Ali Muhammad Ali Abd-Al-Rahman, meestal bekend als Ali KushaybDecision on the Prosecution Application under Article 58(7) of the Statute, Internationaal Strafhof, 27 april 2007. Gearchiveerd op 13 december 2017.Time for justice in Darfur, Amnesty International, is een Soedanese oorlogsmisdadiger. Hij was commandant van Janjaweed-milities, die tijdens het conflict in Darfur de Soedanese regering steunden in de strijd tegen rebellengroeperingen. Hij is in hechtenis van het Internationaal Strafhof (ICC/het Hof), dat hem en de Soedanese minister Ahmad Harun beschuldigt van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, en hen daarvoor wil berechten. Kushayb en zijn manschappen zouden volgens het Hof deze misdaden tijdens het conflict hebben gepleegd, in opdracht van Harun en de Soedanese overheid.
Levensloop tot het conflict in Darfur Ali Kushayb (soms gespeld als KoshipGetuigenis van slachtoffer Yahya Adam Adelmoulla, opgetekend door Samuel Totten in An Oral and Documentary History of the Darfur Genocide. Santa Barbara: ABC-CLIO, 2010.) werd omstreeks 1957 in Soedan geboren. Hij spreekt Arabisch en heeft de Soedanese nationaliteit. Het Internationaal Strafhof vermoedt dat hij een gemengde tribale afkomst heeft. Zijn vader was lid van de Taisha (ook wel als Taicha gespeld), een veehoudende stam uit het zuidwesten van Darfur. Zijn moeder was lid van de Dangaoui-stam uit het zuiden van Soedan.Abd Al Rahman, Ali Muhammad Ali, InterpolHarun and Kushayb Case, Internationaal Strafhof, 27 april 2007. Gearchiveerd op 22 november 2019.Brown, Evan. "Ali Kushayb" Modern Genocide: The Definitive Resource and Document Collection. Red. Paul R. Bartrop, Steven L. Jacobs. Santa Barbara: ABC-CLIO, 2014 Er is verder weinig bekend over Kushaybs jonge jaren. Het vroegste gegeven dat er over hem te vinden valt, is dat hij een tijd als soldaat in dienst was van het Soedanese leger. Hoe hij vervolgens macht verwierf en vanuit deze positie opklom tot tribale leider en commandant van duizenden Janjaweed-strijders, blijft volstrekt onduidelijk.
Achtergronden Samenleving in Darfur thumb|250px|Darfur ligt in het westen van Soedan. Darfur is een regio in het westen van Soedan. De naam is Arabisch en betekent "thuis[land] van de Fur", de grootste etnische groep in het gebied. De Fur zijn een sedentarisch, islamitisch volk dat voornamelijk aan landbouw en veeteelt doet. Samen met andere volken, zoals de Zaghawa en de Masalit, vormen zij een agrarische samenleving. De bevolking van Darfur wordt vaak onderverdeeld in twee hoofdgroepen: deze agrarische samenleving, en Arabisch sprekende nomadische herders, die tussen de boerengemeenschappen door van plaats naar plaats trekken, op zoek naar vruchtbaar land voor hun vee. De agrarische bevolking van Darfur wordt vaak gekenschetst als "zwart", en de nomadische herders als etnisch Arabisch. Het genetische onderscheid tussen de twee groepen is echter vaak flinterdun. De scheidslijnen tussen de twee groepen hebben meer te maken met de verschillen tussen hoe de twee in hun levensonderhoud voorzien, dan dat ze door raciale afkomst worden bepaald. Zo hebben sommige van deze "Arabische" nomaden, waaronder Ali Kushayb, een zwart uiterlijk.The Real Roots of Darfur, The Atlantic, april 2007Straus, Scott (januari–februari 2005). "Darfur and the Genocide Debate". Foreign Affairs. 84 (1): 123–133. doi:10.2307/20034212. Gearchiveerd op 12 mei 2021.
Oorspronkelijk leefden de boerengemeenschappen en de nomadische herders redelijk vreedzaam naast elkaar. Door de hoge bevolkingsgroei en aanhoudende droogte, mogelijk veroorzaakt door klimaatverandering als gevolg van menselijke activiteiten, begonnen natuurlijke hulpbronnen in het gebied vanaf de jaren 80 van de twintigste eeuw echter langzamerhand schaars te worden. Vruchtbaar land begon op te raken, en de regio kon niet langer zowel boeren als herders ondersteunen. Steeds minder boeren stonden het toe dat de herders hun kuddes op of in de buurt van hun land lieten grazen. Boeren bouwden omheiningen om hun akkers, en soms zelf rond braakliggende velden, omdat zij vreesden dat het land verpest zou worden door de kuddes van de rondtrekkende herders. Een aantal herders vertrok, of schakelde over op landbouw, maar de meeste probeerden krampachtig vast te houden aan hun traditionele, nomadische levensstijl. Het fragiele maatschappelijke evenwicht van weleer was mogelijk voorgoed verstoord. De spanningen tussen de twee groepen leidden uiteindelijk tot hevige gewapende conflicten. De Arabische nomaden vormden ruitermilities, die door de lokale bevolking Janjaweed ("bandiet te paard") genoemd worden. Deze milities vielen de niet-Arabische boeren aan.Who Are the Janjaweed? - A guide to the Sudanese militiamen, Slate. Gearchiveerd op 8 september 2018.
Etnische conflicten De centrale overheid van Soedan is in handen van de Arabieren. Deze overheid steunt een racistische ideologie, waarbij gesteld wordt dat de Arabische bevolking van Soedan superieur is aan de zwarte bevolking. De Arabische bevolking van Soedan wordt door de Soedanese overheid bevooroordeeld. Hierdoor genieten zij culturele, economische, en politieke voordelen. Om deze situatie in stand te houden, is de overheid van Soedan al sinds de onafhankelijkheid van 1956 verwikkeld in gewelddadige conflicten met de zwarte bevolking. Deze conflicten vonden in eerste instantie plaats in het gebied dat nu de onafhankelijke staat Zuid-Soedan is, waar tussen 1955 en 1972 de Eerste Soedanese Burgeroorlog werd uitgevochten tussen de Islamitisch-Arabische regering en de christelijk-zwarte lokale bevolking. Na een wapenstilstand van elf jaar laaide het conflict vanaf 1983 weer in alle hevigheid op: de Tweede Soedanese Burgeroorlog was begonnen. Vanaf dat moment begon de Soedanese regering ook Arabisch-nomadische milities in Darfur te bewapenen, deels om te voorkomen dat de christelijke rebellen uit het zuiden het islamitische Darfur zouden veroveren.'For Sudan to find peace we must end the myth of Arab supremacy', The Guardian, 12 december 2014. Gearchiveerd op 12 november 2020.
Eind jaren 80 van de twintigste eeuw begon de situatie in Darfur uit de hand te lopen. Honderden boerendorpen werden platgebrand door de Arabisch-nomadische milities, en duizenden boeren (voornamelijk Fur) werden vermoord. In 1989 werd er een vredesverdrag gesloten, maar dit hield niet lang stand: in de jaren 90 vonden er weer gevechtshandelingen plaats.
Conflict in Darfur (2003–heden) thumb|250px|Deze kaart toont dorpen in Darfur waarvan de Amerikaanse overheid heeft bevestigd dat ze vernietigd of beschadigd zijn tijdens het conflict in Darfur. Vanaf februari 2003 (volgens het Internationaal Strafhof al vanaf augustus 2002) vond er opnieuw een langdurig gewapend conflict plaats in Darfur, waarbij de Soedanese overheid streed tegen een aantal verschillende rebellenbewegingen. Dit conflict werd al snel omschreven als de grootste humanitaire crisis van dat moment.Sudan must act on Darfur in 30 days or face measures, Security Council warns, Verenigde Naties, 30 juli 2004 Er vielen 200.000 tot 300.000 doden, en ten minste 2,7 miljoen mensen moesten vluchten voor het geweld.Darfur - overview, UNICEF, oktober 2008
Tot de rebellen behoren twee groeperingen die door het Internationaal Strafhof in het Engels als volgt genoemd werden: de Sudanese Liberation Movement/Army (SLM/A) en de Justice and Equality Movement (JEM). De SLM/A en de JEM bestonden uit leden van de plaatselijke zwarte boerenbevolking. Deze twee rebellengroeperingen werden opgericht als reactie op de aanhoudende onderdrukking van de niet-Arabische bevolking van Darfur door de Soedanese overheid en de Arabisch-nomadische milities. De Soedanese overheid zette een aantal gewapende groeperingen in tegen deze rebellen: het Soedanese leger, een paramilitaire groepering genaamd de Popular Defense Forces (PDF), en de losjes georganiseerde Arabisch-nomadische milities genaamd de Janjaweed.Warrant of arrest for Ali Kushayb, Internationaal Strafhof, 27 april 2007 De Janjaweed werden gemobiliseerd, bewapend en gefinancierd door de Soedanese overheid, en waren het belangrijkste middel van de overheid bij het neerslaan van de opstand. Ali Kushayb was een van de belangrijkste commandanten van deze militie.
De Janjaweed gingen zich vanaf 2003 steeds agressiever gedragen, en vielen ook de lokale bevolking aan. Ze plunderden en vernietigden de dorpjes en stadjes van de zwarte boeren. Dit was onderdeel van etnische zuiveringen gericht op de zwarte bevolking van Darfur. Vrouwen werden verkracht, en de mannen gemarteld en gedood. Naar aanleiding hiervan werd het conflict vanaf 2004 door verschillende buitenlandse overheden en NGO's omschreven als een genocide.Gregory H. Stanton: Genocide Emergency: Darfur, Sudan, Genocide Watch, 2 april 2004Resolution on Intervention in Darfur, International Association of Genocide Scholars, 7 juni 2005 Op 22 juni 2004 stemde het Congres van de Verenigde Staten unaniem voor een motie waarin de gebeurtenissen in Darfur een genocide genoemd werden.H.Con.Res.467 - Declaring genocide in Darfur, Sudan., 108e Congres van de Verenigde Staten, 22 juni 2004Excerpts: US Congress resolution on Darfur, BBC, 23 juli 2004. Gearchiveerd op 4 november 2020.
Misdaden in Darfur Aanvallen onder leiding van Kushayb Ali Kushayb voerde tijdens het conflict in Darfur met zijn Janjaweed-strijders vele aanvallen uit op dorpen in Darfur. Het Internationaal Strafhof focust tijdens de rechtszaak tegen Kushayb op een aantal van die aanvallen. Volgens het Internationaal Strafhof voerden het Soedanese leger en de Janjaweed, onder leiding van Ali Kushayb, vanaf augustus 2003 tot en met maart 2004 een aantal aanvallen uit tegen de nederzettingen Kodoom, Bindisi, Mukjar, Arawala, en de gebieden hieromheen. Ali Kushayb deed persoonlijk mee aan deze aanvallen. De rebellengroeperingen SLM/A en JEM waren op dat moment niet in deze nederzettingen aanwezig, en de lokale burgerbevolking, die voornamelijk tot de etnische groepen Fur, Zaghawa en Masalit behoort, nam niet actief deel aan de gevechtshandelingen. Desondanks werden de burgers doelgericht aangevallen, omdat het leger en de Janjaweed redeneerden dat deze burgers aanhangers van plaatselijke rebellengroeperingen waren. Tijdens de aanvallen pleegden het leger en de Janjaweed een aantal misdaden tegen deze burgers.Met het woord "burger" (Engels: civilian) bedoelt het Internationaal Strafhof eenieder die niet deelneemt aan gevechtshandelingen. Inwoners werden vermoord. Vrouwen werden verkracht en vernederd.Het Internationaal Strafhof omschrijft dit soort vernederingen in het Engels als "outrages upon personal dignity". Een andere vertaling hiervan is "aantasten van iemands waardigheid". Persoonlijk bezit werd vernietigd, en de nederzettingen werden geplunderd. Woningen en marktplaatsen werden leeggeroofd. De nederzettingen werden vervolgens platgebrand. Tienduizenden leden van de lokale bevolking werden van huis en haard verdreven.
Het Hof legt, naar aanleiding van deze aanvallen, het Soedanese leger en de Janjaweed een lange waslijst aan misdaden ten laste: etnische vervolging, moorden, gedwongen volksverhuizingen, het gevangenzetten of ontnemen van de vrijheid van de lokale bevolking, martelingen, verkrachtingen, en andere delicten van onmenselijke aard. Volgens het Hof vonden er oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid plaats. De aanvallen hadden volgens het Internationaal Strafhof een systematische of wijdverspreide aard, en waren specifiek gericht op leden van de etnische groepen Fur, Zaghawa en Masalit. Het Hof stelt dat de aanvallen aangestuurd werden door de Soedanese overheid.