De Nacht van de vermoorde dichters (Russisch: Дело Еврейского антифашистского комитета, Delo Jevrejskogo antifasjistskogo komiteta; "Zaak van het Joods anti-fascistisch Comité"; Hebreeuws: הרוגי מלכות פונעם ראטנפארבאנד Harugey malkus funem Ratnfarband, "Soviet Union Martyrs") was de executie van dertien Sovjetjoden in de Loebjankagevangenis in Moskou, Sovjet-Unie op 12 augustus 1952.Rubenstein, Joshua (2001). "Introduction." In: Rubenstein and Vladimir Naumov (Eds.), Stalin's Secret Pogrom: The Postwar Inquisition of the Jewish Anti-Fascist Committee. De arrestaties vonden plaats tussen september 1948 en juni 1949. Allen werden beschuldigd van spionage en landverraad, bovendien van andere misdrijven zoals Joods nationalisme. Na de arrestaties werden ze geslagen en gemarteld en drie jaar geïsoleerd voordat ze formeel werden aangeklaagd. Er bevonden zich vijf Joodse schrijvers onder de aangeklaagden die allen lid waren van het Joods Anti-fascistisch Comité (JAC). Ook de anderen waren daarmee gelieerd.
miniatuur|rechts|Solomon Michoëls, voorzitter van het JAC (filmfragment, 1936)
Het Joods Anti-fascistisch Comité thumb|260px|Itzik Fefer (links), Albert Einstein en Solomon Michoëls in de V.S. in 1943.
Initieel doel De aanval op de Sovjet-Unie door Nazi-Duitsland leidde tot de oprichting van het JAC op initiatief van de Sovjetregering.Redlich, Shimon. "Anti-Fascist Committee, Jewish." Jewish Virtual Library. The American-Israeli Cooperative Enterprise, 2010. Geraadpleegd 12 januari 2018 Doel van het comité was het mobiliseren van de publieke opinie in de Sovjet-Unie en de rest van de wereld tegen het fascisme. Ook trachtte men Joden elders ter wereld te bewegen om de oorlogsinspanning van de Sovjets tegen nazi-Duitsland financieel en moreel te steunen. Daarnaast werd een viertal andere anti-fascistische comités opgericht, elk gericht op een andere doelgroep. Ze begonnen hun activiteiten in het voorjaar van 1942. Deze vijf comités vielen onder het Sovjet Informatie Bureau (Sovinformbureau), dat ook sterk op het buitenland was gericht.Het Sovinformbureau werd op 24 juni 1941, kort na de Duitse inval, opgericht. De taak van het bureau was het opstellen van rapporten voor de (buitenlandse) pers en radio, over de situatie op de fronten, het werk van de achterhoede en de partizanenbeweging. Solomon Michoëls, een Joods acteur en directeur van het Joods theater in Moskou, was voorzitter. Andere leden waren prominente Joodse schrijvers, acteurs en dokters die Joodse steun aan de Sovjet-Unie organiseerden middels hun geschriften en radio-uitzendingen vanuit Rusland. In 1943 reisden Michoëls en vicevoorzitter Itzik Fefer naar de Verenigde Staten en Groot-Brittannië om fondsen te werven. In de V.S. haalden ze meer dan 3 miljoen dollar op.
Bijgesteld doel Toen nazi-Duitsland een flink deel van Rusland in bezit had genomen zorgde de holocaust voor vernietiging van de Joodse cultuur en identiteit. Nadat de Duitsers waren teruggedreven en gevluchte Joden weer vanuit het oosten terugkeerden, werd het oorspronkelijke doel van het orgaan uitgebreid. De focus werd nu gelegd op hervestiging van Joodse vluchtelingen, herbouw van Joodse gemeenschappen, Joodse collectieve boerderijen, herstel van cultuur en identiteit. Het JAC ontving veel verzoeken om hulp en bemiddeling van in problemen geraakte Joden die merkten dat ze hun huis, land of werk van voor de oorlog niet konden terugkrijgen. Daarmee ging het JAC andere dingen doen dan datgene waarvoor de overheid haar in het leven had geroepen. Niet iedereen was het eens met de richting die men insloeg, velen dachten dat het JAC zich "bemoeide met zaken waar ze buiten moesten blijven."
Oktober 1946 kwam een melding van het Ministerie van Staatsveiligheid naar het Centraal Comité van de Communistische Partij en de Raad van Ministers, dat het JAC "op een geheime manier" extra taken op zich nam die thuishoorden bij de hoofdcommissaris voor de Joodse bevolking. Ze wierp zich op als tussenpersoon tussen die bevolking en de Sovjet-partijorganen. Dat ging hun competentie te boven, was politiek schadelijk en niet te tolereren. Een voorstel tot liquidatie van het JAC ging op 26 november 1946 naar Stalin.Comité voor Partijcontrole, Centraal Comité van de Communistische Partij, 1989
Opheffing Een van de problemen was dat het JAC met een voorstel kwam om het schiereiland de Krim tot nieuw Joods thuisland te maken en daar ontheemde Russische joden te vestigen. In een deel van de Krim waren in de jaren na 1920 al Joodse landbouwkolonies ontstaan. Dit voorstel wekte wantrouwen van het Stalinregime. De nieuwe staat Israël, opgericht in mei 1948, bleek toenadering tot het westen te zoeken in plaats van aansluiting bij socialistische landen. De eerste Israëlische ambassadeur in Moskou, Golda Meïr, werd in september 1948 door de Joden in Rusland enthousiast verwelkomd. Een Joods de Krim kon een bruggenhoofd worden voor het met Israël bevriende Amerika. De in de oorlog benodigde solidariteit tussen Russische en buitenlandse Joden was niet langer nodig of gewenst. Als gevolg hiervan werd besloten tot eliminatie van het JAC in november 1948. In het besluit wordt genoemd dat het "Comité is het centrum van anti-Sovjet propaganda en verstrekt regelmatig informatie aan buitenlandse inlichtingendiensten". Er werd aan toegevoegd om "niemand te arresteren".Dit kan betekenen dat arrestaties vrij normaal waren. Ook andere Joodse organisaties zoals scholen, theaters en uitgevers, werden opgeheven, het begin van een campagne tegen zionisten en zogenoemde "niet-gewortelde cosmopolieten", een eufemisme voor Joden.
Doctor in de historische wetenschappen Gennadi Kostirtsjenko gelooft dat het lot van het JAC door Stalin persoonlijk werd beslist.In 2008 promoveerde hij op: Politiek leiderschap van de USSR en intellectuelen van Joodse afkomst, 1936-1953. Voorafgaand aan de formele opheffing en erna werd, in tijdsvolgorde: in 1945 viceminister Lozovski, tevens een belangrijk JAC-lid, ontslagen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. in 1947 Lozovski ontslagen als hoofd van het Sovinformbureau, een functie die hij vanaf midden 1946 bekleedde. in 1948 op 12 januari Michoëls gedood; hij was medeoprichter van het JAC en directeur van het Joods Theater in Moskou. in de tweede helft van 1948 begonnen de arrestaties van dichters en schrijvers. in 1949 werd het Joods theater in Moskou gesloten.*
Arrestaties en ondervraging Arrestaties De eerste arrestatie, van de dichter David Gofstein, vond plaats te Kiev op 16 september 1948. Na lange ondervragingen beschuldigde hij in december 1948 onder druk Michoëls, Fefer en andere leiders van het JAC. Eind december werd Fefer gearresteerd. Medelid en dichter Peretz Markish merkte op: "dit beest zal er veel met zich meeslepen". De laatste arrestatie was begin juli 1949. Drie personen die deel uitmaakten van het presidium van het JAC werden niet gearresteerd: Yakov Kreiser, kolonel-generaal, Held van de Sovjet-Unie Alexander Frumkin, wetenschapper, lid van de Russische Academie van Wetenschappen Moses Gubelman, vakbondsleider Omdat er geen officiële meldingen van arrestaties waren, leek het erop dat een aantal mensen was verdwenen. In het Westen zorgde dit voor bezorgdheid, omdat diverse gearresteerden in het buitenland zeer bekend waren. Op een conferentie in New York in maart 1949 moest de voorzitter van de Unie van Sovjetschrijvers, Alexander Fadeev, liegen dat hij zijn Joodse collega's vrij recent had gezien.
Aanklachten miniatuur|rechts|Arrestatiebevel Lozovski De aanklachten tegen de gearresteerden noemden "contrarevolutionaire misdrijven" en georganiseerde acties met de bedoeling de Sovjet-Unie omver te werpen, te ondermijnen of verzwakken.Lustiger, Arno, Stalin and the Jews (New York: Enigma Books, 2003) blz. 222. Aanvullend onthulde de aanklacht dat het onderzoek bewees dat de aangeklaagden het JAC hadden gebruikt als middel om te spioneren en een anti-overheidssentiment te promoten. Zo zouden Michoëls en Fefer bij hun bezoek aan de V.S. in 1943, "lasterlijke" informatie over de Joden in de Sovjet-Unie hebben doorgegeven aan Chaim Weizmann.Brief van Ignatjev aan Malenkov De aanklacht verzekerde verder dat de aangeklaagden al voor hun betrokkenheid bij het JAC vijanden van de regering waren en dat het JAC diende als internationaal netwerk voor het verspreiden van anti-Sovjet standpunten. Extra nadruk op het uitwisselen van relatief onschadelijke informatie tussen de leiders van het JAC en Joden in het buitenland, met name Amerikaanse journalisten, verhoogde de beschuldiging van spionage. Een ander bewijsstuk was een brief dd. 15 februari 1944 die het JAC aan Stalin schreef met een formeel verzoek dat de Krim een nieuw Joods thuisland zou kunnen worden.
Ondervraging Alle beklaagden ondergingen langdurige verhoren die, behalve voor Itzik Fefer en Lina Stern, gepaard gingen met mishandeling. Fefer werkte al snel mee met de ondervragers en droeg voor anderen belastende verklaringen aan. Uiteindelijk leidde dit alles tot gedwongen, valse bekentenissen van allen, behalve Shimeliovitsj. Eén beklaagde, Joseph Joezefovich, vertelde in de rechtszaal "Ik was na een meppartij bereid te bekennen dat ik de neef van de paus was en dat ik handelde naar zijn persoonlijke orders". Een ander, Boris Shimeliovitsj, zei dat hij meer dan 2000 slagen op zijn achterste en hielen had geteld, maar hij was de enige die weigerde iets te bekennen. Drie jaar later kon hij nog niet lopen en werd op een stretcher de rechtszaal binnengedragen.
Aangeklaagden Peretz Markish (1895-1952), Jiddisch dichter, medeoprichter van de Schrijversschool, een Jiddisch literaire school in Sovjet-Rusland. Wordt de leidende persoonlijkheid in de Sovjet-Jiddische literatuur genoemd. Ontving de Leninorde in 1939.Forward - Culture - Yiddish Geraadpleegd 12 januari 2018 Werd geestelijk gestoord na drie jaar gevangenschap en marteling. David Hofstein (1889–1952), Jiddisch dichter. Vertrok in 1923 naar Duitsland en daarna Palestina. Keerde in 1928 terug naar Rusland. Itzik Fefer (1900–1952), Jiddisch dichter, vicevoorzitter van het JAC. Werd in 1919 lid van de Communistische Partij en het Rode Leger; toegewijd volger van Jozef Stalin. Informant voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken (MVD) sinds ten minste 1943; speelde een dubbelrol. Leib Kvitko (1890–1952), dichter en kinderboekenschrijver David Bergelson (1884–1952), romanschrijver Solomon Lozovski (1878–1952), lid van het Centraal Comité van de Communistische Partij, kende Lenin en Stalin; directeur van het Sovjet Informatie Bureau dat tijdens de oorlog de berichtgeving naar de buitenlandse pers regelde; vanaf 1939 plaatsvervangend Minister van Buitenlandse Zaken. Ontkende stellig de beschuldigingen tegen hemzelf en de anderen. Boris Sjimeliovitsj (1892–1952), medisch directeur van het Botkinziekenhuis in Moskou, en actief bestuurslid van het JAC. Werd in 1920 bolsjewiek nadat zijn broer in de oorlog tegen de Witten was gesneuveld. Benjamin Zuskin (1899–1952), assistent van en opvolger van Solomon Michoëls als directeur van het Joods Theater, Moskou. Joseph Joezefovich (1890–1952), onderzoeker bij het Historisch Instituut, Sovjet Academie van wetenschappen, vakbondsleider. Leon Talmy (1893–1952), vertaler, journalist, voormalig oprichter en lid van de Communistische Partij van de Verenigde Staten. Ilya Vatenberg (1887–1952), vertaler en redacteur van Eynikeyt, krant van het JAC; leider van linkervleugel van de Zionisten in Oostenrijk en de V.S. voordat hij in 1933 naar de USSR terugkeerde. Chaika Vatenburg-Ostrovskaya (1901–1952), vrouw van Ilya, vertaler bij JAC Emilia Teumin (1905–1952), plv. redacteur van het Diplomatic Dictionary; redacteur Internationale afdeling, Sovjetinformbureau.