Het Living Planet Report Nederland 2015 is de eerste editie voor Nederland van het Living Planet Report en is gebaseerd op de Living Planet Index Nederland (LPI 2015). Deze index volgt de gemiddelde veranderingen in de populatiegrootte van diersoorten vanaf 1990. De LPI 2015 toont dat het sinds 1990 weer wat beter gaat met de natuur in Nederland die sinds 1900 sterk was verarmd. Dat is een totaalbeeld. Er zijn soorten waar het goed mee gaat, soorten waar het slecht mee gaat en soorten die stabiel blijven; er zijn plaatsen waar de natuur zich wat herstelt, maar ook plaatsen waar de achteruitgang nog doorgaat. Door de LPI op te splitsen naar leefgebied (land, zoet water, zee) wordt duidelijk hoe verschillende soortgroepen het in verschillende leefgebieden doen.

Het rapport werd op 29 oktober 2015 gepubliceerd door het Wereld Natuur Fonds (WNF). Aan de studie die eraan ten grondslag ligt is bijgedragen door Naturalis Biodiversity Center, Centraal Bureau voor de Statistiek, Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen University & Research en duizenden vrijwilligers van de soortenorganisaties Anemoon, EIS, Ravon, Sovon, de Vlinderstichting en de Zoogdiervereniging.Persbericht WNF 29-10-2015, laatst geraadpleegd 6-9-2017 De voor de Living Planet Index gevolgde methodiek is ook wetenschappelijk gepubliceerd.Van Strien, A.J. et al (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200 (2016) 44–50

Dieren op het land thumb|Trend fauna land, 1990-2014 De omvang van populaties van diersoorten die vooral op het land leven, is sinds 1990 gemiddeld stabiel gebleven.Compendium voor de Leefomgeving, 1579; geraadpleegd 27-03-2017 De Rode Lijst graadmeter, die aangeeft hoeveel soorten het moeilijk hebben en hoe moeilijk zij het hebben, geeft grofweg hetzelfde beeld. Hij laat zien dat voor deze soorten de situatie tot 2005 slechter werd en dat er daarna geen verdere achteruitgang meer was, en zelfs een licht herstel.Compendium voor de Leefomgeving, 1573; geraadpleegd 27-03-2017 Nederland heeft veel verloren, maar het verlies lijkt hier nu gestopt. De ontwikkelingen van de natuur op het land in Nederland zijn momenteel beter dan die wereldwijd: de mondiale LPI voor land (voor gewervelde dieren) nam sinds 1990 af.WWF, 2014. Living Planet Report 2014. Species and spaces, people and places. WWF International, Gland, Switzerland.

thumb|Trend fauna habitatgeneralisten, 1990-2014 De populatieomvang van soorten die aan open natuurgebieden of aan agrarisch landschap zijn gebonden neemt af. De aantallen van soorten die overal kunnen leven, zoals sommige vleermuizen, roodborst en klein koolwitje, zijn gemiddeld matig toegenomen sinds 1990 en de laatste tien jaar stabiel gebleven.Compendium voor de Leefomgeving, 1582; geraadpleegd 28-03-2017 Deze niet aan specifieke leefgebieden gebonden soorten compenseren de afname van specialisten van open natuurgebieden en boerenland.

Met een toename van de populaties van soorten die overal kunnen leven kan een grotere eenvormigheid ontstaan. Zo gaat de samenstelling van de broedvogelpopulaties in willekeurige delen van Nederland steeds meer op elkaar lijken.Van Turnhout, C.A.M., Foppen, R.P.B., Leuven R.S.E.W., Siepel H. & H. Esselink. 2007. Scale-dependent homogenization: changes in breeding bird diversity in the Netherlands over a 25-year period. Biological Conservation 134: 505-516. Een andere ontwikkeling is dat de soortensamenstelling verandert door klimaatverandering: koudeminnende soorten gaan in aantal achteruit, warmteminnaars nemen toe.Compendium voor de Leefomgeving, 1429; geraadpleegd 28-03-2017

Natuurgebieden thumb|Trend fauna in natuurgebieden, 1990-2014 In natuurgebieden op het land, dat wil zeggen bos, hei, open duin en de meest extensief beheerde graslanden, is de omvang van populaties van diersoorten sinds 1990 gemiddeld afgenomen met 30 procent. De laatste tien jaar was er een matige toename.Compendium voor de Leefomgeving, 1581; geraadpleegd 27-03-2017

Er is een groot verschil tussen de ontwikkelingen in bossen en open terreinen (heide, open duinen, niet-agrarische graslanden). In de bossen was de situatie stabiel,Compendium voor de Leefomgeving, 1162; geraadpleegd 27-03-2017 in open terreinen is sprake geweest van een afname met 50 procent; de laatste tien jaar is de situatie stabiel gebleven.Compendium voor de Leefomgeving, 1586; geraadpleegd 27-03-2017

Verdroging van natuurgebieden, zowel bossen als open natuurgebieden, treft plantensoorten en diersoortenCompendium voor de Leefomgeving, 027803 (archiefversie); geraadpleegd 05-04-2017, bijvoorbeeld vlindersoorten in bossen en duinen.Compendium voor de Leefomgeving, 112611 (archiefversie); geraadpleegd 05-04-2017Compendium voor de Leefomgeving, 117411 (archiefversie); geraadpleegd 05-04-2017

Bossen thumb|Fauna van het bos, 1990-2015 De Nederlandse bossen zijn aan veranderingen onderhevig. Er zijn nieuwe bossen aangelegdCompendium voor de Leefomgeving, 115905 (archiefversie); geraadpleegd 05-04-2017 en bestaande bossen worden gemiddeld ouder en krijgen meer variatie in opbouw; dood hout mag blijven liggen.Compendium voor de Leefomgeving, 0069; geraadpleegd 28-03-2017 Veel ongemengd naaldbos wordt omgevormd naar natuurlijker gemengd bos en loofbos.Compendium voor de Leefomgeving, 1160; geraadpleegd 28-03-2017 Hakhoutbossen, die ooit het merendeel van het Nederlandse bosareaal uitmaakten, zijn nu marginaal en vaak doorgeschoten en dichtgegroeid.

Algemene bosvogels en boombewonende vleermuizen profiteren van de nieuwe bossen, holenbroeders doen het goed in de oudere bossen. Roofvogels, met name buizerd, havik en sperwer, doen het goed in bossen in laag Nederland. In bossen op hoge zandgronden doen ze het juist slecht, omdat ze daar weinig voedsel vinden van goede kwaliteit. Enkele vogelsoorten van naaldbos (kuifmees, zwarte mees) gaan achteruit, mogelijk door omvorming van naaldbos naar loofbos.

Bosvlinders hebben het moeilijker gekregen omdat zij gebonden zijn aan zonnige plekken, zoals open plekken en bosranden, of aan heel open bossen, bijvoorbeeld hakhout. In oudere, en dus hogere bossen is er juist meer schaduw.

Open natuurgebieden thumb|Trend fauna open natuurgebieden, 1990-2014 In heide, open duinen en niet-agrarische graslanden gaan zowel vogels als vlinders achteruit; reptielen blijven er stabiel.Compendium voor de Leefomgeving, 1134; geraadpleegd 28-03-2017Compendium voor de Leefomgeving, 1123; geraadpleegd 28-03-2017 In de duinen is het konijn (dier) sinds 1985 achteruitgegaan, maar nu herstellen de populaties zich weer enigszins.

Vogels en vlinders hebben te lijden van de stikstofdepositie (vermesting), waardoor open gebieden dichtgroeien met grassen, struiken en bomen. In de open duinen is de vergrassing als gevolg van stikstofdepositie extra groot doordat konijnen, van oudsher de natuurlijke begrazers, onder virusziekten hebben geleden. Op verschillende plaatsen is daarom vee ingezet. Dat helpt wel tegen vergrassing, maar toch keren typische diersoorten van duinen niet of nauwelijks terug.

Aan open natuurterrein gebonden vogels als tapuit en wulp nemen sterk af, terwijl struikvogels als grasmus en nachtegaal wat toenemen.Compendium voor de Leefomgeving, 113012 (archiefversie); geraadpleegd 05-04-2017Compendium voor de Leefomgeving, 114312; geraadpleegd 05-04-2017

thumb|Zilveren maan Vlinders gaan achteruit, omdat grassen en struiken hun voedselplanten en waardplanten hebben verdrongen. Vlindersoorten die als ei of rups overwinteren, ondervinden een tweede nadeel, want door vermesting schiet de vegetatie in het voorjaar sneller op dan vroeger en in een beschaduwde en dus koele omgeving groeien ze trager.Wallis de Vries, M.F. & C.A.M. van Swaay. 2006. Global warming and excess nitrogen may induce butterfly decline by microclimatic cooling. Global Change Biology 12: 1620 - 1626. De vlindergemeenschappen veranderen bovendien van samenstelling. Soorten met een voorkeur voor voedselarme omstandigheden, bijvoorbeeld heivlinder en zilveren maan, worden zeldzamer.Oostermeijer, J.G.B. & C.A.M. van Swaay, 1998. The relationship between butterflies and environmental indicator values: a tool for conservation in a changing landscape. Biological Conservation 86: 271-280. Net als vlinders verliezen ook bijen (niet in de index opgenomen) hun voedselplanten.

Reptielen verdwijnen waar te veel struiken verschijnen; ze hebben zonnige plekken nodig om op temperatuur te komen en te blijven. Ze profiteren van het warmere klimaat. Daar staat tegenover dat ze grootschalige begrazing slecht verdragen. Door te intensieve begrazing van heidegebieden in Noord-Brabant bijvoorbeeld gaan levendbarende hagedis en gladde slang achteruit;Wallis de Vries, M.F., Noordijk, J., Sierdsema, H., Zollinger, R., Smit, J.T. & M. Nijssen. 2013. Begrazing in Brabantse heidegebieden – Effecten op de fauna. Rapport VS2012.017, De Vlinderstichting, Wageningen / EIS-Nederland, Leiden / SOVON Vogelonderzoek, Stichting RAVON en Stichting Bargerveen, Nijmegen. bij kleinschalig beheer, zoals dat bijvoorbeeld in De Meinweg wordt uitgevoerd,Lenders, T. 2015. Het effect van dynamisch terreinbeheer op populaties van reptielen. Twintig jaar monitoren in het Gagelveld (NP De Meinweg). RAVON 17: 2-6. gedijen reptielen beter.

In versnipperde natuurgebieden is de toekomst van een aantal soorten onzeker. De populaties zijn klein, verschillende populaties kunnen niet mengen en inteelt dreigt. Door toevalsfluctuaties lopen kleine populaties snel het risico om plaatselijk uit te sterven en herkolonisatie is dan moeilijk voor soorten die zich moeilijk verspreiden. De heivlinder is daar een voorbeeld van. Ook voor reptielen is versnippering een risicofactor.

Agrarisch landschap thumb|Trend vogels, zoogdieren en dagvlinders agrarisch gebied, 1990-2014 In het agrarisch landschap daalde de omvang van populaties van diersoorten tussen 1990 en 2013 gemiddeld sterk met 40 procent.Compendium voor de Leefomgeving, 1580; geraadpleegd 27-03-2017 Agrarisch landschap maakt momenteel 70 procent uit van het Nederlandse landoppervlak,Compendium voor de Leefomgeving, 1001; geraadpleegd 27-03-2017 dus deze achteruitgang telt flink aan.

Zowel dagvlinders als broedvogels zijn als groep achteruitgegaan. De haas bleef stabiel, de das en de hamster zijn vooruitgegaan, de hermelijn en de wezel gingen achteruit.Compendium voor de Leefomgeving, 1571; geraadpleegd 28-03-2017

Veel diersoorten hebben te lijden van de teloorgang van de kleinschalige, extensieve landbouw door ruilverkaveling en schaalvergroting.Compendium voor de Leefomgeving, 1178; geraadpleegd 28-03-2017Compendium voor de Leefomgeving, 1181; geraadpleegd 28-03-2017Compendium voor de Leefomgeving, 1479; geraadpleegd 28-03-2017 Randen en overhoekjes met nectarplanten, waardplanten, voedsel, schuilplaatsen en nestgelegenheid verdwijnen. Verregaande intensivering en productieverhoging veroorzaken vermesting en verdroging. Grasland wordt vroeg en vaak gemaaid, gewassen staan in monoculturen op het veld en worden behandeld met bestrijdingsmiddelen. Bestrijdingsmiddelen die momenteel grote zorgen baren zijn de neonicotinoïden.

De weidevogels zijn onder vogels de meest bekende slachtoffers van intensivering, maar ook andere boerenlandvogels gaan achteruit.Compendium voor de Leefomgeving, 118314 (archiefversie); geraadpleegd 05-04-2017

thumb|Geelsprietdikkopje