thumb|Arnold Hendrik de Hartog (circa 1922) Arnold Hendrik (Nol) de Hartog (Rotterdam, 11 april 1869 - Amsterdam, 9 december 1938) was een Nederlands Hervormde theoloog, predikant en hoogleraar. Zijn ideeën ontleende hij aanvankelijk aan zijn leermeester Abraham Kuyper, maar later kon hij zich niet meer verenigen met diens verstandelijke gereformeerde theologie, die voor hem een te gesloten stelsel vormde. Hij spande zich in om aan de hand van met name de wijsbegeerte van Arthur Schopenhauer en van Eduard von Hartmann het ‘gerationaliseerde’, conventionele christendom van een nieuw elan te voorzien, en het tegelijkertijd tegen het atheïsme te verdedigen.Een gedeelte uit Biografisch woordenboek van Nederland 4. Gearchiveerd op 20 december 2019.

Levensbeschrijving De Hartog promoveerde in 1903 cum laude met zijn proefschrift Het probleem der wilsvrijheid naar Schopenhauer. Daarna werd hij predikant in Ommeren in de Betuwe, tot hij in 1906 werd beroepen naar Heemstede. In dat jaar trouwde hij met J.L.G. Meyjes. Zij schreef en vertaalde uit het Duits en gaf cursussen aan de Internationale School voor Wijsbegeerte in Amersfoort, die haar man in 1916 mede had opgericht. Hun tweede zoon, Jan de Hartog, werd bekend als schrijver van romans.

In 1910 werd De Hartog predikant in Haarlem, en van 1917 tot 1931 was hij predikant voor de Nederlands Hervormde kerk in de Watergraafsmeer in Amsterdam. Daarnaast preekte hij regelmatig in de Westerkerk en in de Ronde Lutherse Kerk aan het Singel, die dan afgeladen vol waren. De Hartog was populair vanwege zijn hartstochtelijke en meeslepende manier van preken, met een eigen betoogtrant en woordkeus. Hij was een gedreven, sociale en meevoelende predikant die gesprekken met andersdenkenden niet uit de weg ging. Velen werden door hem geïnspireerd, onder wie de twee broers Wim en Jan Leene.Gedeelte uit het boek 'Geroepen tot het wereldhart'. Gearchiveerd op 3 februari 2021. De gedrevenheid van De Hartog sloot aan bij de pioniersgeest die heerste in Nederland in het interbellum, de periode tussen de beide wereldoorlogen.Gedeelte uit de symposionbundel 'Op vleugels van vuur'. Gearchiveerd op 2 juli 2019.

De Hartog was van 1926 tot 1930 bijzonder hoogleraar in de apologie van het christendom aan de Universiteit Utrecht, vanwege de naar hem genoemde A.H. de Hartog-stichting, die was opgericht door een groep aanhangers.Catalogus Professorum, Universiteit Utrecht. Gearchiveerd op 8 mei 2018. Hij werd eind 1930 benoemd tot gewoon hoogleraar in de wijsbegeerte van de godsdienst en de zedenkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn gehoor bestond uit daar slechts een klein aantal lutherse en doopsgezinde studenten. De laatste jaren van de Hartogs waren weinig gelukkig omdat hij zich geïsoleerd en miskend voelde.Levensbeschrijving op protestant.nu Hij overleed op 69-jarige leeftijd na een lang en pijnlijk ziekbed.

De Hartogs gedachtegoed Filosofie was belangrijk in het denken van De Hartog. Hij beschouwde haar als onlosmakelijk verbonden met theologie, aangezien beide streven naar her ware. Hij kon zich goed vinden in het denken van Schopenhauer, Schelling en Hartmann. Daarin bespeurde hij een herleving van de metafysica, die in zijn tijd en cultuur werd verwaarloosd. De Hartog wilde godsdienst en wijsbegeerte met elkaar in overeenstemming brengen door aan te tonen dat ook in de filosofie wel wordt uitgegaan van allesomvattend, bezielend eenheidsprincipe waaraan alles ten grondslag ligt, en waardoor alles met alles verbonden is. Die denkwijze staat nu bekend als het holisme.

Zowel De Hartog als zijn vrouw Luc de Hartog-Meyjes werden sterk geïnspireerd door Jakob Boehme. Allebei hebben zij een bloemlezing met citaten van deze Duitse protestantse mysticus gepubliceerd.De roede des drijvers verbroken - een bloemlezing uit het werk van Jacob Boehme door J.L.G. de Hartog-Meyjes, 1909, en Levend in de eenvoud van Christus, herziene en verkorte uitgave van 'Uren met Jacob Boehme' door dr. A.H. de Hartog, 1915, De Hartog heeft een belangrijk bijdrage geleverd aan de popularisering van enkele filosofen, die hij behandelde in de boekenserie 'Groote denkers' (uitg. Hollandia-Drukkerij Baarn). Daartoe behoorden Spinoza, Kant, Schopenhauer, Fichte, Schelling, Hegel en Hartmann.

Tevens was hij redacteur van Nieuwe Banen - Tijdschrift ter Verdediging en Verdieping van de Christelijke Wereldbeschouwing (ook wel: Bijdragen ter verdediging en verdieping van de Christelijke wereldbeschouwing), dat in de periode 1908-1926 tien maal per jaar verscheen.

Hij was een van de auteurs van Hundert Autoren gegen Einstein, een verzameling essays die Einstein's speciale en algemene relativiteitstheorieën in twijfel trekken.Hundert Autoren gegen Einstein, Redacteuren: E. Ruckhaber, H. Israël, R. Weinmann, Voigtländer, Leipzig (1931)

Bibliografie Het probleem der wilsvrijheid naar Schopenhauer, 1903 De theologie en hare plaats in het kader der wetenschappen, Theologische Studiën 21(1903), 409-430 Over de mechanische en theologische natuurbeschouwing, Theologische Studiën 22(1904), 198-228 Eenige opmerkingen aangaande de kennisleer, Theologische Studiën 22(1904), 265-284 De historische critiek en het geloof der gemeente. Eene beschouwing, 1905 Uut 't lève, 1905, 1934 Het organisme der wetenschap, Theologische Studiën 23(1905), 181-194 Eduard von Hartmann, 1906 Religie en wetenschap (levensvragen), 1906 Een misverstand, Theologische Studiën 24(1906), 176-184 De persoonlijkheid, Theologische Studiën 24(1906), 313-334 Bolland en de muziek, open brief aan den heer Willem Hutschenruyter, 1907 De redelijkheid der religie, 1907; 1919 De heilsfeiten, 1907; 1916 Mijn overtuiging nogmaals bevestigd tegenover ds. C. Lindeboom's referaat op den Theologische-Schooldag te Kampen 8 juli 1908 Reinke's dominantenleer, Nieuwe Banen 1(1908) 9-17 Supra-historisch, Nieuwe Banen 1(1908), 33-48 Het principieel verschil tussen "orthodox" en "modern", Nieuwe Banen 1(1908), 65-76, 97-105 Natuur en geest, Nieuwe Banen 1(1908), 129-138, 161-173 Verweer en verzoek, Nieuwe Banen 1(1908), 157-159 De bezwaren overwogen, Nieuwe Banen 1(1908), 202-228 Het christendom als wereldbeschouwing, Nieuwe Banen 1(1908), 261-292 Aangaande het Darwinisme, Nieuwe Banen 1(1908), 293-308 Velerlei misverstand, De Nederlander 21-6-1908), Openbaring en Bijbel, Nieuwe Banen 2(1909), 1-31 Het materialisme, Nieuwe Banen 2(1909), 33-51, 65-80 De werkelijkheid en het menschelijk denken, Nieuwe Banen 2(1909), 97-108, 129-146 De rok zonder naad, Nieuwe Banen 2(1909), 147-153 De drieeenheid, Nieuwe Banen 2(1909), 161-167, 193-198, 225-236, 257-271, 289-299 Groote denkers. Kant - Schopenhauer - Von Hartmann - Fichte - Schelling - Hegel, 1909 Drie wijsgeeren onzer dagen, 1910 De godsdienst gehandhaafd door de wetenschap. Stenografisch verslag van het openbaar debat tusschen A.H. de Hartog en F. Domela Nieuwenhuis, gehouden op 21 december 1909 in de "Societeit Vereeniging" te Haarlem, Gestenografeerd door D. Blom, Haarlem, De Dageraad, 1910 Inree-preek gehouden te Haarlem in de Groote Kerk op zondaf 17 april 1910, 1910 Weg met de scheidsmuren. Antwoord eener theosofe op eene toespraak gehouden door A.H. de Hartog in de Wahane Loge der Theosofische Vereeniging den 7en october l.l., met een wederwoord van A.H. de Hartog, 1910 De schepping, Nieuwe Banen 3(1910), 1-12, 33-41, 65-85, 97-107, 129-135 Levende steenen, Nieuwe Banen 3(1910), 13-20 Eer Abraham was ben ik, Nieuwe Banen 3(1910), 86-89 Nu ziet U mijn oog, Nieuwe Banen 3(1910), 108-113 De voorwaarden tot een levenskrachtige theologie, Nieuwe Banen 3(1910), 142-156 De Val, Nieuwe Banen 3(1910), 161-164, 193-199, 225-237, 257-265, 289-300; 4(1911), 1-32 Des konings schoonheid (Nieuwe Banen 3(1910), 165-170 Twee moeders, Nieuwe Banen 3(1910), 238-242 De vorm als wereldbeginsel, Nieuwe Banen 3 (1910), 243-245 Een nieuwe hypothese op het gebied der ontwikkelingsleer, Nieuwe Banen, 266-268 Verzoening. Eene beschouwing, 1910 Noodzakelijke aanvullingen tot Calvijn's Institutie (3 delen) 1911; 1912 De zegen van den vloek, Nieuwe Banen 4(1911), 33-41 Aangaande de Verkiezing, Nieuwe Banen 4(1911), 42-50, 73-78, 105-112 De theosofie, Nieuwe Banen 4(1911), 51-58, 79-87, 152-155 De erfzonde, Nieuwe Banen 4(1911), 65-72 De natuurlijke en de geestelijke mensch, Nieuwe Banen 4(1911), 97-104 Vergeestelijking, Nieuwe Banen 4(1911), 129-141, 161-166 Tijd en eeuwigheid, Nieuwe Banen 4(1911), 167-172 Het wonder, Nieuwe Banen 4(1911), 173-178 Geloof, Nieuwe Banen 4(1911), 179-182 Het heilsproces, Nieuwe Banen 4(1911), 193-204 Christian Science, Nieuwe Banen 4(1911), 205-212, 230-242, 302-311, 314-320 De Heilsmiddelaar, Nieuwe Banen 4(1911), 225-229, 257-264 De vleeschwording des Woords, Nieuwe Banen 4(1911), 289-294 De wonderbare geboorte, Nieuwe Banen 5(1912), 1-9 Het spiritisme, Nieuwe Banen 5(1912), 10-16, 41-45, 88-91, 105-109 Nietzsche, Nieuwe Banen 5(1912), 17-18, 70, 125-128, 191-192, 214-217, 232-240, 264-272, 307-313 De Christus naar Johannes, Nieuwe Banen 5(1912), 33-35 Een bedenkelijke bladzijde, Nieuwe Banen 5(1912), 36-40 De Zoendood, Nieuwe Banen 5(1912), 65-69, 97-104, 129-136, 161-166 Belooning en bestraffing, Nieuwe Banen 5(1912), 83-87, 122-124 Over spiritisme, Nieuwe Banen 5(1912), 150-151 De bedenkelijke bladzijde toegelicht, Nieuwe Banen 5(1912), 174-178 De opstanding, Nieuwe Banen 5(1912), 193-198, 225-231 De bedenkelijke bladzijde nader besproken, Nieuwe Banen 5(1912), 199-209 Hemelvaart, Nieuwe Banen 5(1912), 257-263 Heilige Geest en kerk, Nieuwe Banen 5(1912), 289-293 De godsdienst gehandhaafd door de wetenschap. Stenografisch verslag van het openbaar debat tusschen A.H. de Hartog en A.H. Gerhard, gehouden op 1 april 1913 in het gebouw "Salvatori" te Amsterdam, uitgeschreven door de vereeniging "De Middaghoogte" te Amsterdam, 1913 Philosofie der religie in grondlijnen. Stuk 1. Inleiding, 1913 Multatuli’s wereldbeschouwing, 1914 Uren met Jacob Boehme, 1915, een gemoderniseerde versie is uitgegeven onder de titel ‘Levend in de eenvoud van Christus’ door Rozekruis Pers, 1998, Groote dogmatici. Calvijn, 1916 Grondbeginselen der dogmatiek, 1922 Christendom, 1922 Grondbeginselen van het christendom. Inaugureele rede, 1926 Naar aanleiding van Barth's verblijf in Nederland, 1926 Zekerheid, 1929 De zin van de dood, 1930 De theologie en hare plaats in het kader der wetenschappen. Rede bij de aanvaarding van het hoogleraarsambt aan de Universiteit van Amsterdam op 2 febr 1931 De zin van ons leven, 1931 Phaenomenologie van het christelijk bewustzijn, 1932 Voorbeschikking en uitverkiezing, 1934 Het leven van Jezus (twee delen), 1934 Openbaring van Johannes, 1935 Modern heidendom, 1935 de bergrede. Overdenkingen en overwegingen, 1936 De beteekenis van de Oxford-beweging, 1937 Christelijke wereldbeschouwing in vragen e-n antwoorden, 1938

Categorie:Hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam Categorie:Nederlands predikant