thumb|right|250px|Qatar op de kaart Dit artikel beschrijft de geschiedenis van Qatar van de prehistorie tot de moderne tijd.
Prehistorie Archeologische vondsten duiden op de menselijke aanwezigheid die teruggaat tot zo'n vijftigduizend jaar geleden, toen kleine groepen nomaden tijdelijke kampementen bouwden. Op dat moment was de Perzische Golf geen zee, maar een droog liggende riviervallei. Het gebied waar nu Qatar ligt was onderdeel van een grote vlakte die strekte van Arabië in het westen tot de Perzische Golf in het oosten. Waarschijnlijk kwamen er alleen in de winter schaap-herders in het gebied, die hun vee lieten grazen op het vruchtbare land in de buurt van de rivier.
Het ontstaan van de Perzische Golf zo'n achtduizend jaar geleden zorgde er waarschijnlijk voor dat de bewoners van het gebied zich moesten verplaatsen en zich langs de kust vestigden. Een Deense archeologische expeditie vond in 1961 meer dan dertigduizend gebruiksvoorwerpen op 122 verschillende vindplaatsen, die teruggingen tot de oude steentijd. De meeste vindplaatsen bevonden zich langs de kust. Nomadische stammen uit Al-Hasa en Nadjd, twee aangrenzende regio's in Saoedi-Arabië maakten regelmatig gebruik van het gebied en bouwden tijdelijke nederzettingen in de buurt van waterbronnen.
Neolithicum De eerste vaste nederzettingen op het schiereiland dateren uit de neolithische periode, oftewel de nieuwe steentijd. Aan de noordwestkust lag Wadi Debayan, een van de oudste bekende nederzettingen. koolstofdatering wees uit dat de menselijke aanwezigheid terugging tot vijfenzeventighonderd jaar geleden. Er werden potscherven uit de vroege Obeidcultuur ontdekt. Een van de eerste nederzettingen in het zuiden heet Shagra en ontstond rond 6000 (6 ka) voor Christus. Omdat het in Qatar zelf waarschijnlijk niet mogelijk was om potten te bakken wordt verondersteld dat deze uit Ur kwamen en via handel op het schiereiland terechtkwamen. De belangrijkste handelsroutes zouden via de kust hebben gelopen. Dat zou verklaren waren om er weinig potscherven in het binnenland zijn gevonden.
Het Qatarese schiereiland lag waarschijnlijk dicht bij Dilmun, een beschaving die gevestigd was in het gebied waar tegenwoordig Bahrein ligt. Op twee plekken zijn potscherven gevonden die bewijzen dat er contact tussen beiden landen is geweest. De Dilmun handelden rond het jaar 2000 voor Christus veel over zee. Andere opgravingen bewijzen dat er ook contact was met de Kassieten die op dat moment Babylonië regeerden. De Qatari's begonnen in dezelfde tijd naar parels te duiken en deze te verhandelen.
Babylonisch-Perzische overheersing thumb|De kaart van Claudius Ptolemaeus waarop Qatar voor de eerste keer wordt vermeld De Assyriër Esarhaddon veroverde in 680 voor Christus het gebied waar Dilmun en Qatar deel van uitmaakte. Er zijn echter geen sporen van bewoning teruggevonden uit deze tijd. Waarschijnlijk was Qatar gedurende deze periode als gevolg een tijdelijke opwarming in de regio onbewoonbaar. In de vijfde eeuw voor Christus was de Griekse historicus Herodutus verantwoordelijk voor de eerste bekende geschreven tekst over de bevolking van Qatar. Hij omschreef ze als "zeevarende Kanaänieten".
Rond 325 voor Christus stuurde Alexander de Grote zijn beste admiraal Androsthenes van Thasos erop uit om de gehele kust van de Perzische Golf te verkennen. Hij rondde dat project kort na de dood van Alexander in 323 voor Christus af. Seleucus I Nicator kreeg toen het oostelijk deel van het rijk toegewezen. Hij begon vanaf 312 voor Christus het Seleucidische Rijk oostwaarts uit te breiden. Verschillende opgravingen wijzen er op dat er behoorlijke Griekse gemeenschap in Qatar woonde. Na het jaar 250 voor Christus kwam er een einde aan de Seleucidische invloeden in de regio, omdat het rijk begon te krimpen.
Vanaf 250 voor Christus waren de Parthen de domineerde macht in de regio. Zij waren afhankelijk van handel via de Perzische Golf. Om de handelsroutes te beschermen legerden zij verschillende garnizoenen langs de kust, waaronder in Qatar. De Romeinse schrijver Plinius de Oudere schreef over de "Catharrei" en bestempelde hen als nomaden die constant op zoek waren naar water en voedsel. In de tweede eeuw na Christus maakte Claudius Ptolemaeus de eerste landkaart waarop het schiereiland zichtbaar was. Hij noemde het "Catura".
Christendom De Sassaniden veroverden in het jaar 224 het gebied rondom de Perzische Golf, en vormden het tot de provincie Mazun. Qatar nam op twee terreinen een belangrijke plaats in: als leverancier van paarse verf en van kostbare parels. Onder de Sassaniden kwamen veel bewoners van de regio in aanraking met het christendom. Dit bereikte hen via christenen in Mesopotamië. Er werden verschillende kloosters gebouwd in Qatar. Qatar stond tijdens deze "christelijke periode" bekend onder haar Syrische naam Beth Qatraye. Onder die naam werden ook Bahrein, het eiland Tarout, Al-Khatt en Al-Hasa aangeduid.
Komst van de islam De profeet Mohammed stuurde in 628 een gezant naar de Perzische heerser naar Qatar en verzocht de Perzische vorst Al-Ala'a Al-Hadrami om zichzelf en zijn volgelingen tot de islam te bekeren. Munzir ging in op het verzoek en de meeste Arabische stammen in de regio bekeerden zich tot de islam. In de periode daarna namen de in Qatar woonachige Arabieren deel aan de verovering van Perzië, waarmee er een einde kwam aan het rijk van de Sassaniden. Het is overigens waarschijnlijk dat er niet direct een einde kwam aan de christelijke aanwezigheid. Zo werd Isaak van Nineve, een 7e-eeuwse christelijke theoloog en bisschop binnen de Kerk van het Oosten geboren in Beth Qatraye, evenals verschillende andere christelijke schrijvers. De bisschop van Beth Qatar stopte in 674 met het bijwonen van synodes van zijn kerk. Dat duidt er waarschijnlijk op dat de kerk in Qatar rond die tijd ophield te bestaan, of in ieder geval geen rol van betekenis meer speelde.
Kalifaat van de Omajjaden thumb|right|De omvang van het kalifaat van de Omajjaden op zijn hoogtepunt rond het jaar 750 Tijdens de periode van de Omajjaden, een dynastie die het Arabische Rijk van 661 tot 750 bestuurde, stond Qatar bekend als een handelscentrum voor paarden en kamelen. Vanaf de 8e eeuw stond het ook bekend als een centrum voor de parelhandel. De Omajjaden waren verantwoordelijk voor grote politieke en religieuze veranderingen in West-Azië. Dit ging niet zonder slag of stoot. Aan het einde van de zevende eeuw nam het aantal plaatselijke opstanden, met name in Qatar en Bahrein, toe. In 750 nam het ongenoegen, voornamelijk vanwege de behandelingen van niet-Arabieren, zo ver toe dat de Ommajjaden werden afgezet. Daarvoor in de plaats kwam het Kalifaat van de Abbasiden.
Kalifaat van de Abbasiden thumb|right|De omvang van het kalifaat van de Abbasiden op zijn hoogtepunt rond het jaar 850 Onder het kalifaat van de Abbasiden, die het van 750 tot 1258 voor het zeggen hadden, ontstonden verschillende nederzettingen. Zo werden er in Murwab meer dan honderd stenen huizen, twee moskeeën en een fort, dan vandaag de dag nog intact is, gebouwd. Aan de noordkust bij T'ang werd bij opgravingen een soortgelijke nederzetting ontdekt, die in de 9e of 10e eeuw moet zijn ontstaan. Schepen die vanuit Basra op weg waren naar India en China deden de havens van Qatar aan en kochten daar parels in. Andersom vond bijvoorbeeld Chinees porselein zijn weg naar het schiereiland. Opgravingen suggereren dat het welvaartsniveau hoog lag de in 9e eeuw, maar toen het kalifaat in Irak een economische teruggang doormaakte, werd Qatar daar ook in meegesleept.
Een groot deel van Oost-Arabië, waaronder Bahrein en het Qatarese schiereiland, nam deel aan een serie opstanden tegen het Kalifaat van de Abbasiden rond 868. Een radicaal ismaïlitische groepering onder de naam Karmaten vestigde in 899 een utopische republiek in Oost-Arabië. Zij zagen de bedevaart naar Mekka (de hadj) als een fout bijgeloof en vielen pelgrims aan die via het schiereiland naar het Arabisch bedevaartoord reisden. In 906 werd er een bloedbad aangericht onder twintigduizend pelgrims die terugkwamen uit Mekka. Onder Abû Tâhir Sulaymân (907-944) werd in 930 de Zwarte Steen uit Mekka geroofd en onder zijn opvolger na een losgeld in 951 in Koefa aan de Abbasiden teruggeven.
Qatar wordt genoemd in het boek Mu'jam Al-Buldan (Woordenboek van de naties), waarin hij het heeft over de fijngewoven gestreepte mantels uit Qatar en de bekwaamheid van de inwoners in het maken van speren.
Usfuriden en Ormus Aan het Kalifaat van de Abbasiden kwam in 1258 een einde met de inname van Bagdad door de Mongolen. Vijf jaar eerder was Qatar al in handen gevallen van de Usfuriden. In 1320 werd het gebied ingenomen door de vorst van Ormus. In de eeuwen daarna zorgde de parelhandel voor een relatief stabiele stroom van inkomsten. Portugal verscheen in 1507 als eerste westers macht op het toneel. De vloot van Ormus werd vernietigd door Afonso de Albuquerque. Zijn eigen kapiteins kwamen echter tegen hem in opstand waardoor hij gedwongen was om weer te vertrekken. Koning Emanuel I van Portugal slaagde er in 1515 toch in Ormus te onderwerpen waarmee het een vazalstaat van Portugal werd. Ditzelfde gold voor Bahrein.
Portugal als eerste westerse macht in de regio Portugal bouwde een aantal forten langs de Arabische kust, hoewel er bijna geen sporen van zijn teruggevonden. Zij zagen Oost-Arabië vooral als wingewest dat aantrekkelijk was door de export van goud, zilver, zijde, amber, paarden en parels. De inwoners van Al-Hasa moesten weinig hebben van de nieuwe Europese machtshebbers en onderwierpen zich in 1550 vrijwillig aan het Ottomaanse rijk. De Portugezen werden in 1602 door de Nederlanders en Britten verdreven uit de regio. De Ottomanen op hun beurt zagen niet de noodzaak voor een grote militaire aanwezigheid in het gebied. Zij werden op hun beurt in 1670 verdreven door de Bani Khalid, een Arabisch stammenverband.
Al Khalifa, Bani Khalid en de Saoedi's thumb|250px|De maximale omvang van het Saoedische Rijk in 1810. Al Jalahma en Al Khalifa, twee clans die behoorden tot het stammenverband van de Bani Utub, migreerden in 1766 van Koeweit naar de stad Zubarah in Qatar. Op dat moment was de machtspositie van de Bani Khalid al afgenomen. Na de Perzische bezetting van Basra in 1777 verlieten veel handelslieden met hun families Basra en verhuisden naar Zubarah. Daardoor groeide stad snel uit tot een belangrijk handelscentrum in de regio. De Al Khalifa claimde in 1783 succesvol de macht over Qatar en Bahrein.
De focus van de Al Khalifa lag op Bahrein, waardoor Qatar een onrustige periode doormaakte met veel tijdelijke gouverneurs. Aan de Saoedi's, een Arabische stam uit Centraal-Arabië, werd belasting betaald als zij Qatar met rust lieten. Vanaf 1780 kwam Zubarah onder bedreiging van de Saoedi's te liggen. Zij waren namelijk bang dat de stad hen tegenwerkte, samen met de Bani Khalid. Bovendien was Zubarah strategisch gelegen langs de kust van de Perzische Golf en daarmee een aantrekkelijk doelwit. In 1787 volgde een eerste aanval op de stad. Vijf jaar later veroverden de Saoedi's Al-Hasa, wat leidde tot een grote stroom vluchtelingen richting Zubarah. Als wraak voor het onderdak bieden van hun vijanden belegerden de Saoedi's de stad een jaar later. De lokale machtshebbers mochten hun positie behouden, maar werden wel verplicht om belasting te betalen.
De Saoedi's versloegen de Bani Khalid in 1795 definitief, maar werden zelf bedreigd op twee fronten. De Ottomanen en Egyptenaren rukten op vanuit het westen, terwijl de Al Khalifa vanuit Bahrein, en de Omani vanuit het oosten, aanvielen. Rond 1811 maakte Egypte snel vorderingen aan het westelijke front, waarop de Saoedi's hun garnizoenen in Zubarah en Bahrein in omvang verkleinden. Said bin Sultan, de sultan van Muscat en Oman, zag zijn kans schoon en viel hen daar aan. Het fort in Zubarah werd in lichterlaaie gezet en de Al Khalifa keerden terug aan de macht.
Britse entree in de regio