David Hume (Edinburgh, 7 mei 1711 (26 april volgens de juliaanse kalender) – aldaar, 25 augustus 1776) was een Schotse filosoof en geschiedschrijver uit de tijd van de Verlichting. Hij was een van de belangrijkste empiristische filosofen en zijn ideeën zijn van grote invloed geweest op Immanuel Kant.

Biografie Afkomst en studies David Hume was een zoon van de advocaat Joseph Home en Katherine Falconer.Baggini 2021, p. 7 Hij werd geboren in hun appartement op de Lawnmarket in Edinburgh, maar bracht zijn kinderjaren zuidelijker door in hun landgoed Ninewells in Chirnside. Door dit lairdship behoorde de famiie tot de kleine landadel. De titel zou worden geërfd door Davids oudere broer John.

David werd opgevoed door zijn moeder, want zijn vader overleed toen hij twee was. Hij kreeg les van privéleraars en schreef zich kort voor zijn twaalfde in aan de Universiteit van Edinburgh.Baggini 2021, p. 11-12 Boeken vond hij leerzamer dan professoren, en het was zonder spijt en zonder diploma dat hij tegen 1726 de universiteit verliet om zich door zelfstudie verder te ontwikkelen.Baggini 2021, p. 15-16 Dat was zeker niet ongebruikelijk. Zijn periode van zelfstudie zou tot 1734 duren.Mossner 1980, p. 52

Volgens de wens van zijn familie ging Hume eerst rechten studeren, maar dat beviel hem niet. De materie stond hem zo tegen dat hij andere auteurs las en er in de lente van 1729 uiteindelijk de brui aan gaf.Baggini 2021, p. 19 Hij wilde een geleerde en filosoof worden. Bevrijd door deze beslissing, stortte hij zich vol enthousiasme op zijn studies. Na zes intensieve maanden belandde hij in een staat van neerslachtigheid, wat hij weet aan de stoïcijnen: overeenkomstig hun leer had hij zich willen stalen tegen dood, ziekte en andere oncontroleerbare rampspoed door die continu voor de geest te halen, maar het bleek zijn krachten te boven te gaan.Mossner 1980, p. 66-67 Nog negen maanden zette hij door, tot hij ook fysiek bezweek. Zijn dokter noemde het de "ziekte van de geleerden" en schreef hem wijn en lange ritten te paard voor. Hij werd beter en concludeerde dat de antieke filosofie onvoldoende rekening hield met de realiteit van de menselijke natuur, die nood had aan ontspanning en beweging.Baggini 2021, p. 22

Hume nam zich voor de menselijke natuur tot uitgangspunt te maken van zijn filosofie en ethiek.Baggini 2021, p. 23 Daartoe cultiveerde hij een brede belangstelling die ook geschiedenis, economie en wetenschappen omvatte. Behalve in zijn studies vond hij intellectuele stimulering in het selecte gezelschap van de Rankenian Club, waarvan hij lid was. Reeds in zijn universiteitsjaren, toen hij Locke en Clarke moet hebben gelezen, raakte hij los van het geloof in religie,Baggini 2021, p. 16 wat niettemin een langzaam proces was dat tegen zijn inclinatie inging en dat hij als het ware op zichzelf bevocht door te redeneren.Baggini 2021, p. 17 Ook op filosofisch gebied was hij niet overtuigd door de autoriteiten. Zijn studies hadden hem vooral geleerd dat er eindeloze disputen waren en ruimte voor een nieuwe methode om tot waarheid te komen. Hij moet echter hebben getwijfeld of hij op die manier de kost zou kunnen verdienen.

Debuut als Man of Letters In de lente van 1734 trad Hume als klerk in dienst bij de suikerhandelaar Michael Miller in Bristol. Miller accepteerde niet dat Hume zijn brieven verbeterde, en al na enkele maanden scheidden hun wegen in ruzie.Mossner 1980, p. 90 Wel hield Hume er een naamswijziging aan over: omdat hij vaststelde dat hij de Engelsen niet de juiste uitspraak kon bijbrengen (ze lieten "Home" niet op "whom" rijmen maar op "Rome"), veranderde hij de klinker in een "u".Baggini 2021, p. 30

Nu hij zichzelf ongeschikt had bevonden voor de zakenwereld, besloot Hume zich aan de letteren te wijden. Voor het schrijven van zijn eerste boek vestigde hij zich in Frankrijk, niet alleen om zijn horizon te verbreden, maar ook omdat het leven er minder duur was.Baggini 2021, p. 32 Hij reisde eerst naar Reims en dan naar La Flèche, een dorp in de Loirevallei dat een intellectueel leven kende dankzij drukkerijen, een jezuïetencollege en vele honderden studenten. In de rijke jezuïetenbibliotheek kon hij zelfs werken van Descartes raadplegen, hoewel die door de Kerk waren verboden.Dario Perinetti, "Hume at La Flèche: Skepticism and the French Connection" in: Journal of the History of Philosophy, 2018, nr. 1, p. 45-74. Tijdens zijn twee jaar in La Flèche – hij woonde in het nog bestaande landhuis Yvandeau – schreef hij het grootste deel van A Treatise of Human Nature.

Om een uitgever te zoeken reisde Hume naar Londen, waar het eerste volume – met de boeken I en II – in februari 1739 anoniem verscheen.Alistair MacFarlane, David Hume (1711-1776), Philosophy Now, 2017 Onmiddellijk daarna keerde hij terug naar Ninewells,Baggini 2021, p. 84 want hij voelde zich als Schot niet aanvaard in Engeland. Het tweede, moraalfilosofische volume verscheen in 1740 bij een andere uitgever. Het werk was onderhevig aan zelfcensuur, want het hoofdstuk over mirakels liet Hume weg, omdat hij zich niet opgewassen voelde tegen de controverse die het zou veroorzaken. Uiteindelijk was het eerder een gebrek aan respons dat hem dwars zat: op het einde van zijn leven schreef hij dat A Treatise of Human Nature doodgeboren van de pers was gevallen.

Hoewel dat een overdrijving was – het werk werd wel degelijk opgemerkt en besproken – concludeerde Hume dat hij niet de juiste vorm had gevonden. Hij herwerkte zijn ideeën tot essays, een meer gebald genre dat hem bleek te liggen. In 1741 verscheen zijn eerste bundel Essays Moral and Political. De tijd leek rijp voor een hoogleraarschap, maar zijn kandidatuur voor de leerstoel Ethics and Pneumatic Philosophy aan de University of Edinburgh werd in 1744-1745 afgewezen, vanwege het scepticisme in de Treatise. In 1751-1752 herhaalde zich dit toen hij de leerstoel Logica aan de Universiteit van Glasgow aan zich voorbij zag gaan. Noodgedwongen bleef Hume een zelfstandige geleerde en letterkundige.

Tussen deze twee afwijzingen door beleefde Hume de meest avontuurlijke periode van zijn beroepsleven. Na eerst tutor te zijn geweest van de markies van Annandale, trad hij als secretaris in dienst bij zijn neef James St Clair. Deze aristocraat leidde de vloot die een mislukte aanval pleegde op de Franse havenstad Lorient (1746). Hume bleef aan de zijde van St Clair toen deze vervolgens een diplomatieke missie ondernam naar Wenen en Turijn (1747-1748). Daarna ging hij terug naar Ninewells. Doordat zijn broer, met wie hij er samenwoonde, in het huwelijk trad, verruilde Hume de ouderlijke woning voor Edinburgh.

Edinburgh In Edinburgh betrok Hume een huis in Riddle's Court met zijn zuster Katherine.Baggini 2021, p. 100 In 1751 werd hij verkozen tot secretaris van de Philosophical Society en in 1752 werd hij hoofd van de advocatenbibliotheek van Edinburgh. Een belangrijke reden voor die keuze was dat hij zo toegang verwierf tot de literatuur die hij nodig had om zijn History of England te schrijven, een geschiedwerk dat hem zoveel succes bracht dat hij er zes volumes van schreef (1754-1761). De positie van bibliothecaris kon hij echter zolang niet behouden. Toen hij in 1754 de collectie uitbreidde, lieten de curatoren drie "onwaardige" Franse boeken weer uit de rekken halen.Baggini 2021, p. 104 Hume reageerde door zijn loon en taken over te dragen aan een blinde dichter, zonder afstand te doen van het ambt zelf. Zo behield hij toegang tot de bibliotheek. In 1757 nam hij uiteindelijk toch ontslag.

In die jaren verdacht de Church of Scotland Hume van ongeloof en immoraliteit.Ronald C. Arnett, "David Hume. Scholarship and Skepticism" in: Communication Ethics and Tenacious Hope. Contemporary Implications of the Scottish Enlightenment, 2022, p. 82 De Algemene Vergadering initieerde een procedure tegen hem, maar het kwam niet tot excommunicatie, ongetwijfeld in niet geringe mate omdat gematigde presbyteranen het voor hem opnamen, onder wie de ouderling Alexander Wedderburn. Hoewel Hume persoonlijk geen belang hechtte aan een kerkelijke veroordeling, besefte hij maar al te goed welke schade zijn reputatie zou lijden en besliste hij wijselijk zijn essays over zelfdoding en over de onsterfelijkheid van de ziel niet uit te geven.Baggini 2021, p. 136 Toch hield hij niet elk controversieel werk achter, want The Natural History of Religion verscheen in 1757, weliswaar verrijkt met een paar zinnen tegen irreligiositeit.Baggini 2021, p. 143

Niet alleen van zijn eigen Kirk, maar ook van Rome ondervond de filosoof tegenkanting, eens hij daar onder de aandacht kwam. In 1761 kwamen al zijn werken op de Index librorum prohibitorum terecht, en daar zouden ze blijven tot de afschaffing van de verbodslijst in 1966.Mossner 1980, p. 228

Tweede Frankrijkreis Francis Seymour-Conway, markies van Hertford, werd in 1764 ambassadeur in Parijs en vroeg Hume mee als secretaris. Hij betrok een appartement in het luxueuze ambassadegebouw dat later bekend kwam te staan als het Hôtel de Brancas.Baggini 2021, p. 150 Zijn werk was in Frankrijk bekend uit vertaling en stond in hoog aanzien. "Le bon David" werd met open armen ontvangen in de salons van de dames Boufflers, Geoffrin, Deffand en Lespinasse.Baggini 2021, p. 126 Ook bij baron d'Holbach kwam hij regelmatig over de vloer.Baggini 2021, p. 132 Naar verluidt had hij filosofisch het meest affiniteit met d'Alembert.Baggini 2021, p. 126

Londen Na afloop van Hertfords mandaat kon Hume hem vergezellen naar Dublin, maar die stad bekoorde hem niet.Baggini 2021, p. 156 Met zijn jaarpensioen van £400 kon hij comfortabel leven in Schotland. Op 9 januari 1766 scheepte hij in te Calais, vergezeld door Jean-Jacques Rousseau, tegen wie arrestatiebevelen liepen. De filosofen koesterden een wederzijdse bewondering en Rousseau had Humes aanbod van gastvrijheid verkozen boven andere. Ze werden goed ontvangen in Londen en Hume regelde een woonst voor Rousseau in Wooton. Maar de paranoïde Zwitser raakte ervan overtuigd dat hij werd bedrogen en onteerd. Hij maakte zijn grieven publiek, waarbij de heftigheid van zijn toon niet kon verbloemen hoe vaag zijn aantijgingen waren. In december 1766 verweerde Hume zich met een publiek Exposé.

Edinburgh In augustus 1769 verhuisde Hume van Londen weer naar Schotland.Baggini 2021, p. 184 Hij deelde een appartement in Edinburgh met zijn zuster Katherine, maar vond het uiteindelijk te klein om de kunst te beoefenen waaraan hij de rest van zijn leven wilde wijden – de kookkunst. Zijn financiën waren florissant genoeg om een nieuw huis te bouwen op St. Andrews Square, dat hij in 1771 betrok. Zijn gezondheid begon achteruit te gaan en in 1775 kreeg hij een kwaal aan de ingewanden waarvan hij besefte niet te zullen genezen.Baggini 2021, p. 192 Het deed geen afbreuk aan zijn opgewektheid en onthechtheid. Hij was blij nog de pas verschenen hoofdwerken van zijn vrienden Edward Gibbon en Adam Smith te kunnen lezen. Zelf schreef hij nog de korte autobiografie My Own Life, een van de weinige werken die tot stand kwamen na zijn terugkeer uit Frankrijk. Voor het overige was hij voornamelijk in de weer met revisies van zijn bestaande werken.

In april 1776 ondernam Hume nog een reis naar Londen. Op 4 juli hield hij in zijn huis te Edinburgh een afscheidsetentje voor zijn vrienden. Enkele dagen later liet hij James Boswell toe, die wilde observeren hoe iemand stierf die niet in een hiernamaals geloofde. Hume was zo helder, kalm en luchthartig, dat Boswell achterbleef in verbazing en zelfs verwarring. Het goede humeur van de stervende blijkt ook uit correspondentie met zijn broer John Home en Adam Smith. Wars van stoïcijnse onverschilligheid had hij van het leven gehouden, maar hij aanvaardde dat het ten einde liep, zonder er zich aan vast te klampen.Baggini 2021, p. 195-196

Dood en testament