miniatuur|Lichaamshouding tijdens de zwangerschap Onder de fysiologische veranderingen tijdens de zwangerschap verstaat men de fysiologische veranderingen van het lichaam van zwangere vrouwen. Dergelijke veranderingen treden niet alleen bij mensen op maar bij alle drachtige zoogdieren.

Beschreven worden de fysiologische veranderingen die de ontwikkeling van het embryo – en later de foetus – bevorderen. Ze betreffen hart en bloedvaten, bloed, stofwisseling, nieren, immuunsysteem, bewegingsapparaat en ademhalingsstelsel. Tot deze veranderingen behoren verhoging van het bloedsuikergehalte, een groter ademvolume (in- en uitgeademde lucht per minuut) en een groter hartminuutvolume (hoeveelheid rondgepompt bloed per minuut). Ook komt de melkproductie op gang. Veel van deze veranderingen worden aangestuurd door hormonen, die in het lichaam en de placenta geproduceerd worden tijdens de zwangerschap. De hormoonhuishouding ontwikkelt zich in de loop van de zwangerschap en is anders in elke van drie verschillende perioden (of trimesters) die meestal worden onderscheiden.

Hormonale veranderingen Er vinden bij zwangeren verschillende veranderingen plaats in het hormoonstelsel. De placenta produceert steroïdhormonen en eiwitten die de werking van verschillende hormoonklieren van de moeder veranderen. Soms kunnen de veranderingen in hormoonspiegels en het effect daarvan op de organen leiden tot zwangerschapsdiabetes en zwangerschapshypertensie. Vanaf de innesteling van een bevruchte eicel in de baarmoederwand gaat de syncytiotrofoblast, een weefsel dat ontstaat na innesteling van een bevruchte eicel in de baarmoederwand, humaan choriongonadotrofine hCG produceren.

Placenta: oestrogeen, progesteron en HPL thumb|Grafiek van de oestrogeen- en progesteronspiegels, bèta-HCG-waarden gedurende de zwangerschap De progesteron- en oestrogeenspiegels stijgen voortdurend tijdens de zwangerschap. Deze hormonen hebben een zodanig effect op de hypothalamus dat de menstruatiecyclus verdwijnt. Progesteron wordt eerst geproduceerd door het gele lichaam en vanaf 12 weken na de bevruchting door de placenta.

De placenta produceert ook humaan placentaal lactogeen (hPL), wat de vetverbranding en de vetzuurstofwisseling stimuleert. Hierdoor blijft er voldoende bloedglucose beschikbaar voor de foetus. Het kan er ook toe leiden dat de moeder minder gevoelig wordt voor insuline, wat kan leiden tot zwangerschapsdiabetes.

Hypofyse De hypofyse wordt 30% groter dan normaal door een toename van het aantal prolactinecellen als gevolg van de hoge oestrogeenspiegel. Ook de prolactinespiegel stijgt gedurende de hele zwangerschap. Prolactine brengt een verandering teweeg in de structuur van de melkklieren in de borst (van de klierepitheelcellen, alveolaire lumen en de lobulaire structuur), en stimuleert de melkproductie.

Bijschildklieren Het lichaam van de moeder heeft meer calcium nodig voor de skeletvorming van de foetus en later voor de melkproductie. Voor de vorming van het skelet van de baby is tot aan het eind van de zwangerschap in totaal ongeveer 30 gram calcium nodig. Als reactie op de toegenomen calciumbehoefte produceert het lichaam van de moeder meer parathyroïdhormoon. Hierdoor neemt het lichaam meer calcium op in zowel de ingewanden als de nieren. De calciumspiegel in het serum van de moeder neemt tijdens de zwangerschap af door hypoalbuminemie (een verlaagd gehalte van eiwitten in het bloed), maar de concentratie geïoniseerd calcium in het bloed blijft gelijk.

Bijnieren Na ongeveer 6 maanden van de zwangerschap is de cortisolspiegel in het lichaam drie keer hoger dan normaal. De verhoogde oestrogeenspiegel tijdens de zwangerschap leidt tot een toename van de productie van corticosteroïdbindende globulinen, en als een reactie daarop produceren de bijnieren meer cortisol. Het effect is een toename van vrij cortisol. Dit leidt tot een verminderde gevoeligheid voor insuline en mogelijk ook tot striae. De hoge cortisolspiegel leidt niet tot het syndroom van Cushing of andere symptomen van een te hoge cortisolspiegel, mogelijk omdat de hoge progesteronspiegel als een antagonist werkt en het effect van cortisol dempt.

De bijnier produceert meer aldosteron, wat leidt tot acht keer zo hoge waardes als normaal. Zwangere vrouwen vertonen daarbij geen symptomen van een te hoog aldosterongehalte zoals hypokaliëmie, hypernatriëmie of een hoge bloeddruk.

De bijnieren produceren ook meer androgenen, zoals testosteron, maar dit wordt opgevangen door sexhormoonbindend globuline (SHBG), dat onder invloed van oestrogeen is verhoogd. SHBG bindt testosteron en in mindere mate ook DHEA.

Schildklier De schildklier wordt groter en is tijdens het eerste trimester makkelijker te voelen dan normaal. Dit komt doordat tijdens de zwangerschap de klaring (bloedzuivering) door de nieren versneld plaatsvindt, waardoor meer jodium wordt uitgescheiden. Hierdoor ontstaat er een jodiumgebrek waardoor de schildklier groter wordt.

Hormoontest bij zwangeren Er zijn een aantal testen in gebruik waarmee de aanwezigheid van hormonen gedurende de zwangerschap bepaald kan worden. HormoonTestResultaatFSH, LHGnRH-testStijging treedt niet op vanaf het derde trimester tot een aantal weken post partumGroeihormoonInsulinetolerantietestDe reactie neemt toe in de eerste helft van de zwangerschap en normaliseert daarna tot een aantal weken post partumTSHTRH-testReactie ongewijzigdPancreatische insulineglucosetolerantietestDe piekglucose neemt toe, en de glucosewaarde blijft langer verhoogdCortisolACTH-testVerhoogde cortisol- en aldosteronreacties MetyrapontestVerminderde reactieMineralocorticoïdenACTH-testDeoxycorticosteronspiegel blijft gelijk DexamethasontestDeoxycorticosteronspiegel blijft gelijk

Borstontwikkeling- en voeding Oestrogenen en progesteron zorgen voor de ontwikkeling van de melkklieren. In de borsten ontwikkelen zich cellen die zorgen voor productie van melk en cellen die door samentrekking zorgen voor de melkafgifte uit de borst. Deze samentrekking gebeurt onder invloed van verschillende hormonen, waaronder prolactine. De productie van moedermelk is al halverwege de zwangerschap mogelijk. Gedurende de zwangerschap groeien de borsten gewoonlijk 1 tot 2 cupmaten. Kort na de bevalling komt de melkproductie geleidelijk op gang, eerst in de vorm van colostrum, de dikke eiwitrijke vorm van moedermelk, vervolgens als de gewone moedermelk. Bij de borstvoeding zwellen de borsten op en kunnen dan pijnlijk, bobbelig en zwaar aanvoelen, ook wel stuwing genoemd. Tijdens deze periode groeien de borsten gewoonlijk weer om na 8 tot 12 weken geleidelijk kleiner te worden. Voor de instandhouding van de melkproductie is nodig dat er periodiek uit de borst gedronken wordt. De hormoonspiegel van met name prolactine daalt na de bevalling tot ongeveer het niveau van voor de zwangerschap. Als er geen borstvoeding wordt gegeven verloopt dit proces in 2-3 weken en valt de melkproductie stil, maar is er wel borstvoeding dan duurt dit veel langer. De stimulatie van de tepels en een hoge voedingsfrequentie leidt tot verhoogde prolactinespiegels. Borstvoeding kan er toe bijdrage dat borsten gaan hangen (ptosis) en slapper worden. Er zijn echter ook andere belangrijke factoren die leiden tot hangende borsten zoals rookgewoontes, de BMI, het aantal zwangerschappen, de borstgrootte voor de zwangerschap en de leeftijd van de betreffende vrouw.

Hart en bloedvaten Er wordt meer van het hart gevraagd tijdens de zwangerschap, en het hart past zich hier op vele manieren op aan. Het hartminuutvolume neemt tijdens het begin van de zwangerschap toe en is het grootst tijdens het derde trimester (30 tot 50% groter dan normaal). Door het oestrogeen neemt het totale volume aan bloed toe met 40-50%, wat leidt tot een hoger slagvolume van het hart en daardoor een groter hartminuutvolume. De hartslagfrequentie neemt ook toe, maar wordt over het algemeen niet hoger dan 100 slagen per minuut. De systemische vaatweerstand neemt af met 20% door het bloedvatverwijdende effect van progesteron. De systolische en diastolische bloeddruk dalen tijdens het eerste trimester met 10-15 mmHg en worden tijdens de tweede helft van de zwangerschap weer normaal. Al deze veranderingen aan hart en bloedvaten kunnen leiden tot veelvoorkomende klachten als hartkloppingen, een afgenomen inspanningsvermogen en duizeligheid.

De vergrote baarmoeder knijpt de onderste holle ader in de loop van de zwangerschap steeds verder dicht. Na twintig weken is deze ader zo ver dichtgedrukt dat er veel minder bloed naar het hart terugstroomt. Daardoor kunnen hoogzwangeren last krijgen van een lage bloeddruk als ze op hun rug liggen of lang staan.

Het bloed Bloedvolume en hemoglobineconcentratie Tijdens de zwangerschap neemt het volume van het bloedplasma toe met 40 tot 50% maar het volume rode bloedcellen slechts met 20 tot 30%. Deze veranderingen vinden meestal plaats in het tweede trimester en voor de 32ste week van de zwangerschap. Doordat het plasmavolume meer toeneemt dan het volume rode bloedcellen (en dus het hemoglobinegehalte) wordt het bloed verdund. De hoeveelheid erytropoëtine, een hormoon dat de productie van rode bloedcellen stimuleert, neemt tijdens de zwangerschap toe tot anderhalf keer de normale waarde aan het eind van de zwangerschap. De lichte daling van het hematocriet of aandeel rode bloedcellen is het grootst aan het eind van het tweede trimester en herstelt geleidelijk tegen het eind van de zwangerschap.

Hoeveelheid witte bloedcellen en bloedplaatjes Het effect van zwangerschap op de hoeveelheid bloedplaatjes is niet duidelijk, sommige onderzoeken laten een lichte daling zien en volgens andere onderzoeken is er geen verandering waarneembaar. Het aantal witte bloedcellen neemt toe en soms worden er myelocyten of metamyelocyten, beide voorlopers van een bepaald soort witte bloedcellen, de granulocyt, waargenomen in het bloed. Tijdens de bevalling stijgt het aantal witte bloedcellen.

Trombofilie (verhoogde stollingsneiging) Het bloed van een zwangere heeft ook een hogere stollingsneiging, waardoor het risico op het vormen van bloedstolsels en embolieën toeneemt, die bijvoorbeeld diepe adertrombose en longembolieën kunnen veroorzaken. De kans op een trombose is tijdens de zwangerschap en na de bevalling 4 tot 5 keer zo groot. Het effect van de verhoogde stolling is dat bloedingen worden voorkomen in geval van een miskraam of tijdens de bevalling. In derdewereldlanden zijn bloedingen nog altijd de belangrijkste doodsoorzaak van zwangere vrouwen. In Amerika werd sterfte bij zwangeren in 11,4% van de gevallen veroorzaakt door een bloeding en in 9,2% van de gevallen door een longembolie (2011-2013).

Het toegenomen risico op het vormen van stolsels kan verschillende oorzaken hebben. De waarden van stollingsfactoren nemen toe tijdens de zwangerschap, met name de vonwillebrandfactor, fibrinogeen, factor VII, factor VIII en factor X. Zowel de productie van prostacycline (een stof die de bloedstolling afremt) als tromboxaan (een stof die de bloedvaten vernauwt en de bloedstolling bevordert) is verhoogd, maar over het algemeen is de reactiviteit van de trombocyten verhoogd, waardoor stolsels makkelijker kunnen ontstaan. Ook wordt de bloedcirculatie bemoeilijkt doordat de groter wordende baarmoeder op de holle ader drukt. Hiernaast zijn er nog vele andere factoren die het risico op stolsels verhogen zoals basale trombofilie, het ondergaan van een keizersnee, zwangerschapsvergiftiging, enzovoorts. Stolsels vormen zich vaak in de aders van het linkerbeen of de linkerheup. Er zijn gevallen bekend van het syndroom van May-Thurner bij zwangeren, waarbij de rechter gemeenschappelijke heupslagader op de linker drukte.

Oedeem Oedeem (toename van vocht in weefsel) in de voeten komt vaak voor tijdens zwangerschap. Dit wordt veroorzaakt doordat de baarmoeder op het aderstelsel en het lymfestelsel drukt, wat de terugstroming vanuit de voeten naar het lichaam bemoeilijkt.