thumb|Richard Wellesley, markies Wellesley. Olieverfportret door Thomas Lawrence, tussen 1813 en 1830. Richard Colley Wellesley, 1e Marquess (markies) Wellesley en 2e Earl (graaf) van Mornington (20 juni 1760 - Knightsbridge, 26 september 1842) was een Iers en Brits koloniaal bestuurder en politicus. Hij was gouverneur-generaal van Brits-Indië (het huidige India) tussen 1798 en 1805. In die positie voerde hij een agressief-kolonialistische expansiepolitiek, grotendeels tegen de zin van de directeuren van de East India Company. Door oorlogen en verdragen met binnenlandse machthebbers overzag hij een grote uitbreiding van de Britse macht over India. Tussen 1809 en 1812 diende hij als Foreign Secretary (minister van buitenlandse zaken) van het Verenigd Koninkrijk. Ook was hij Lord Lieutenant van Ierland tussen 1821 en 1828 en opnieuw in 1833 en 1834. Hij speelde een rol bij de gelijkberechtiging van de katholieken en de hervorming van het kiesstelsel in het Verenigd Koninkrijk in 1832. In Ierland probeerde hij tussen protestanten en katholieken het midden te houden. Dat was een opvallend verschil met zijn voorgangers, maar een oplossing van het conflict kwam er niet mee in zicht. Richard Wellesley was de oudere broer van Arthur Wellesley, de hertog van Wellington, die Napoleon versloeg bij Waterloo.
Jeugd en politieke ambitie thumb|300px|Dangan Castle, het Ierse ouderlijk huis van de Wellesleys. Gravure door W.H. Bartlett, 1842. Wellesley werd in 1760 geboren in Dangan Castle, in het Ierse county Meath. Hij was de oudste zoon van de Britse edelman Garret Wellesley, earl van Mornington en diens vrouw Anne Hill, een bankiersdochter uit Dublin. De familie behoorde zowel tot de zogenaamde "Old English" (Engelsen die al vanaf de middeleeuwen in Ierland woonden) als tot de protestantse bovenklasse in Ierland die Protestant Ascendency genoemd wordt.Severn (2007), p 8-9 Garret Wellesley was een tamelijk bekende componist en doceerde muziek aan Trinity College. Hij besteedde zijn tijd aan de muziek en verwaarloosde het beheer van het landgoed. De moeder was zeer ambitieus en zorgde ervoor dat haar zeven kinderen de beste opleiding kregen, met name Richard, die een intelligent en leergierig kind bleek. De familie verhuisde naar Londen zodat Richard naar een goede school kon gaan. Hij bezocht Eton College en vanaf 1778 Christ Church (Oxford), waar hij uitblonk in de klassieken. Een van zijn medeleerlingen was William Grenville, de zoon van premier George Grenville, met wie hij een vriendschap sloot die hem later hielp in zijn carrière. Wellesleys opmerkelijk goede resultaten op school moeten de jonge Richard hebben overtuigd dat hij voorbestemd was tot grote dingen, en verklaren de ambitie en grootheidswaan die zijn latere carrière kenmerkten.
Parlementariër in Dublin en Westminster Vader Garret Wellesley stierf onverwachts in 1781. Richard erfde zijn vaders titel en zetel in het Ierse hogerhuis. Hij besloot zijn studie in Oxford niet af te maken en keerde terug naar Dublin om zijn zetel in het Ierse parlement op te nemen. Hij erfde zijn vaders schulden en de financiële verantwoordelijkheid voor de opleiding van zijn vier jongere broers en twee zussen, die met de moeder in Londen bleven. De spilzieke vader en grootvader hadden de familie in slechte financiën achtergelaten en uiteindelijk was Wellesley gedwongen alle Ierse bezittingen te verkopen. Politiek gezien was hij een voorstander van meer rechten voor katholieken, maar hij hechtte sterk aan orde en was een tegenstander van parlementaire hervormingen.Arbuthnot (1899) Ook was hij actief binnen de vrijmetselarij: in 1782 werd hij grootmeester van de Grand Lodge of Ireland. Door zijn tijdgenoten werd hij als zeer intelligent en capabel beschreven, maar ook eerzuchtig, pompeus en ijdel. Hij was een man die moeilijk vrienden maakte. Zelfs zijn familie had soms moeite met hem om te gaan.
Wellesley zag in dat de mogelijkheden voor een politieke carrière in Westminster beter waren dan in Dublin. Dankzij zijn contact met Grenville en diens broer, de markies van Buckingham, werd hij in 1784 lid van het Britse lagerhuis voor de liberale Whig Party. In 1786 werd hij benoemd tot Lord of the Treasury, een lid van het parlementaire comité dat over de schatkist waakte. Hij steunde de vrijhandelspolitiek van premier William Pitt de Jongere, een politieke bondgenoot van de Grenvilles.
thumb|Hyacinthe Gabrielle Roland, de minnares met wie Richard Wellesley vijf buitenechtelijke kinderen had voor hij in 1794 met haar trouwde. Olieverfportret op doek, 1791, door Louise Élisabeth Vigée Le Brun. In 1786 begon Wellesley een romance met Hyacinthe Gabrielle Roland, de dochter van een Franse actrice. Hoewel het paar vijf kinderen kreeg trouwden ze pas in 1794, omdat de verbintenis sociaal volstrekt onacceptabel was. Wellesley ambieerde een ministerspost en verheffing in de Britse adelstand, niet alleen omdat dit hem een zetel in het Britse hogerhuis op zou leveren, maar ook omdat hij een grote behoefte aan erkenning had. Zijn eerzucht belette hem echter opportunistisch te zijn. Met lieden die hij onder zijn intellectuele of sociale klasse vond staan kon hij slechts moeilijk omgaan of samenwerken. Als gevolg was hij slecht in de onderhandelingen die nodig zijn bij het vaststellen van beleid of oplossen van politieke problemen.Severn (2007), p 45 Toen in 1791 van hogerhand nog steeds geen beroep op hem gedaan werd, besloot hij met zijn minnares een reis door Europa te maken. Ze bezochten eerst Frankrijk, waar de omstandigheden onder het nieuwe revolutionaire regime hem verwonderden en verafschuwden. Daarna bezocht het paar Italië, Oostenrijk, Duitsland en de Oostenrijkse Nederlanden.
Wellesley in de Board of Control Terug in Westminster profileerde hij zich in de strijd tegen de slavernij, zich aansluitend bij abolutionisten als William Wilberforce. Wellesleys passie in dit debat trok de aandacht van premier Pitt, tot wiens persoonlijke kring vrienden hij inmiddels was gaan behoren. Wellesley verdedigde in het parlement het besluit van de Britse regering de Franse revolutionairen de oorlog te verklaren. In ruil zorgde Pitt er in 1793 voor dat Wellesley tot lid van het Board of Control voor India werd benoemd. De Board of Control overzag de koloniën in Brits-Indië en de activiteiten van de East India Company, die in Indië het Britse gezag uitoefende. In deze positie raakte Wellesley bekend met de situatie in Indië. De Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) had het gevoel gecreëerd dat de Britse positie als wereldmacht wankelde door het verlies van de koloniën in Noord-Amerika. Met de voorzitter van de Board of Control, Henry Dundas, deelde Wellesley de mening dat India de kern van een nieuw Brits imperium moest worden. Hij had een grote minachting voor de directeuren van de Company en hun uitgangspunt zoveel mogelijk winst te maken. Zijn werkelijke ambitie, die hij in persoonlijke correspondentie met Pitt niet verborg, was een ministerspost in de Britse regering. Naarmate de jaren voorbij gingen stelden zijn vrienden hem echter keer op keer teleur.
In 1797 kwam voor Wellesley eindelijk de kans zich te bewijzen in een functie die overeenkwam met zijn eerzucht. Vanwege zijn kennis van Brits-Indië werd hij tot gouverneur-generaal benoemd, als opvolger van John Shore. Zijn verblijf in India betekende dat hij zijn vrouw en kinderen in Engeland moest achterlaten, maar hij aanvaardde de benoeming gretig en begon zich meteen in te lezen. Pitts India Act van 1784 stelde dat het doel in India was de handel te beschermen en militaire conflicten te voorkomen, maar Wellesley was niet van plan zich daar veel van aan te trekken. Zijn jongere broer Arthur, die met Richards hulp carrière in het leger had gemaakt, was in 1795 al als militair naar India uitgezonden. Een andere broer, Henry, werd door Richard tot zijn secretaris benoemd en reisde mee naar Calcutta. De benoeming in India kwam met een verheffing tot baron in de Britse adelstand, eveneens een eerbewijs waar Wellesley lang naar had uitgekeken.
Gouverneur-generaal van Brits-Indië thumb|Richard Wellesley, de graaf van Mornington, als gouverneur-generaal van Brits-Indië. Olieverf op doek, Robert Home, 1803. Indië of India had eeuwenlang Europeanen aangetrokken en geassimileerd. Aan het einde van de 18e eeuw gingen Europese kolonisten het gebied steeds meer zien als een plek waar snel roem en fortuin gemaakt kon worden.Dalrymple (2002) De East India Company had halverwege de 18e eeuw door conflicten met inheemse heersers het landsbestuur over delen van India in handen gekregen, maar dit werd aanvankelijk als een noodzakelijk kwaad beschouwd; een manier om de handelsbelangen van de Company veilig te stellen. Expansie-oorlogen waren niet in het belang van de Company, omdat ze de handel schaadden en geld kostten. Wellesley toonde echter nooit veel interesse in de handel of zelfs in de financiën van de Britse koloniën. Hij was de belichaming van een nieuwe imperialistische aanpak, die ook door minister Dundas werd gesteund. Het doel was de lokale machthebbers die een bedreiging vormden onder Britse controle te brengen, desnoods met militaire middelen. Een andere prioriteit was het terugdringen van Franse invloed over de inheemse hoven.
De Board of Control was vooral bang voor de Franse invloed over de hoven van Haiderabad, Mysore en de Maratha's. Onderweg naar India was Wellesley de voormalige resident aan het hof van Haiderabad, William Kirkpatrick, tegengekomen tijdens een oponthoud op de Kaap. Kirkpatrick verschafte hem inlichtingen over de situatie in India. Wellesley benoemde Kirkpatrick tot zijn secretaris en nam hem mee terug naar Calcutta. Samen met Wellesleys gewoonte zich uitstekend in te lezen vormde zijn vertrouwen in Kirckpatrick de basis voor de opvallende successen die hij in zijn eerste jaren als gouverneur-generaal boekte. Kirkpatricks jongere halfbroer James, die als resident in Haiderabad was aangesteld, kreeg een volmacht om de nizam van Haiderabad te overtuigen een bondgenootschap met de Britten te sluiten. De jongere Kirkpatrick bleek een opvallend handige diplomaat, en won het vertrouwen van de nizam. In 1798 beval de nizam de ontbinding van het in de stad gelegerde Franse regiment. In plaats daarvan vroeg hij Kirkpatrick om Britse regimenten op te richten. Deze aanzienlijke diplomatieke overwinning maakte de weg vrij voor een Britse invasie van het sultanaat Mysore, dat door de Franse bondgenoot Tipu Sultan geregeerd werd.
Afrekening met Mysore Mysore was een dynamische en gemoderniseerde staat en de belangrijkste tegenstander van de Britten in het zuiden van India. Wellesley gebruikte de onderschepping van een briefwisseling tussen Tipu en Napoleon en de Franse expeditie in Egypte als casus belli. De Britse overwinning in de slag bij Aboekir (augustus 1798) maakte een Franse invasie van India onmogelijk en van Tipu hadden de Britten na hun overwinning in de Derde Oorlog tussen Mysore en de Britten (1790-1792) niet veel meer te vrezen. De Vierde Oorlog tussen Mysore en de Britten van 1799 was in werkelijkheid een eenzijdig conflict waarin de Britten de agressors waren.
thumb|300px|De bestorming van Seringapatam op 4 mei 1799 vormde het einde van de oorlog met Mysore. Britse lithografie uit 1848.Door Heath en Madeley, uit : Historical Record of the Twelfth, or East Suffolk, Regiment of Foot, London 1848, p. 70