miniatuur|Boerderij "de Croon".|150x150px miniatuur|Voogdygesticht.ca. 1936|150x150px miniatuur|Jongensrefter ca.1933|150x150px Huize St. Joseph is een monumentaal gebouw in het Zuid-Limburgse landschap. Door de naamsbekendheid van het gebouw kreeg het ontstaan en het gebruik een ondergeschikte rol in de geschiedenis. Het gebouw is in de periode 1911-1913 door de priestercongregatie van het Heilig Hart van Jezus (S.C.J.) als Voogdijgesticht St. Jozef ontworpen, ontwikkeld en als eigenaar beheerd. Zij gaven in de periode 1911-1982 onderkomen aan in hoofdzaak reguliere jeugdzorg. Huize St. Joseph is gelegen aan de Pater Kustersweg 8 in het Zuid-Limburgse Cadier en Keer. Het is ingeklemd tussen de Maastrichtse wijk Heer en de buurtschap Berg.Voor de gemeentelijke herindeling van 1970 was het adres Akersteenweg 216 in de gemeente Heer. In de periode 1982-2006 heeft het gebouw onder leiding van het ministerie van Justitie door de Stichting Jeugdzorg St. Joseph een metamorfose ondergaan. Het bordeauxrode dak werd vervangen door een rood dak waarbij men tevens meer dan 45 dakkapellen verwijderde. Voor alle vensters werden tralies geplaatst waardoor het rustieke aanzicht van het gebouw verdween. Na het voltooien van een omheining rondom het hele gebouw werd in 2006 de Justitiële Jeugd Inrichting "Het Keerpunt" officieel in gebruik genomen. Sinds begin 2019 is de naam veranderd in de Jeugdinrichting "Via Jeugd". Het gebouw uit 1912 is een gemeentelijk monument.
In documenten en literatuur wordt de naam St. Joseph op verschillende wijze geschreven. Voogdijgesticht St. Jozef, Voogdijgesticht St. Joseph, Huize St. Jozef, Huize St. Josef en Huize St Joseph. Zelfs de originele naam van de "St. Jozef Vereeniging" wordt in de jubileumsuitgave "Zilver over het Voogdijgesticht St. Joseph" als St. Josephvereeniging benoemd. Historisch correct is dat de congregatie S.C.J. de "St. Jozefvereeniging" heeft opgericht waaronder het "Voogdygesticht St. Jozef" viel.
Geschiedenis De vooroorlogse geschiedenis 1901-1945 In de negentiende eeuw kwam de zorg voor verwaarloosde kinderen op gang, aanvankelijk vooral in particuliere kring. Groot probleem was de macht van de ouders, die hun kinderen konden terughalen wanneer zij maar wilden. De kinderwetten van 1901 maakten daar een eind aan. en maakte de weg vrij voor de opvang van kinderen die om wat voor redenen dan ook uit de ouderlijke macht waren ontzet. De congregatie S.C.J. (Congregatio Sacerdotum a Corde Iesu) gaf Pater Matthieu Gerlachus Kusters toestemming een voogdij/regeeringsgesticht in het Zuid Limburgse te stichten.
"Noodzakelijk en eerste vereiste was de juridische oprichting van het zedelijk lichaam of voogdij voerende vereniging. Dit was immers het orgaan, dat burgerlijke handelingsbevoegdheid moest verwerven." Op initiatief van pater Kusters werd op 18 mei 1911 de "St. Jozef vereeniging" opgericht, met Pater Kusters, als eerste directeur. In officiële termen werd haar doel aldus omschreven: "De Vereniging St. Joseph te Heer bij Maastricht stelt zich ten doel de zorg voor verlaten, hulpbehoevende of verwaarloosde mannelijke personen van elke leeftijd, in het bijzonder de duurzame verzorging van minderjarigen in of buiten gestichten."
Zij tracht dit doel te bereiken door:
1) opvoeding, verzorging en verpleging.
2) het aanvaarden van voogdijen en van de opdracht tot verpleging van jeugdige personen, die ter beschikking van de Regering gesteld zijn."
Op 15 juni 1911 volgde de goedkeuring bij koninklijk besluit; de publicatie geschiedde in de Staatscourant van vrijdag 14 juli 1911. De bouw van het Voogdijgesticht St. Jozef kon beginnen. Pater Kusters woonde in 1911 met een groep jongens aanvankelijk in de oude boerderij "De Croon" op de Keerderberg te Cadier en Keer'De geschiedenis van het voormalige jongensinternaat Huize St.Joseph' op website volh.nl. Gearchiveerd op 6 november 2021. waar men begon met het lager onderwijs. thumb|Nieuwbouw ca.1911|links|150x150px miniatuur|Jongens delven kiezel op de "Kiezelkuil". 1911|links|150x150px alt=Toneelspel in het openluchttheater van de Heerderberg ca.1925|links|miniatuur|150x150px|Het "Grote Huis" 1925 Het ministerie van Justitie verplichtte pater Kusters bij de nieuwbouw een deel van het Voogdijgesticht ter beschikking te stellen als Regeringsgesticht. Het onder voogdij stellen van minderjarigen liep via een kinderrechter. De meeste kinderen hadden met criminaliteit weinig of niets te maken. Anders was het bij zogenaamde regeeringskinderen, die ter beschikking van de regering waren gesteld. Deze waren wegens strafbare feiten veroordeeld, maar kregen op grond van lichte vergrijpen een kans zich te verbeteren in een Voogdijgesticht. Als "Regeeringsgesticht" beschikte het "Grote Huis" om die redenen ook over cachotten.
Een andere verplichting kwam van de bisschop van Roermond. Zijn toestemming met de bouw van het voogdijgesticht kwam met de opdracht een kerk te bouwen voor arbeiders die aan de rand van Maastricht woonde. Dit resulteerde in de bouw van de Koepelkerk.
Het Grote Huis werd gebouwd in de periode 1911-1913 naar een ontwerp van architect N. Ramakers uit Sittard. Omdat het op een helling lag kwam er zand, grind en leem vrij bij het egaliseren van het terrein. Dit werd als bouwmateriaal gebruikt, van het leem werden bakstenen gebakken in vier steenovens. Naast nieuwe mergelgroeven (Nieuwe Groeve Sint-Joseph) werden ook de oude mergelgroeven in de omgeving weer in gebruik genomen om in de vraag te voorzien (Scharnderberggroeve en Heerderberggroeve). Aldus kwam een groot carrévormig complex tot stand in streng symmetrische, historiserende stijl. Het werd uitgevoerd in mergelsteen op een plint van Kunradersteen. miniatuur|150x150px|De Mandenvlechters. Het gebouw bestond uit vier woon en werkverdiepingen, In de kelder bevond zich aan de voorkant van het gebouw de keuken, stokerij, wasserij en verstelkamer. Verder achterin enkele werkplaatsen en links achteraan in de kelder de cachotten en rechts de douches. Op de begane grond bevond zich de hoofdingang met ontvangsthal en doorgang naar de kapel, links de lokalen van de lagere school en rechts enige spreekkamers en de eetzaal van de paters. In de gangen die naar achter voerde bevonden zich in iedere gang vier refters die zowel van binnen als van buiten toegankelijk waren. In de gang aan de achterkant bevonden zich ook vier refters die alleen vanuit de gang toegankelijk waren en uitsluitend uitzicht hadden op de binnenplaats. Vanuit het midden van de achterste gang had men toegang tot de grote toneelzaal. Op de eerste verdieping waren boven iedere refter de slaapzalen van de betreffende wooneenheid. Aan de voorzijde bevonden zich het secretariaat, de econoom, de doktersspreekkamer annex apotheek en bestuurskamers. Op de bovenste verdieping onder het dak bevonden zich de kamers van de geestelijken waarbij paters aan de voorkant woonde.
De opvoeding van de jongens was spartaans en streng. "De tucht en de discipline waren, zoals reeds aangeduid, uitermate streng en de straffen bij vergrijpen logen er niet om. Op ontvluchting stond veertien dagen cachot met om de andere dag water en brood, daarna een half jaar geen bezoek en "s zondags niet wandelen. Als "toegift" kwam er nog gangen schrobben bij. Deze krasse sancties bij ontsnapping hingen ongetwijfeld samen met het feit, dat het aantal ontvluchtingen min of meer normbepalend was voor de kwaliteit van de inrichting, althans in de ogen van de inspecteurs van het ministerie van justitie. Hoe minder vluchtelingen, hoe beter het gesticht!". De broeders werden meer als bewakers gezien dan als groepsleiders, zij werden bij een ontvluchting meestal persoonlijk verantwoordelijk gesteld. alt=De Klompenmakers|miniatuur|150x150px De pedagogische aanpak was duidelijk gebaseerd op militaristische principes of op kloostertradities. Het huishoudelijk reglement was praktisch ontleend aan het kleinseminarie van de congregatie. Hierbij werd wel eens vergeten, dat de aangeboden jeugd gewoonlijk uit niet-godsdienstige gezinnen kwam. Plotseling werden ze als het ware ondergedompeld in een gemeenschap waar van "s morgens vroeg tot "s avonds laat reglementair gebeden werd".
In 1913 arriveert een groep jongens uit het Rijks- opvoedingsgesticht "De Kruisberg" te Doetinchem. Zij droegen donkergrijze uniformen met koperen knopen, versiert met de letters ROG (door henzelf als Rijksongedierte geïnterpreteerd). Volkomen militair gedrild springen ze voor iedereen, die hen aanspreekt onmiddellijk in de houding. Met hun overplaatsing waren ze overigens erg gelukkig, want de voorschriften die bij St. Joseph golden waren, hoe streng dan ook, toch altijd menselijker dan die waar zij aan gewend waren. miniatuur|150x150px|Opleiding kleermaker. Ondanks de armoede in de begintijd en de naderende onrust van de Eerste Wereldoorlog bleef men lager onderwijs en vakonderwijs geven. Tot de vaardigheden waarin men zich in de eerste jaren kon bekwamen behoorden die van mandenvlechter, klompenmaker, agrariër, tuinder, metselaar en smid. In de twintiger jaren was het onderwijs uitgebreid met de opleidingen als drukker, elektricien, automonteur, kleermaker, schoenmaker, schilder en houtbewerken. Op 16 mei 1929 beschikte het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen toestemmend over het Vakonderwijs en gaf subsidie voor het onderwijssysteem. miniatuur|150x150px|Opleiding schoenmaker. Op 1 juli 1929 begon de Vakopleiding onder de naam "Ambachtsschool St. Joseph gevolgd in december met de voorlopige goedkeuring vakonderwijs. Op 15 januari 1930 volgde de overgang van het "Vakonderricht" sinds 1918, naar het "Nijverheidsonderwijs" en de officiële opening van de "Ambachtsschool St. Joseph" volgens het goedgekeurde lesrooster. Op 25 Juli 1930 begonnen de werkzaamheden aan de nieuwbouw van het theoriegebouw van de ambachtsschool welke op 21 april 1931 werd geopend. Het vakdiploma zorgde ook voor toestroom van externe leerlingen uit de omliggende dorpen. In de nieuwe "Ambachtsschool" werden de vakken houtbewerken, metaalbewerking en schilderen onderwezen. In 1928 kreeg de congregatie hulp van de Franciscaner zusters uit Erlenbad, in 1928 die in de keuken, wasserij en verstelkamer hun werk deden. Voor de jongens werden allerlei mogelijkheden geboden hun vrije tijd nuttig te besteden.
Er werden door de congregatie muziekinstrumenten aangeschaft en een drumband opgericht, jongens mochten zich bewijzen in een heuse een harmonie. Ook kwam er een jongenszangkoor. In het voorjaar van 1932 werd de wandelclub "De Globetrotters" opgericht zodat de jongens in de omgeving aan wandelevenementen konden deelnemen. Toneel stukken werden op het openluchttheater en in de grote zaal opgevoerd.
Voetbal was zowel voor de jongens als leden van de congregatie een serieuze aangelegenheid. Het waren doorgaans armoedige toestanden waaruit de kinderen kwamen, nooit hadden ze een muziek instrument gezien laat staan voetbalschoenen. De voetbalclub VVV Victoria speelde onder de KNVB in de nationale competitie. In tegenstelling wat in het Rapport Deetman gedurende de jaren 1945-1970 is beschreven waren de jaren tussen 1920 en 1942 waren getekend van respect voor de jeugd.
Men streefde naar een goede verzorging en opleiding zodat de jongens een goede start hadden in hun verdere leven. De oprichting op 24 december 1935 van de "Vereniging Oud Leerlingen Huize St.Joseph" (V.O.L.H.) was de start van nazorg aan jongens die het internaat hadden verlaten. De eerste uitgave van het verenigingsblad "De Berggalm" werd uitgegeven op 15 oktober 1936. Het verenigingsblad werd aan oud-leerlingen, missionarissen en militairen in de West verzonden. De V.O.L.H. organiseerde in meerdere districten bijeenkomsten die bestuurd werden door oud-leerlingen.
Tweede Wereldoorlog miniatuur|150x150px|De bezetters ca.1943