De Académie des sciences (de Franse academie van wetenschappen), bij haar oprichting in 1666 Académie royale des sciences genaamd, is een van de vijf academies die samen het Institut de France vormen. De Académie bestaat anno 2016 uit 262 leden. Het wetenschappelijk genootschap stimuleert de Franse wetenschap en verdedigt de belangen ervan. Ook wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van die wetenschap en de toepassing ervan. Tijdens de Verlichting speelde de academie een vooraanstaande rol in de ontwikkeling van de wetenschap in Europa.
Geschiedenis Beginjaren thumb|Lodewijk XIV brengt in 1671 een bezoek aan de Académie. thumb|Bezigheden in de academie in 1698
De oprichting van de Académie was het werk van Jean-Baptiste Colbert, die een groep geleerden uitkoos die op 22 december 1666 in de koninklijke bibliotheek bij elkaar kwamen. Van de 16 aanwezigen was Christiaan Huygens, die boven de bibliotheek in het huis van Colbert woonde, de enige buitenlander. Het model van Colbert is een instituut zonder statuten, waarbij het intellectueel eigendom toekomt aan de Académie en niet aan de ontwikkelaar daarvan. Mensen, die niet primair in de wetenschappelijke waarheden zijn geïnteresseerd en jezuïeten worden van lidmaatschap uitgesloten. De Académie had een jaarlijks budget van 88.000 livreseen arbeider verdiende destijds hooguit één livre per week, waarvan 51.000 livres voor wetenschappelijk onderzoek. Aldersey, Een eeuw van licht, pag. 287-289
Christiaan Huygens stelt, in 27 punten, een lijst samen voor wetenschappelijk onderzoek. Deze lijst omvat o.a. de volgende aandachtsgebieden: sterrenkunde: afstanden naar en diameters en rotatiesnelheid van aarde, zon en planeten, incl. de manen van Jupiter optica: perfectioneren verrekijkers en microscopen, breking van licht in transparante lichamen met slingeruurwerken lengtegraden bepalen voor de scheepvaart mechanica: valtijden van zware lichamen bepalen, kracht bepalen van buskruit, knalgoud, botsingen, universele maateenheid vaststellen voor lengte en gewicht onderlinge zwaarte bepalen van vaste stoffen en vloeistoffen kracht en snelheid van de wind en water bepalen klanken: verband tussen klanken, snaarlengte, toonhoogte, snaarspanning Vanaf de oprichting kwamen de geleerden tweemaal per week bij elkaar: op woensdag over wiskunde, mechanica en astronomie en op zaterdag over natuurkunde en natuurwetenschappen. Aldersey, Een eeuw van licht, pag. 290-292
Na de dood van Colbert, in 1683, wordt door zijn opvolger aan alle buitenlanders het lidmaatschap ontnomen. Deze weigert zelfs Christiaan Huygens te betalen voor de levering van een door Colbert besteld planetarium. Aldersey, Een eeuw van licht, pag. 345-346
De eerste dertig jaar van de Académie bleven de contacten informeel omdat er geen statuten waren.Histoire de l'Académie des sciences op eigen website. Gearchiveerd op 9 november 2021.
Op 20 januari 1699 gaf koning Lodewijk XIV het genootschap zijn eerste reglement. De Académie kreeg het predicaat Koninklijk en vestigde zich in het Louvre in Parijs. Na de Franse Revolutie werden op 8 augustus 1793 alle academies ontbonden door de Nationale Conventie. Op 22 augustus 1795 werd in de plaats een "nationaal instituut voor wetenschap en kunst" gesticht, dat de oude academies van wetenschappen, literatuur en kunst verving. In 1816 werd de Académie des sciences weer zelfstandig, als onderdeel van het Institut de France en gehuisvest in het Collège des Quatre-Nations. Het Franse staatshoofd bleef daardoor patroon van de Académie. Van 1835 tot 1965 werden de bezigheden van de academie gepubliceerd onder de naam Comptes Rendus de l'Académie des sciences.
Op 20 januari 1699 gaf Lodewijk XIV de Académie haar eerste reglement en werd beschermheer van het genootschap. De koninklijke Académie des sciences zetelde in het Louvre. Leden werden, na voordracht door de Académie, door de koning benoemd. Het genootschap bestond uit 70 leden en daar werden nog 85 corresponderende leden aan toegevoegd. Tijdens de 18e eeuw wijzigde de organisatie van de koninklijke Académie des sciences meerdere keren. In 1785 werd een afdeling algemene fysica en een afdeling voor geschiedenis van de natuur en delfstoffen toegevoegd aan de zes reeds bestaande afdelingen (geometrie, astronomie, mechanica, anatomie, chemie, botanica). Met haar werk en haar publicaties droeg de Académie wezenlijk bij aan de groei van wetenschapsactiviteiten.
Descriptions des arts et métiers faites ou approuvées par Messieurs de l’Académie royale des sciences is een verzameling werken over oude ambachten die werd gepubliceerd op verzoek van Colbert. Het plan hiertoe werd eind 17e eeuw in werking gezet onder leiding van Gilles Filleau des Billettes, Sébastien Truchet, Jacques Jaugeon en abt Jean-Paul Bignon.
In 1676 bracht de Académie, onder supervisie van de door Claude Perrault aangedragen Denis Dodart, een basisboek voor de botanica in Frankrijk uit, getiteld Mémoires pour servir à l'histoire des plantes (verhandelingen ten behoeve van de plantengeschiedenis). Duclos, Pierre Borel, Perrault, Calois, Edme Mariotte, Claude Bourdelin en Nicolas Marchant droegen eraan bij. Negenendertig nieuwe planten werden nauwkeurig beschreven en het geheel werd voorzien van illustraties door Nicolas Robert. Bernard le Bovier de Fontenelle zei het volgende over de Mémoires: Men kan de zojuist geciteerde inleiding zien als een model voor een allesomvattende theorie, die tot in het kleinste detail te volgen is, erg fijntjes verteld en gekruid met de meest sympathieke bescheidenheid.
Tijdens de Revolutie De Revolutie beproefde de Académie des sciences zwaar. Hoewel zij trachtte weg te blijven van het politieke debat, werd het instituut toch veelvuldig overgehaald om besprekingen te voeren met de Assemblée nationale en later de Nationale Conventie. Toen haar gevraagd werd om de algemene hervorming van het stelsel van maten en gewichten (poids et mesures) voor te bereiden, benoemde het genootschap meteen vijf commissies om dat te realiseren: Cassini, Méchain en Legendre hielden zich bezig met astronomische maten; Meusnier en Monge kregen de opdracht om uiterst nauwkeurige landmetingen te gaan doen; Borda en Colomb bestudeerden hoe lang een pendule moet zijn om iedere seconde te tikken; Lavoisier en Haüy bepaalden het gewicht van gedestilleerd water; Tillet, Brisson en Vandermonde stelden het zeer ingewikkelde netwerk van oude maten op.
De Académie trachtte moeilijke situaties te vermijden wanneer haar om bijkomstig advies werd gevraagd. Ze deed het verzoek geen uitspraken meer te hoeven doen over vergoedingen die particulieren of steden aan de regering vroegen. Als haar gevraagd werd advies te geven over brandende kwesties als het levensonderhoud in deze tijd van opstand, verschuilde zij zich achter eerder behaalde resultaten. Bij een verzoek om advies over oorlogsmateriaal beriep de Académie zich op haar vredesmissie.
In deze periode van politieke omzichtigheid, vermeed de Académie zich bloot te stellen aan de hoogdravende taal bij sociëteiten. Echter, op 11 augustus 1792, de dag voor de bestorming van de Tuilerieën kwam Antoine François de Fourcroy in opstand en vroeg de lijst van academici voor te lezen teneinde er leden van weg te strepen. Dat voorstel werd afgewezen, maar een week later herhaalde hij het met de opmerking dat de Parijse Sociëteit van geneeskunde meerdere geëmigreerde of van collaboratie overtuigde leden van de lijst had geschrapt en vroeg hij hetzelfde te doen. Hij kreeg als antwoord dat de Académie noch kennis moest nemen van de principes van haar leden, noch van hun politieke overtuiging, en dat de voortgang van de wetenschap haar enige bezigheid was. Fourcroy vroeg toen om toepassing van de wet die het mogelijk maakte om leden die langer dan twee maanden afwezig waren uit te sluiten. Na discussie werd de beslissing een week opgeschort. Bij de volgende bijeenkomst merkte meetkundige Cousin op dat de Académie, traditioneel gezien, bij alle maatregelen die de voortgang van de wetenschap niet aangaan, vertrouwen had in de minister. Hij verbaasde zich dat de Académie, op het moment dat de minister van Binnenlandse Zaken, die nota bene op verzoek van het volk was aangetreden en meer dan ooit hun steun nodig had, niet hetzelfde vertrouwen kreeg als zijn voorgangers. Hij stelde voor dat de leden met de minister zouden vergaderen over het voorgestelde onderwerp, in plaats van zich bezig te houden met interessantere bezigheden. Deze oplossing werd snel aangenomen, om de zaak zo te laten voortslepen en zo uiteindelijk te laten mislukken.
Op 5 september 1792 vroeg Fourcroy de secretaris voor het leven of hij antwoord had gekregen van de minister over het wegstrepen van de leden die vijandig waren aan de Revolutie. De secretaris antwoordde geen enkele brief van het ministerie te hebben ontvangen. De Académie besloot daarop dat de secretaris geen enkele ledenlijst kon afgeven totdat dat antwoord er wel was. De wilskrachtige en unanieme verwerping door zijn collega’s maakten dat Fourcroy zijn halsstarrigheid opgaf.
Die ontwijkende houding is terug te zien bij de andere académies, bij de Académie française, de Académie des inscriptions et belles-lettres en de Académie voor schilderkunst en muziek, allen bedreigd. Een eerste decreet van de Conventie op 18 november 1792 schortte de benoeming op vacante plaatsen in de Académies op. Joseph Lakanal die binnen het comité voor openbaar onderwijs de belangen van de Académie verdedigde, hoopte de ondergang van de Académie te voorkomen. Op zijn voorstel werden dankzij een nieuw decreet van 17 mei 1793, de vacante plekken voor academici voorlopig ingevuld. Al op 8 augustus 1793 werd echter de definitieve ontbinding uitgesproken.
Lakanal probeerde de gevolgen van deze maatregel te verzachten, door te besluiten dat de leden het recht zouden behouden zonder officiële titel bij elkaar te mogen komen in hun vergaderruimte om daar te discussiëren over onderwerpen die hen zouden worden aangedragen door de Conventie. De academici achtten het niet raadzaam om van deze tolerantie gebruik te maken. De meesten gingen uiteen en doken onder. Niet iedereen slaagde daarin en zij werden opgepakt door het Revolutionair tribunaal. Sommigen, waaronder Berthollet, bleven verbonden met het Comité de salut public (comité van algemeen welzijn) om daar de rechten van de wetenschap te behouden.
Twee jaar later, op 22 augustus 1795, werd een nationaal instituut voor wetenschap en kunst (Institut national des sciences et des arts) opgericht dat overeenkwam met de voormalige wetenschappelijke, literaire en artistieke Académies. De eerste afdeling van het Instituut (fysica en wiskunde) telde de meeste leden (66 leden van de 144). In 1805 verhuisde het Institut national des sciences et arts naar het voormalige Collège des Quatre-Nations, tegenwoordig bekend als le Palais de l’Institut.
Hedendaagse Académie Bij koninklijk besluit van 21 maart 1816 kreeg de Académie des sciences de autonomie binnen het hervormde Institut de France terug met de president van Frankrijk aan het hoofd. De Académie des sciences werd in twee grote afdelingen opgedeeld die elk weer uit verschillende secties bestaan: een afdeling mathematische wetenschappen met aardrijkskunde en navigatie, astronomie, mechanica, meetkunde en natuurkunde en een afdeling natuurwetenschappen met anatomie, geneeskunde en chirurgie en met landbouwkunde, mineralogie, plantkunde, scheikunde en zoölogie. Aan elke afdeling werd een neutrale secretaris voor het leven verbonden. Bovendien werd er in navolging van de Académie royale des Belles-Lettres een afdeling van 'vrije academici' van tien onbezoldigde leden opgericht. Zij werden op dezelfde manier als de andere academici verkozen.