.
Andere werken thumb|Dom Leussink bij zijn portret van kardinaal De Jong (1947)Afbeelding afkomstig uit De Tijd, 17 maart 1947. Leussink werd de vaste iconograaf voor de Congregatie. Met zijn fijnzinnige kunstgevoel bouwde hij op eigen wijze voort op de Oosterse tradities. Hij illustreerde de Romeinse uitgave van het Ethiopisch missaal en ook een nieuwe editie van de liturgische boeken van de Slavisch-Byzantijnse ritus. Hij schilderde een iconostase voor de Italo-Griekse gemeenschap in Zuid-Italië, evenals voor de Russische kerk in Londen. Ook mocht hij iconen vervaardigen voor diverse Oosterse patriarchaten.
Ook schilderde hij het portret van kardinaal De Jong dat hangt in de kerk van San Clemente te Rome, de titelkerk van de kardinaal.'Dom Leussink overleden', De Volkskrant 1 april 1952; een afbeelding van het schilderij in De Volkskrant van 18 maart 1947. De Jong was in februari 1946 kardinaal gecreëerd en hij bracht op 7 oktober 1946 een 'incognitobezoek' aan de door Leussink beschilderde kapel.De Tijd, 8 oktober 1946. Hij was zijn voormalige leerling niet vergeten, en gaf deze zelf de opdracht zijn portret te schilderen.'Kardinale persconferentie', Amigoe di Curaçao, weekblad voor de Curaçaosche eilanden 30 oktober 1946.
Leussink bleef reizen en lezingen geven. Zo gaf hij in het schooljaar 1943-1944 als gastdocent lezingen over de techniek en de symboliek van de Byzantijnse iconografie aan het pauselijk Grieks College van St. Athanasius.BESA, 2009, p. 4. Eind jaren veertig gaf hij voordrachten in Luzern en Basel.Iso Baumer, Von der Unio zur Communio: 75 Jahre Catholica Unio Internationalis, Saint-Paul, 2002, p. 466 (Leussink wordt hier 'Hieronymus Leussink' genoemd). Enkele weken voor zijn dood gaf hij nog een lezing in Alexandrië.
Zijn iconografische kennis heeft Leussink in 1941 gepubliceerd in De heilige ikonen. Over het wezen en de vereering der ikonen, over de voorschriften en voornaamste onderwerpen der ikonenkunst.
Postzegel Vaticaanstad