Het Kruisherenklooster is een voormalig klooster van kruisheren (of kruisbroeders) in het centrum van de Nederlandse stad Maastricht. Het kloostercomplex aan de Kommel bestaat uit een kloosterkerk en vier kloostervleugels rondom een pandhof. Het Kruisherenklooster is een van de weinige, volledig bewaard gebleven gotische kloosters in Nederland. Het uit de 15e en begin 16e eeuw daterende mergelstenen complex werd in 1966 aangewezen als rijksmonument. & Sinds 2005 is in het klooster een hotel gevestigd, het Kruisherenhotel. Het vrijwel compleet bewaard gebleven kloosterarchief is in sommige opzichten uniek in Nederland en België, en van groot belang voor de geschiedenis van Maastricht.'Metamorfoze' en 'Het archief van de Maastrichtse kruisheren' op rhcl.nl
Geschiedenis Kloosterstichting De Orde van het Heilig Kruis (Latijn: Ordo Sanctae Crucis, OSC) vond zijn oorsprong omstreeks 1210 in een kloosterstichting in Hoei. Initiatiefnemer was de Luikse kanunnik en kruisvaarder Theodorus van Celles. In 1248 werd de orde door de paus erkend. Aanvankelijk breidde de orde zich vooral in Frankrijk en Engeland uit. Later kwamen er meer vestigingen van kruisbroeders in het Maasland en omgeving, onder andere in Namen (ca. 1248), Luik (vóór 1270), Asperen (1314), Cuijk-Sint Agatha (1367), Aken (1372), Venlo (1399) en Roermond (1422).Janssen (2004), pp. 84, 136, 142, 145Janssen (2006), p. 14
thumb|left|190px|Overdracht van goederen aan de Kommel, 6 sept. 1436 (RHCL) thumb|left|190px|Toestemmingsakte Jan van Heinsberg, 4 jan. 1438 (RHCL) In de 14e eeuw trad er bij de kruisbroeders verslapping op in de kloostertucht. In 1410 verplichtte de nieuwe magister-generaal van de orde, Libertus van Bommel, de priors van alle kloosters om jaarlijks het generaal kapittel in Hoei bij te wonen. De priors van de kruisherenkloosters in het Maasland en noordelijker gelegen streken overnachtten, op weg naar Hoei, regelmatig in Maastrichtse kloosters of kanunnikenhuizen.Keyser-Schuurman (1984b), pp. 5-6 In 1433 bleek dit een probleem, omdat in dat jaar een heiligdomsvaart plaatsvond en alles volgeboekt was. Een particulier, Gillis van Elderen, bood toen enkele huizen aan de Kommel aan als logiesgelegenheid. Drie jaar later schonk hij de vijf huizen met bijbehorende erven plus een flink geldbedrag aan de kruisbroeders, om er een klooster te stichten.
Eer het zover was, moest toestemming worden verkregen van de pastoor van de Sint-Janskerk en de deken van het Sint-Servaaskapittel, binnen wier rechtsgebied het beoogde klooster lag. De toestemming werd verleend in 1437, waarbij onder andere werd bepaald dat de kruisbroeders met hun missen niet mochten concurreren met de Sint-Jan. Vervolgens machtigde de bisschop van Luik, Jan van Heinsberg, de kruisbroeders om over te gaan tot de oprichting van een ommuurd conventshuis met kloosterkerk, klokkentoren, dormitorium, tuinen, begraafplaats en "alles wat er bij hoort".
Aanvankelijk moest genoegen worden genomen met de geschonken huizen als huisvesting voor de broeders en een noodkerkje voor het koorgebed.Keyser-Schuurman (1984a), p. 18 Een jaar na de kloosterstichting werd de Broederschap van het Heilig Kruis opgericht.Van Hasselt (1903), pp. 131-134; Keyser-Schuurman (1984b), p. 133: regest nr. 66 Voor zover bekend was dit de op een na oudste religieuze lekenvereniging in Maastricht, bedoeld om de devotie tot het heilig kruis te bevorderen en tegelijkertijd de jonge kloostergemeenschap materieel te ondersteunen.Van Rensch/Koldeweij/De La Haye/De Kreek (1990), pp. 39-41
De stichting van het Kruisherenklooster in Maastricht in 1438 paste binnen een golf van kloosterstichtingen binnen de orde in de 15e eeuw. Het klooster te Venlo fungeerde bij een aantal van deze stichtingen, ook in Maastricht, als moederklooster. Na Maastricht volgden in het Maasland nog Borgloon-Kerniel (1438), 's-Hertogenbosch (1468) en Maaseik (1474).Janssen (2006), pp. 100, 162 Bij de stichting van laatstgenoemd klooster trad het Maastrichtse klooster als moederklooster op.Brasseur (2002), p. 196
Bouwgeschiedenis In 1440 werd de eerste steen gelegd voor de kloosterkerk. Bouwmeesters waren Petrus Toom en Johannes van Haeren. Het koor was in 1459 voltooid, maar het werd pas in 1470 gewijd. In 1462 en 1480 werd de klokkentoren (waarschijnlijk een dakruiter) vernield door storm en blikseminslag, en werd daarna vervangen door een kleinere dakruiter. Na een lange bouwstop ging men in 1501, tijdens het prioraat van Walter Beckers van Herentals, verder met de bouw van het schip en de zijbeuken, een project dat in 1509 kon worden afgerond.Van Nispen tot Sevenaer (1926/1974), p. 251
Pas in 1480-1481 kwam de eerste kloostervleugel tot stand, de oostvleugel aan de kant van de Kommel. Hierin werden onder andere de sacristie, de kapittelzaal en de (voorlopige) refter ondergebracht. In 1495 begon de bouw van de westvleugel (aan de huidige Kruisherengang). De benedenverdieping met de nieuwe refter was rond 1500 voltooid; de bovenverdieping met de kloostercellen omstreeks 1520. De oude refter in de oostvleugel werd daarna verbouwd tot gasthuis, bibliotheek en woning van de prior. De zuidvleugel kwam als laatste tot stand. Op deze plaats waren aanvankelijk de brouwerij en het bakhuis gevestigd, die in 1460 bij een hevige brand in de as werden gelegd. Onder het prioraat van Mathias Mijnecom (1517-1527) werd dit deel opnieuw opgetrokken in een stijl passend bij de andere vleugels. Vanaf circa 1520 hadden kerk en klooster hun huidige omvang en aanzien.Keyser-Schuurman (1984a), pp. 19-25
Kloosterleven thumb|Kruisheren in middeleeuwse en 18e-eeuwse dracht thumb|Legger van bezittingen in Herderen, 16e-17e eeuw De Maastrichtse kruisheren – tot de 18e eeuw sprak men meestal van kruisbroeders – waren in 1438 begonnen met vier paters, maar al gauw werden dat er meer. In 1468 waren er vijftien kloosterlingen; in 1483 waren dat er 22. Daarmee behoorde het Maastrichtse klooster omstreeks 1500 tot de grotere van de orde. De vijfde prior, Walter van Herentals (1483-1517), nam 24 nieuwe priesters op, waarvan een groot deel uit Maastricht.Keyser-Schuurman (1984a), p. 25
De kruisheren waren reguliere kanunniken die in gemeenschap leefden volgens de Regel van Augustinus. Naast het koorgebed in de eigen kerk, was een van hun taken het lezen van missen in parochiekerken en tertiarissenkloosters elders in de stad (onder andere in het Bonnefantenklooster, het Grauwzustersklooster, de Cellebroederskapel, de Sint-Andrieskapel en de Heilige Geestkapel). Ook leverden zij pastoors aan de parochies van Vlijtingen, Bolbeek en Haccourt.Janssen (2006), p. 88 De Maastrichtse kruisheren waren in de 15e en 16e eeuw bovendien bekend vanwege het kopiëren, verluchten en inbinden van handschriften, later ook het drukken van boeken. Verdere inkomsten werden verkregen door het bieden van onderdak (bemiddelde ouden van dagen konden zich in het klooster inkopen), het verplegen van zieken tijdens pestepidemieën (zoals in 1529 en 1579) en het aanbieden van grafrechten in de kerk (meestal in combinatie met misstipendia). Daarnaast hadden de kruisheren aanzienlijke inkomsten uit onroerend goed, dat hun in de loop der tijden door gelovigen was nagelaten.Keyser-Schuurman (1984a), pp. 31, 37 De meeste bezittingen bevonden zich in de directe omgeving van Maastricht en in het tegenwoordige België.
De Broederschap van het Heilig Kruis schijnt tot 1579 te hebben bestaan; daarna wordt er niets meer van vernomen. Omstreeks 1510 werd een tweede broederschap opgericht, die ten doel had de devotie tot de heilige aartsengel Michaël te bevorderen, de patroonheilige van de orde. Deze broederschap bleef bestaan tot de opheffing van het klooster. De broederschappen hadden in de Kruisherenkerk hun eigen altaren. Mogelijk bekostigden zij een tweetal gedocumenteerde bestellingen van beelden. In 1512 werd een houten beeld van Sint-Michaël besteld bij de bekende beeldsnijder Jan van Steffeswert. In 1516 werd een triomfbalk in het kerkschip aangebracht, waarop een door Meester Jacobus gepolychromeerd kruisbeeld kwam te staan. (2000): 'Jan Bieldesnider niet in hout alleen'. In: (red.): Op de drempel van een nieuwe tijd. De Maastrichtse beeldsnijder Jan van Steffeswert (tentoonstellingscatalogus), p. 49. Bonnefantenmuseum, Maastricht.
Achteruitgang thumb|Een deel van het Kommelkwartier met centraal het Kruisherenklooster op de kopie van de 18e-eeuwse maquette van Maastricht. Op de achtergrond het Vrijthofcomplex. Rondom de kloosters liggen moestuinen en boomgaarden Zoals alle kloosters in het relatief lege gebied tussen de eerste en tweede stadsmuur, ondervond ook het Kruisherenklooster regelmatig schade tijdens belegeringen. De relatief hoge ligging aan de veelvuldig aangevallen westkant maakte het klooster een voor de hand liggend doelwit voor het vijandelijk geschut. Dat gebeurde ook bij het beleg door Parma in 1579. Alle kloosterlingen op een na kwamen tijdens de gewelddadige inname van de stad of de daarop volgende pestepidemie om het leven.
Het klooster was een tijdlang vrijwel onbewoonbaar. Pas in 1581 kon de nieuwe prior, Hubertus van Stavelot, beginnen met het herstel, na een deel van de kloosterbezittingen te hebben verkocht. Het kerkgewelf moest deels worden vernieuwd. De boeken had men tijdig in veiligheid weten te brengen in Aken, vanwaar ze in 1582 terugkeerden. Het klooster kende daarna niet meer de bloei die het in de eeuw daarvoor had meegemaakt. Waren er voor het beleg vijfentwintig of meer kloosterlingen, in 1615 waren dat er nog slechts negen en in de eeuwen daarna werden het er nooit meer dan vijftien.Van Nispen tot Sevenaer (1926/1974), p. 243Keyser-Schuurman (1984a), pp. 39-41
In 1629 moest een hoog losgeld worden betaald voor prior Martinus Pauli, die te Emmerik gevangen was gezet, nadat hij een jaar eerder in de buurt van Luik was ontvoerd door Staatse militia. Tijdens de belegeringen door de Staatsen (1632) en de Fransen (1673) kreeg het klooster het opnieuw zwaar te verduren. Na laatstgenoemde inname schonk Lodewijk XIV van Frankrijk 2100 gulden om het klooster te herstellen. Na het vertrek van de Fransen in 1678 had het klooster regelmatig last van de verplichte inkwartiering van soldaten van het Maastrichtse garnizoen.Keyser-Schuurman (1984a), pp. 41-43
In de 18e eeuw nam de wereldse invloed in het klooster toe, wat onder meer tot uiting kwam in de kleding en het dragen van pruiken.Keyser-Schuurman (1984b), p. 10 Net als elders was de invloed van de Maastrichtse kruisheren op het geestelijk klimaat in hun stad gering. Het contrareformatorisch vuur was in de meeste kloosters gedoofd. Aan het einde van de 18e eeuw ging het slecht met de orde. Verschillende kloosters werden vanwege het gebrek aan kloosterlingen opgeheven. Van 1760 tot 1796 werden in het Maastrichtse klooster slechts tien priesters gewijd.Janssen (1996), pp. 18-21, 34, 42, 46
Lijst van priors Vanaf de kloosterstichting in 1438 tot de opheffing in 1796 voerde een dertigtal priors het bewind over het Maastrichtse Kruisherenklooster.Doppler (1896), pp. 9-11Van Hasselt (1903), pp. 41-49Janssen (2006), pp. 89-99 Het klooster mocht aanvankelijk nog niet zijn eigen prior kiezen.Brasseur (2002), p. 195 Later, waarschijnlijk vanaf de 16e eeuw, werden de priors gekozen door het huiskapittel, bestaande uit alle paters (de gewijde priesters) onder voorzitterschap van de magister-generaal (de algemeen overste uit Hoei). In overleg met het huiskapittel wees de prior zijn vervanger aan, de subprior, en een zakelijk leider, de procurator. Deze laatste functie werd soms door de prior zelf waargenomen.Keyser-Schuurman (1984a), p. 27
thumb|190px|Joseph Leurs, de laatste prior (1778-1796)
Opheffing klooster; militaire bestemming