De egel (Erinaceus europaeus) is een zoogdier uit de familie van de egels (Erinaceidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus in de tiende editie van Systema naturae. (1758). Systema naturae ed. 10: 52. Gearchiveerd op 2 december 2022. De egel is vooral bekend om zijn stekelvacht en de gewoonte om zich bij gevaar op te rollen.

Verspreiding en leefgebied De soort komt voor in een groot deel van West-Europa, van Zuid-Scandinavië en Duitsland tot Noordwest-Rusland en in Ierland en Groot-Brittannië. Ook wordt hij gevonden in het zuiden van Europa op het Iberisch Schiereiland, Italië, Corsica, Sardinië en Sicilië. In Oost-Europa leeft de nauw verwante Oost-Europese egel (Erinaceus roumanicus). De West- en Oost-Europese egels kunnen onderling hybridiseren. De egel is ingevoerd in Nieuw-Zeeland. De eerste egels werden in 1885 uitgezet in Dunedin en Christchurch ter bestrijding van plaagdieren. Meer officiële en onofficiële uitzettingen volgden. Egels werden daarna algemeen op zowel het Noordereiland als het Zuidereiland, de hoge bergstreken uitgezonderd. In de jaren negentig van de twintigste eeuw is de egel ook ingevoerd op de Azoren.

Egels komen voor in een grote variatie aan landschappen, zolang er voldoende beschutting is en de bodem niet al te vochtig. Ze zijn plaatselijk talrijk in loofbossen met ondergroei, vochtige weiden en grasvelden. Egels houden van randgebieden waar deze leefgebieden samenkomen. Het dier komt ook voor in zandduinen, mits begroeid. Ook in de buurt van de mens komt hij voor, voornamelijk in tuinen en boomgaarden. Hij is algemener in halfstedelijk dan in landelijk gebied. In versnipperd gebied gebruikt hij bermen en kleine paadjes als verbindingswegen. Egels zijn te vinden van zeeniveau tot 2000 meter hoogte maar mijden naaldwouden en moerasgebieden.

Uiterlijke kenmerken thumb|Een egel heeft een vacht aan de kop- en buikzijde en stekels aan de rugzijde.

De egel is een van de grotere insecteneters.Rollin, S. "N°34 de egel" (1995), Honders, J. (red.) Dieren in het wild, Société des Périodiques Larousse. Hij heeft een gedrongen lichaam, een spitse kop en een kleine staart, die hij verborgen houdt tussen de stekels. De kop begint breed, maar loopt spits toe naar de donkere snuit. Aan het uiteinde van de snuit bevinden zich tien paar neusharen. De oren zijn klein en nauwelijks zichtbaar. De ogen zijn klein en zwart en staan zijwaarts in het gezicht. De schedel is verlengd. De 36 tanden zijn primitief en weinig gespecialiseerd. De twee snijtanden in de onderkaak zijn groot, vrijwel plat en wijzen naar voren. Zij staan dicht bij elkaar. De tanden in de bovenkaak zijn juist puntig en staan ver uiteen. De tanden slijten snel door zand, steen en aarde die de dieren meekrijgen met het voedsel. Hierdoor zijn de tanden bij oudere dieren vaak afgebroken of zelfs verdwenen.

Alhoewel bij het lopen de buik zich dicht bij de grond bevindt, zijn de poten vrij lang, ongeveer tien centimeter van de heup naar de tenen. Tijdens het lopen houdt het dier ze zeer gebogen. Aan iedere poot bevinden zich vijf tenen, die alle voorzien zijn van een klauw.

De vachtkleur varieert van geel- en grijsbruin tot donkerbruin. Een donker V-vormig masker loopt over de snuit. De buik is grijs- tot donkerbruin, met een bruine vlek op de borst die qua grootte varieert. Hiermee is de soort te onderscheiden van de nauw verwante Oost-Europese egel (Erinaceus roumanicus), die een witte borstvlek heeft. thumb|Detailopname van de stekels De kop, buik, poten, borst en keel zijn begroeid met een dunne vacht van lang, stug haar. De rug en flanken van de egel zijn bedekt met stekels, ook wel pennen genoemd. Meestal vindt men gemiddeld tussen de 5000 en 8000 stekels naargelang de bron. Deze bruingrijze stekels zijn 15 tot 25 mm lang en 1 tot 2 mm breed.Twisk, P. et al. (2010). Veldgids Europese Zoogdieren. Zeist: KNNV Uitgeverij. Een pen is hol en bestaat uit verscheidene lagen keratine. Met een stekelkop zit de pen in de rughuid verankerd.

Hij wisselt zijn stekels zelden en onregelmatig; gemiddeld gaan stekels zo'n 18 maanden mee, drie keer zo lang als een gemiddelde haar.MacDonald, D., Priscilla Barrett (1993). Field Guide Mammals, Londen: HarperCollins. In de stekelvacht heeft de egel een kenmerkend patroon. Om zich te kunnen oprollen, heeft een egel een aangepast spierenstelsel. Over vrijwel zijn hele lichaam loopt een koepelvormige staart-rugspier, die wordt samengetrokken als de kleine huidspieren zich aanspannen. De stekelige rughuid schuift vervolgens door het samentrekken van de dikke kringspier om het dier heen.

Een egelvrouwtje heeft vijf paar tepels.

Afmetingen en gewicht De egel heeft een kop-romplengte van 20 tot 30 cm, (2008) - Animal Life, Tirion Uitgevers BV, Baarn. een staartlengte van 18–44 mm en een lichaamshoogte van 12 tot 20 cm.

Het gewicht bij geboorte bedraagt 8-25 gram; op het moment dat ze geen moedermelk meer krijgen ligt het in de orde van 120 gram. In de zomer wegen volwassen egels tussen de 500 en 800 gram, maar in de periode vlak voor de winterslaap kan het lichaamsgewicht fors oplopen tot wel 1600, en in een extreem geval zelfs 2000 gram. Mannetjes zijn meestal iets zwaarder dan vrouwtjes, maar de geslachtsverschillen vallen in het niet vergeleken bij de zeer grote seizoenschommelingen. Egels in de bergen worden gemiddeld groter dan de egels uit lagergelegen gebieden. Eilandbewoners, zoals egels op de Britse Eilanden, zijn het kleinst.Rondinini, C. (2001) Hedgehogs and Moonrats in: MacDonald, D. (red.), The New Encyclopedia of Mammals, Oxford: Oxford University Press, p. 734-741.

Zintuigen Van de zintuigen is vooral de reukzin goed ontwikkeld. De reukcentra in de hersenen zijn eveneens goed ontwikkeld. Hierdoor kan een egel insecten die zich drie centimeter onder de aarde bevinden goed ruiken. Onbekende stoffen of nieuwe geurtjes onderzoekt de egel met het zogenaamde orgaan van Jacobson. Het is een extra zintuig dat tussen het gehemelte en de neusholte ligt. In speciale cellen worden adem en speeksel op nieuwe geur- en smaakprikkels onderzocht. Eerst beknaagt of beruikt de egel de nieuwe stof met grote aandacht, dan produceert hij enorme hoeveelheden speeksel. Als hij echter eenmaal de zintuiglijke ervaring heeft verwerkt, dan spuugt hij het speeksel op zijn rug terwijl hij zich in de vreemdste bochten wringt. Het orgaan is weer schoon en klaar voor verdere nieuwe prikkels. (Het zichzelf 'bespeekselen' wordt in veel gevallen met rabiës (hondsdolheid) verward, een ziekte waarvan egels juist weinig last hebben.)

Egels beschikken over een uitstekend gehoor. De ogen zijn slechter ontwikkeld, zelfs bijziend. Een egel kan wel kleuren onderscheiden.

Sporen thumb|Pootafdrukken van de egel

De pootafdrukken van egels zijn goed te herkennen. Meestal zijn alle vingers en tenen te zien. De achtervoet is smaller dan de voorvoet. De achtervoet is 25 millimeter breed en 40 tot 45 mm lang. De voorvoet is 25 tot 30 mm breed en tot 40 mm lang).Diepenbeek, A. van (1999). Veldgids Diersporen, Zeist: KNNV Uitgeverij. De nagel aan de vierde teen is twee tot drie keer zo groot als die aan de tweede teen. De binnenste teen van de achtervoet reikt tot aan de basis van de buitenste teen.

De broze uitwerpselen zijn glanzend zwart en cilindrisch met een punt aan één uiteinde, 8 tot 12 mm dik en 3 tot 6 cm lang. Vaak bevatten zij groene, blauwe, zwarte en paarse delen van keverdekschilden en andere duidelijk herkenbare insectenresten. Soms zitten er ook zand en steentjes in, waarschijnlijk meegekomen met het eten van wormen of slakken. Als hij een klein zoogdier of vogel heeft gegeten, zijn de uitwerpselen doffer en vaster, met resten van botten en haren. Het geluid van egels bestaat onder andere uit snuiven bij het eten, knorren bij gevaar en fluiten bij de paring. Andere geluiden zijn onder andere piepen, sissen en sjirpen.

Albino Een klein percentage van de egels kan een aangeboren albinisme-afwijking hebben. Dit is wanneer bij de egel het pigment melanine geheel of gedeeltelijk ontbreekt. Hierdoor hebben albino-egels een opvallend witte huid of vacht en vaak rode ogen. Ook de stekels van deze egel zijn ongewoon licht van kleur. Elk jaar worden er een aantal gered in het Natuurhulpcentrum.

Gedrag miniatuur|Dit is het leefgebied van de egel.

Een egel is een nachtdier. Hij slaapt ongeveer 18 uur per dag. Wanneer de egel wakker is, gaat hij op zoek naar eten. Ook kan hij bezig zijn met het bouwen van een nest. Egels gillen als ze pijn hebben of als ze angstig zijn.

Voedsel thumb|Egels zijn insectivoren, maar eten ook appels.

De egel is een insecteneter, die zijn voedsel voornamelijk in de ondergroei zoekt. Met zijn snuit spoort hij zijn prooien op tussen afgevallen bladeren, graspollen en losse aarde, terwijl zijn gehoor scherp genoeg is om prooidieren onder de grond te horen kruipen. Als hij de kans krijgt kan een egel binnen een paar uur meer dan tachtig regenwormen en/of kevers eten en ongeveer zeventig gram aan voedsel in een nacht verorberen. Vijftig gram is meer dan genoeg.

Het dieet is afhankelijk van het seizoen. In het voorjaar eten egels voornamelijk regenwormen, rupsen en kevers, maar in de zomer en het najaar voornamelijk wormen, slakken en mest- en aaskevers. Kevers worden eerst doodgebeten voordat ze worden opgegeten. Wormen worden levend gegeten. Ook insectenlarven, oorwormen, duizendpoten en pissebedden worden veelvuldig gegeten. Bij keus geeft hij de voorkeur aan zachtere ongewervelden als wormen en rupsen boven hardere als mestkevers. Bij slakken heeft hij een voorkeur voor kleinere, die hij in een keer kan doorslikken. Grotere huisjesslakken worden niet gegeten, waarschijnlijk omdat ze de stevige slakkenhuizen niet kunnen kraken.

De egel is vooral een opportunist. Hij vult zijn dieet aan met spinnen, kleine gewervelde dieren zoals kikkers, padden, hagedissen, slangen en kleine zoogdieren zoals knaagdieren, spitsmuizen en mollen. Verder staan op zijn menu ook aas, visresten, paddenstoelen, bessen, vruchten en eieren met een doorsnede tot 15 mm. Waarschijnlijk jaagt de egel meestal niet actief op kleine gewervelde dieren, maar worden zij als aas gegeten. In extreme omstandigheden doodt de egel zelfs kippen en kuikens. Naarmate de egel ouder wordt, verandert zijn dieet. Oudere egels hebben geleerd om efficiënter te foerageren. Zij richten zich meer op grotere insecten dan op jongere dieren. Bij het foerageren op kevers en larven doorzoeken egels soms ook paardenvijgen en koeienmest.

De egel is beter bestand tegen verscheidene soorten gif dan veel andere dieren. Zo kan hij bijvoorbeeld 35 tot 45 maal beter tegen adder- en wespengif dan een huiscavia, een dier van vergelijkbare grootte. Ook kan hij tegen een dosis arseen die vijfentwintig mensen zou doden.

Sociaal en territoriaal gedrag De egel heeft een solitaire leefwijze. Soms kan een paartje een nest delen, maar dit is voor een korte tijd. Een groepje egels bestaat meestal uit een moeder met jongen.

Hij is niet territoriaal: leefgebieden overlappen geregeld. Ook lijken egels hun gebied niet te verdedigen tegen andere egels. Egels die in hetzelfde gebied leven, mijden elkaar meestal door op verschillende tijdstippen op dezelfde plek te komen. Het leefgebied van een mannetje is tot wel vijf keer groter dan dat van een vrouwtje. Hij legt hierdoor ook dagelijks grotere afstanden af dan een vrouwtje, vijfhonderd meter tot drie kilometer per nacht. Ook maakt hij gebruik van meerdere nesten, terwijl een vrouwtje vaak aan één nest genoeg heeft.