thumb|Kaart van Joan Blaeu (1649) thumb|Wapen van Vlaardingen Dit artikel behandelt de geschiedenis van de Nederlandse stad Vlaardingen.

Prehistorie Het gebied dat tegenwoordig Vlaardingen heet behoort tot de oudst bekende bewoonde gebieden in Holland. Uit opgravingen blijkt dat er al ten tijde van de late steentijd mensen in Vlaardingen woonden. Men spreekt in de archeologie van de Vlaardingencultuur en de periode waaruit de gevonden nederzetting dateert noemt men de Vlaardingen-tijd (3500 tot 2500 v.C.) In 1990 werd aan de rand van Vlaardingen een ruim 3300 jaar oud skelet gevonden. Zeventien jaar later werd bekend, dat hierin het oudste menselijke celkern-DNA zat, dat tot op heden in Nederland is vastgesteld. Het skelet wordt de Krabbeplasman genoemd, naar de plek waar hij gevonden is.

Ook na deze periode bleef Vlaardingen bewoond, zij het met onderbrekingen. Er zijn resten van boerderijen uit de ijzertijd opgegraven, waaruit blijkt dat het gebied voor Nederland dichtbevolkt was, gerekend naar maatstaven uit die tijd. Het zuidelijke deel van de Hoogstraat werd in deze periode reeds bewoond.

Er zijn resten van de oudste dammen van West-Europa aangetroffen, die rond 175 v.Chr. zijn aangelegd door boeren om hun land te beschermen tegen het binnendringende water uit de kreken. Er is ook een klepduiker in de vorm van een uitgeholde boomstam, met aan een uiteinde een klep gevonden, die rond het begin van de jaartelling moet zijn ingegraven. Daarmee is het het oudste sluisje van West-Europa.

Romeinen In de Romeinse tijd mag men een nederzetting genaamd Flenio of Flenium in of in de buurt van Vlaardingen vermoeden. Flenium staat op de Peutingerkaart (Tabula Peutingeriana) vermeld als gelegen tussen Tablis (Oud-Alblas?) en Forum Hadriani (Voorburg) aan de zuidelijke heerweg (dus niet de limes) Noviomagus (Nijmegen) - Lugdunum Batavorum (Katwijk-Brittenburg). Resten van Flenio zijn echter vooralsnog niet getraceerd. Het is echter heel goed mogelijk dat Flenio en de daarop aansluitende Romeinse wegen zijn weggespoeld.

Kerstening Vanaf de tweede helft van de derde eeuw tot in de zevende eeuw is Vlaardingen, zoals zo veel gebieden in West-Nederland, waarschijnlijk onbewoond geweest. Rond het jaar 700 zou hier echter een kerkje zijn gesticht en was er mogelijk een nederzetting. Misschien bestond de nederzetting uit twee terpen: één met een handelsnederzetting en één met een religieuze bestemming, zo'n situatie is van elders bekend. De kern van de handelsnederzetting moet op de huidige Hoogstraat worden gezocht, in de buurt van de Blokmakersplaats. De kerk stond waarschijnlijk iets zuidelijker, op de plaats van de huidige Grote Kerk. Als stichter van de kerk wordt een geestelijke genaamd Heribald genoemd, die de kerk aan Willibrordus zou hebben geschonken. De kerk van Vlaardingen behoort daarmee tot de oudste moederkerken van Holland. Willibrordus schonk de kerk op zijn beurt aan de Abdij van Echternach.

De terp waarop de kerk staat vormt tegenwoordig een geheel met de terp waarop de handelsnederzetting was gebouwd. Daardoor behoort de terp van Vlaardingen, die zich uitstrekt van de Markt tot voorbij de Blokmakersplaats, tot de grootste uit Magna Frisia.

Graven In 985 krijgt graaf Dirk II van Holland van de Duitse keizer het goed Masalanda in eigendom. Dit onontgonnen gebied had hij daarvoor al in leen verkregen. Het gebied is van groot strategisch belang, want wie Vlaardingen beheerst heeft ook de Maasmonding in handen, en kan daarmee controle uitoefenen op de handel over de rivier. De graaf laat in Vlaardingen een sterkte bouwen en een omvangrijk grafelijk hof aanleggen. Vanaf dat moment fungeert Vlaardingen als een van de 'hoofdsteden' van het graafschap. De strategische positie aan de Maasmond wordt uitgebuit door van passerende handelsschepen (illegaal) tol te heffen. Uiteraard wordt hiertegen bij het keizerlijke hof geprotesteerd. Dit resulteert in de Slag bij Vlaardingen, in 1018. Hier verslaat Graaf Dirk III, met steun van de plaatselijke bevolking, een leger van de Duitse keizer dat was gestuurd om de illegale tolheffing te doen stoppen en om gebied dat Dirk III van de bisschop van Utrecht zou hebben afgepakt te heroveren. Tussen 1046 en 1049 zijn er in en om Vlaardingen wederom gevechten tussen enerzijds de graven en anderzijds de keizer en de bisschop en daarbij verliest Dirk IV zelfs het leven. In 1070 weten de bisschop en de hertog van Lotharingen de graven helemaal uit Vlaardingen en Holland te verjagen. Dat duurt maar een paar jaar, want in 1076 herovert Dirk V het graafschap, door in Vlaardingen hertog Godfried met de Bult (Godfried III van Lotharingen) te laten vermoorden. Die aanslag staat te boek als de Vlaardingse toiletmoord.

Waarschijnlijk werd het strategisch gelegen Vlaardingen daarna verder uitgebouwd. Opmerkelijk is de bouw van een - voor die tijd - zeer grote romaanse kerk. De funderingen ervan zijn in de twintigste eeuw onder de huidige Grote Kerk teruggevonden. Wat precies de bedoeling van de Hollandse graaf met Vlaardingen was blijft vooralsnog echter onduidelijk. Overstromingen in het derde kwart van de twaalfde eeuw (met name de Sint-Thomasvloed (1163)) maakten aan de opkomst van Vlaardingen een einde. De handelsnederzetting verloor haar positie aan Dordrecht. De kerk waaraan begonnen was werd niet voltooid. De ontginningen lagen er jarenlang als een waddengebied bij, het benodigde dijkherstel was alleen te realiseren door het grafelijke gebied voor een belangrijk deel in leen uit te geven. De graven van Holland verlegden hun prioriteiten, het hof in Delft nam in belang toe. De ontwikkeling van Vlaardingen stagneerde.

Stadsrechten thumb|Molen Aeolus

Vlaardingen verkreeg waarschijnlijk voor 1273 stadsrechten. In 1273 verleent Graaf Floris V, stadsrechten die erop wijzen dat ze een uitbreiding zijn van eerder verleende rechten. Ook het stadsrecht van 1273 werd daarna verschillende malen uitgebreid. Dat heeft echter nooit geleid tot de bouw van stadsmuren. Meer dan een gracht (de Biersloot?) en hekken op de toegangswegen heeft de stad als afgrenzing nooit gekend. Wel werden bij archeologische opgravingen aan de Kortedijk restanten van een fundering ontdekt, die mogelijk wijzen op de aanwezigheid van een poortgebouw.

Tachtigjarige Oorlog Aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog is sprake van een 'open stad' en is Vlaardingen nauwelijks te verdedigen. Wanneer de Spanjaarden de Schans in Maaslandsluis (Maassluis) in 1574 in bezit nemen dreigt Vlaardingen een uitvalsbasis voor Spaanse aanvallen op prinsgezind Schiedam te worden. Willem van Oranje besluit daarom dat Vlaardingen onbruikbaar voor de vijand gemaakt moet worden. Een groep poorters van Schiedam besluit daarop Vlaardingen te plunderen en in brand te steken. Nauwelijks enig gebouw lijkt daarbij gespaard te zijn. Gevluchte Vlaardingers wordt bij de stadspoorten van Schiedam de toegang tot de stad geweigerd. Tot laat in de twintigste eeuw was er sprake van schermutselingen tussen Schiedamse en Vlaardingse jeugd op de grens van beide steden, waarvan wordt gezegd dat deze teruggaan op deze geschiedenis.

Na deze oorlogsellende herstelde de stad zich maar moeizaam. Aan het begin van de zeventiende eeuw had het dorp Maassluis aanmerkelijk meer huizen dan de stad Vlaardingen. Tijdens het Twaalfjarig Bestand ging de ambachtsheerlijkheid van Vlaardingen en Vlaardingerambacht over in handen van de Amsterdamse koopman Van Ruytenburg. Vlaardingen was en bleef een soort halfstad, deels met eigen rechten, deels onder het gezag van de ambachtsheer. De Vlaardingers zouden in de eeuwen daarna nog heel wat strijd moeten blijven leveren om hun rechten veilig te stellen. De tweede ambachtsheer Van Ruytenburg, Willem, is echter wereldberoemd. Hij staat in zijn gouden praalharnas pontificaal op de voorgrond van De Nachtwacht. Sinds de gemeente Vlaardingen in 1830 de ambachtsheerlijkheid kocht (van de familie Van Leyden Gael) is de stad echter zelf 'ambachtsheer'.

Visserij thumb|left|250px|Visbank Belangrijk voor de stad is zeker vanaf de achttiende eeuw de haringvisserij. Schiedam en Rotterdam waren tot die tijd ook belangrijke vissersplaatsen. Schiedam ging zich echter meer toeleggen op de jeneverindustrie, Rotterdam meer op de handel. Dat leidde ertoe dat Vlaardingen zich op de zeevisserij kon richten en als vissersplaats kon opbloeien. De stad overvleugelde daarbij alras ook Maassluis. Er ontstond langzaam maar zeker wel een monocultuur, waarbij vrijwel iedereen in de stad economisch afhankelijk was van de visserij. Dat wreekte zich in oorlogstijd, als de vloot niet uit kon varen. Ook gedurende de tijd dat het Continentale Stelsel werd gehandhaafd (tijdens de inlijving in het Franse Keizerrijk) was het in Vlaardingen armoe troef. Na de totstandkoming van het soeverein vorstendom der Nederlanden, in 1813, kon Vlaardingen zich echter ontwikkelen tot de belangrijkste Nederlandse haven voor de haringvisserij. Wel was de verzanding van de Maasmond een probleem. De aanleg van het Kanaal door Voorne en later de Nieuwe Waterweg waren daarom voor Vlaardingen van grote betekenis. Hetzelfde geldt voor de aansluiting op het spoor in 1891. De export van haring naar Duitsland kon daardoor enorm toenemen. Tot ver in de 20e eeuw was Vlaardingen de derde vissershaven van Nederland. In tegenstelling tot bijvoorbeeld IJmuiden en Scheveningen vonden er in de loop van de twintigste eeuw echter geen investeringen meer plaats in de visserij. Na de opkomst van de industrie, waar de arbeidsomstandigheden beter waren, nam de visserij sterk in betekenis af. In 1949 werd de visbank die fungeerde als visafslag gesloten. In 1964 werd voor het laatst vanuit Vlaardingen uitgevaren, met negen haringloggers. Dit aantal schepen, die daarna uitvoeren vanuit een andere haven, werd allengs minder en de rest van de visserij-activiteiten verdween eveneens vrijwel geheel uit de stad. In 1977 werd de vishal gesloopt. In 1987 verkocht de Vlaardingse haringhandelaar W. Kwakkelstein het laatste Vlaardingse visserschip, de Monica, oftewel de Vlaardingen 89. In 2017 werd ook de voormalige rederij en vishandel Hoogendijk overgenomen door een branchegenoot uit IJmuiden. Van de ooit aanzienlijke vissersvloot ligt anno 2020 alleen nog de gerestaureerde Vlaardingen 92 aan de Vlaardingse kade, als museumschip. miniatuur|left|De VL 92 Balder op haar vaste ligplaats in Vlaardingen

Industrie en havens De Vlaardingse haven is altijd van groot belang geweest omdat deze zowel een goede zeehaven als een goede Rijn- en Maashaven was. Aan het einde van de negentiende eeuw ontwikkelt zich daardoor ook industrie die van die havenfaciliteiten kan profiteren. Naast een boterfabriek (uitvoer naar Engeland) moet hierbij vooral ook de meelfabriek van de gebroeders Van Dusseldorp worden genoemd. Het belangrijkste gebouw ervan, uit de jaren tachtig van de negentiende eeuw, werd door een Waalse firma ontworpen. De kennis die nodig is voor het bouwen van een stoommeelfabriek was in de Noordelijke Nederlanden nog onvoldoende beschikbaar. Het fabrieksgebouw, vanwege zijn laatste functie bekend als 'de Pelmolen', er werden erwten gepeld, staat aan de monding van de Oude Haven. Het is verbouwd tot appartementencomplex.

thumb|250px|Stadsvilla gebouwd in 1883 door de reder A.H.C.M.J. IJzermans