thumb|Demonstratie op het Binnenhof met teksten als 'Baas in eigen buik' en 'Van Agt drijft af' (1974). Foto: Hans Peters Onder abortus in Nederland wordt verstaan het op wens van een zwangere vrouw afbreken van een zwangerschap. Dit is onder bepaalde voorwaarden officieel toegestaan en wordt als medische zorg aangeboden in gespecialiseerde klinieken en ziekenhuizen. De kosten kunnen worden vergoed vanuit de Wet Langdurige Zorg (WLZ).
De ingreep is eeuwenlang verboden geweest op religieuze, sociale en/of wettelijke gronden. Sinds 1984 is abortus in Nederland, door het toevoegen van uitzonderingen in het Wetboek van Strafrecht, legaal bij een zwangerschap beneden de duur van 24 weken. Aan deze wetswijziging gingen jaren van uitgebreide maatschappelijke discussies in meerdere ronden vooraf en het illegaal uitvoeren van abortus in de medische praktijk. In Nederland worden verschillende religies en religieuze stromingen aangehangen waarbinnen het afbreken van een zwangerschap als verwerpelijk wordt gezien, religieuze regels hebben in Nederland echter geen kracht van wet en kunnen niet met juridische middelen worden afgedwongen of gehandhaafd. Het onder druk zetten van een vrouw of stel om geen abortus te kiezen, door bijvoorbeeld dreigementen of het toepassen van geweld (eigenrichting), is strafbaar.
Geschiedenis Het voorkomen en (laten) ondergaan van abortus is iets dat al is overgeleverd uit oud-Griekse culturen. Ook in Nederland kent abortus, de hulpverlening daarbij en de discussies er over, een lange geschiedenis. De schrijver Joost van den Vondel sprak van 'duyvels die de vrucht haers lichaems niet beschermen'.
In 1881 maakte de invoer van een nieuw Wetboek van Strafrecht, onder leiding van de conservatief-liberale regering-Van Lynden Van Sandenburg, abortus op medische indicatie mogelijk. Er was weliswaar een verbod op abortus in opgenomen maar met een uitzondering voor vrouwen die om medische gronden geholpen moesten worden. Het tentoonstellen van 'middelen ter voorkoming of verstoring van zwangerschap' werd ook verboden. Het vervolgingsbeleid in de praktijk was echter niet streng.
Zedelijkheidswet De Zedelijkheidswet van 20 mei 1911, ter bestrijding van de zedeloosheid en beteugeling van de speelzucht, verscherpte de strafbaarstelling van abortus provocatus (een miskraam als gevolg van ingrijpen) door de toevoeging van artikel 251 bis aan het Wetboek van Strafrecht.Kamerstukken II, 1908/09, 293, nr. 2, p. 2. Een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van ten hoogste drieduizend gulden was de straf voor "hij die eene vrouw in behandeling neemt of eene behandeling doet ondergaan, uitdrukkelijk of stilzwijgend te kennen gevende, dat daardoor eene miskraam kan worden opgewekt". Indien de dader het plegen van abortus als beroep uitoefende, konden de straffen met een derde verhoogd worden en kon de dader uit het beroep worden ontzet. Het verbod had geen merkbare invloed op de abortuspraktijk.
Hoewel abortus ook vóór 1911 strafbaar was onder het Wetboek van Strafrecht (artikelen 295–298), werd het zelden vervolgd. De belangrijkste oorzaak hiervan was dat zwangerschapsafbrekingen zelden bij de autoriteiten werden gemeld, mede door sociale schaamte en de heersende zwijgcultuur.H. Nys, Geneeskunde: recht en medisch handelen, in APR, Brussel, Story-Scientia, 1991, nr. 398. Geraadpleegd via PDF‑versie Naast abortus werden ook voorlichting rond anticonceptie en de verkoop van anticonceptiemiddelen verboden. Huisartsen vermeden het onderwerp en anticonceptie werd op de medische faculteiten niet onderwezen.Abortus provocatus in Nederland in de 20e eeuw: van stilzwijgen naar revolutionaire verandering, P.E. Treffers, 11 maart 2006, NTVG. Gearchiveerd op 10 juli 2019. Artsen waren op grond van de wetgeving strafbaar. Abortussen werden veelal uitgevoerd door zogeheten 'engeltjesmakers' oftewel amateur-aborteurs die verschillende voor de vrouw gevaarlijke en meestal onwerkzame methoden gebruikten zoals het inspuiten van zeepsop of het inbrengen van breinaalden. Er traden veel complicaties op: infecties, bloedvergiftiging, weefselschade in de baarmoeder en soms luchtembolie. Hoogleraar gynaecologie Pieter Treffers ontdekte dat alleen al in de stad Amsterdam jaarlijks ruim 2000 illegale abortussen werden uitgevoerd.
Emancipatie van de vrouw miniatuur|Professor gynaecologie Ted Kloosterman Een publicatie in 1949 in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van twee vrouwelijke artsen over voorbehoedmiddelen leidde tot meer dan 180 ingezonden brieven van huisartsen die ernstig in hun gevoelens waren aangetast. Verdere artikelen over anticonceptie bleven hierna uit.Abortus provocatus in Nederland in de 20e eeuw: van stilzwijgen naar revolutionaire verandering, P.E. Treffers, 11 maart 2006, NTVG. Gearchiveerd op 10 juli 2019. In 1962 werden ten minste 25.000 abortussen in Nederland uitgevoerd; 70 amateur-aborteurs werden er dat jaar veroordeeld. Aan illegale abortussen overleden in Nederland 20 à 30 vrouwen per jaar, terwijl vele anderen gehandicapt raakten doordat hun bekken zo was ontstoken dat ze niet meer konden lopen en de rest van hun leven in een rolstoel moesten voortbewegen.
In de jaren '60 kwam een maatschappelijke discussie op gang over abortus. Op 9 mei 1967 verklaarde professor gynaecologie Gerrit Jan "Ted" Kloosterman in een televisieprogramma dat hij in welbepaalde gevallen bereid zou zijn om een abortus uit te voeren: 'Het enige motief wat ik dus eigenlijk kan zien om een zwangerschap af te breken, dat is wanneer de draagster van die zwangerschap in een situatie verkeert die je, misschien met een dik woord, zou kunnen omschrijven als een existentiële nood.' De volgende morgen zat de wachtkamer van het Wilhelmina Gasthuis waar Kloosterman werkte vol met vrouwen die allemaal meenden in die situatie te verkeren en hoopten dat de professor hen zou willen helpen; bovendien kwamen er veel telefonische abortusverzoeken binnen. Naar aanleiding hiervan richtte Kloosterman een commissie op van medisch deskundigen die regelmatig tijdens de lunch samenkwam (de 'abortuslunch') om bepaalde gevallen van vrouwen die een abortus hadden verzocht te bespreken en te beoordelen of er medische en sociale omstandigheden waren, die ertoe voerden te besluiten bij hen een abortus uit te voeren.
Later werden er ook in andere ziekenhuizen vergelijkbare abortuscommissies gevormd, waardoor vrouwen in kleine aantallen door medici konden worden geholpen om hun zwangerschap af te breken. De overgrote meerderheid van abortussen werd echter nog onprofessioneel en op gevaarlijke manieren uitgevoerd. Om de grote vraag naar medisch verantwoorde abortussen aan te kunnen, werden in 1969 de eerste plannen gemaakt voor speciale abortusklinieken. Ondertussen had het Verenigd Koninkrijk abortus tot 28 weken gelegaliseerd op 27 april 1968, nadat het parlement het wetsvoorstel op 27 oktober 1967 had goedgekeurd. Hierdoor werd het mogelijk om een legale en medisch verantwoorde abortus te krijgen in Engeland en veel Nederlandse vrouwen en meisjes deden dat ook. Ook Zweden, dat abortus reeds in 1938 had gelegaliseerd, was een door ongewenst zwangere meisjes en vrouwen veelgebruikte bestemming. Een langzaam groter wordende groep huisartsen ondersteunden de idee ook klinieken in Nederland te stichten om het hun patiënten niet nodeloos duur en moeilijk te maken.
Dolle Mina en Wij Vrouwen Eisen: 'Baas in eigen buik' thumb|Voor- en tegenstanders van legaliseren abortus bij Bea-huis en Bloemenhovekliniek in Heemstede (1974) In navolging hiervan kwamen PvdA-kamerleden Jan Lamberts, tevens huisarts, en Hein Roethof in 1970 met een initiatiefwetsvoorstel om strafbaarstelling van onderbreking van zwangerschap te beperken. (pdf) Abortus diende een zaak te worden van de vrouw waartoe zou kunnen worden overgegaan na overleg door haar met een kundig arts. Het feministische initiatiefwetsvoorstel kreeg echter geen steun van de christelijke en conservatieve partijen die het kabinet-De Jong ondersteunden, bestaande uit de KVP, ARP, CHU en VVD. Na het aantreden van het kabinet-Biesheuvel I in 1971 kwamen KVP-ministers Louis Stuyt en Dries van Agt met een behoudender regeringswetsvoorstel dan dat van Lamberts/Roethof, met veel meer inspraak voor de betreffende arts dan de patiënte. Vooral de zwangerschapsfase en lichamelijke toestand van de foetus waren leidend voor de 'beschermwaardigheid van het nieuwe leven'. Door de vroege val van het kabinet-Biesheuvel I in 1972 werd de behandeling van het wetsvoorstel Stuyt/Van Agt, alsmede een nieuw initiatiefwetsvoorstel Lamberts/Roethof, opgeschort tot na de verkiezingen.
Vanaf 27 februari 1971 begon in Nederland de eerste abortuskliniek illegaal abortus provocatus uit te voeren. Deze inrichting in Arnhem (het Mildredhuis), opgericht door de Stichting Medisch Verantwoorde Zwangerschapsonderbreking (Stimezo), werd in die tijd onder andere door de socialistische omroep VARA gefinancierd. In hetzelfde jaar werd ook de Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind (VBOK) opgericht, die ervan uitgaat dat het menselijk leven en aldus tevens het ongeboren kind vanaf de conceptie tot de natuurlijke dood beschermwaardig zijn.
thumb|Actie voor legalisatie abortus op verkiezingsbijeenkomst in Nijmegen: "Van Agt, jij wordt nooit verkracht. Abortus doe je niet zomaar." Tijdens de tweede feministische golf kwam de actiegroep Dolle Mina naar voren, die zich ook inzette voor legalisering van abortus. Met eisen als "baas in eigen buik" en "de vrouw beslist" stelden zij het standpunt aan de orde dat vrouwen het recht zouden moeten hebben op de uitsluitende zeggenschap over haar eigen leven en lichaam, en dus ook over het al dan niet voldragen van een zwangerschap.
Dit leidde in 1976 tot een hernieuwd initiatiefwetsvoorstel van wederom PvdA-kamerleden Lamberts en Roethof, met steun van liberale VVD-kamerleden Aart Geurtsen en Els Veder-Smit, dat werd gesteund door de deelnemers aan de abortusdemonstratie van 1976. Deze wet werd in de Tweede Kamer aangenomen, maar in de Eerste Kamer verworpen, vooral doordat acht conservatieve VVD-senatoren tegenstemden.Verworpen wetsvoorstel door Eerste Kamer. Gearchiveerd op 30 juli 2018. Een initiatief-wetsontwerp van Til Gardeniers (KVP) en Hannie van Leeuwen (ARP), waarin de strafbaarheid van abortus werd gehandhaafd maar een grotere mogelijkheid werd opengelaten voor uitzonderingen, behaalde geen meerderheid in de Tweede Kamer en kwam daarom niet verder in het parlementaire proces.
Minister Van Agt sluit abortuskliniek Bloemenhove Een keerpunt in de ontwikkeling was de dreigende sluiting van de abortuskliniek Bloemenhove in Heemstede in 1976. De toenmalige minister van Justitie, Dries van Agt, wilde de kliniek waar zogeheten "late abortussen" plaatsvonden, op zijn eigen gezag sluiten. Tientallen leden van verschillende vrouwenbewegingen bezetten de kliniek en beletten agenten de toegang. Vervolgens werd in de Tweede Kamer een motie aangenomen waarmee het lot van de Bloemenhovekliniek door een rechter getoetst moest worden. Van Agt wilde zich echter niet aan deze motie houden en bereidde een inval in de Bloemenhovekliniek voor. Na een tip gingen ongeveer driehonderd activisten richting kliniek. Hierdoor werd Van Agt gedwongen de inval af te blazen. Door nog een rechterlijke uitspraak haalde Van Agt bakzeil. De gedoogpraktijken van abortus gingen door, niet alleen in de Bloemenhovekliniek, maar ook in andere klinieken van de Stimezo.
Legalisatie abortus miniatuur|'Abortus uit Wetboek van Strafrecht', demonstratie 8 maart 1981.