De Living Planet Index Nederland (LPI) is voornamelijk gebaseerd op gegevens die worden verzameld door duizenden vrijwilligers die regelmatig op pad gaan om planten of dieren te tellen. Dankzij hun werk is Nederland een van de landen met de meeste informatie over planten en dieren. De gegevens worden systematisch verzameld en gecontroleerd door de experts van de soortenorganisaties, bijvoorbeeld RAVON of Stichting Anemoon, en vervolgens geanalyseerd door het CBS. De resultaten worden samengevat in een aantal hanteerbare indicatoren voor de staat van de Nederlandse natuur.
Opstelling Wijze van berekenen De Living Planet Index (LPI) is samengesteld uit de trends (consistente veranderingen in populatiegrootte) van de afzonderlijk soorten. Eerst zijn de trends per soort berekend, vervolgens zijn die geaggregeerd tot de LPI. Jaarlijks berekent het Centraal Bureau voor de Statistiek in nauwe samenwerking met de soortenorganisaties de verandering in de populaties van inheemse diersoorten. Voor de meeste soorten is dat de verandering in aantallen. Voor sommige soorten, bijvoorbeeld vissen, ontbreken die cijfers echter; dan is de verandering in verspreiding genomen als benadering van de populatieontwikkeling. Zo ontstaan reeksen die het populatieverloop per soort in de tijd weerspiegelen. Populatiegegevens van bijna alle soorten (uitgezonderd een aantal zoogdieren) komen van het Netwerk Ecologische Monitoring. Verspreidingsgegevens komen van de Nationale Databank Flora en Fauna of direct van de soortenorganisatie. Gegevens van zeevissen komen van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES, Kopenhagen). Van alle soorten wordt de populatiegrootte of het aantal kilometerhokken waarin ze voorkomen jaarlijks bepaald, zodat tijdreeksen ontstaan. Bij zeevissen gaat het om het aantal zogenaamde ICES-hokken van circa 30 bij 30 mijl in de gehele Noordzee. Populatietrends zijn berekend met het statistische programma TRIM van het CBS. Trends in verspreiding zijn berekend met "occupancy modellen". (2013) Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458. Om het populatieverloop vergelijkbaar te maken, is voor elke soort de waarde in 1990 op 1 gesteld en zijn de waarden voor de overige jaren naar evenredigheid berekend (geïndexeerd). Bij sommige soorten zijn geen gegevens van 1990 voorhanden; dan is het eerste jaar op 1 gezet. De trend van een soort en van een LPI heet stabiel als deze niet significant is gestegen of gedaald en de onzekerheid van de trend klein is. Als de trend wel significant is, maar het niet zeker is of de verandering meer dan 5 procent per jaar is, dan wordt de trend ‘matig’ genoemd. Als de trend zeker groter is dan 5 procent per jaar, dan heet de trend ‘sterk’.
Aggregatie tot LPI In de LPI zijn geïndexeerde tijdreeksen gebruikt van dagvlinders, libellen, zoogdieren, broedvogels (dus geen vogels die in Nederland komen overwinteren of doortrekken), reptielen, amfibieën en vissen. Uit die tijdreeksen is de LPI afgeleid door per jaar het gemiddelde indexcijfer van alle soorten te berekenen. Elke soort telt hierin even zwaar mee.Compendium voor de Leefomgeving, 1569 geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 28 november 2023. Van de meeste groepen zijn alle inheemse soorten opgenomen, maar bij zoogdieren en vissen ontbreekt een aantal soorten bij gebrek aan gegevens. De LPI is samengesteld uit gegevens van 421 soorten: 57 soorten libellen (alle Nederlandse soorten), 51 soorten dagvlinders (alle Nederlandse soorten), 35 soorten zoogdieren (ruim de helft van de Nederlandse soorten), 173 soorten broedvogels (alle Nederlandse soorten), 7 soorten reptielen (alle Nederlandse soorten), 16 soorten amfibieën (alle Nederlandse soorten), 37 soorten zoetwatervissen (de meeste Nederlandse soorten), 45 soorten zeevissen (de meeste Nederlandse soorten). Per jaar is het indexcijfer voor al deze soorten meetkundig (geometrisch) gemiddeld. Daardoor telt niet het verschil, maar de verhouding tussen getallen: een verdubbeling (bijvoorbeeld van 1 naar 2) telt even zwaar als een halvering (van 1 naar 0,5). De berekeningswijze van de mondiale LPI wordt gevolgd.WWF. 2014. Living Planet Report 2014. Species and spaces, people and places. WWF International, Gland, Switzerland. Jaarcijfers van een soort die 10 keer zo groot of 10 keer zo klein zijn als in het jaar ervoor worden uit de reeks weggelaten om uitschieters te vermijden. Dat komt overigens maar weinig voor. Om grote toevalsschommelingen te dempen is vervolgens voor elk jaar het gemiddelde over een aantal jaar genomen door een smoothing algoritme toe te passen. Door de smoothing heeft de graadmeter in het beginjaar niet altijd precies de waarde 1. De betrouwbaarheidsintervallen van de LPI zijn gebaseerd op de betrouwbaarheidsintervallen van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten.
Rode Lijst Graadmeter Naast de Nederlandse LPI heeft het CBS ook de Rode Lijst graadmeter ontwikkeld.Compendium voor de Leefomgeving, 1521 geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 5 december 2023.Van Strien, A., Verweij, R., de Zeeuw, M., van Duuren, L. & L. Soldaat, 2014. Voorzichtig herstel van de biodiversiteit in Nederland? De levende Natuur 115: 208-211. Die geeft aan hoeveel Nederlandse inheemse planten- en diersoorten zeldzaam zijn en/of sterk achteruit zijn gegaan, en hoe ernstig hun gezamenlijke bedreiging is. De Rode Lijst graadmeter is afgeleid van de Rode Lijsten van bedreigde soorten. Daarop staan inheemse soorten planten en dieren die in 1950 in Nederland voorkwamen en nu zeldzaam zijn of in aantal of verspreiding achteruit zijn gegaan. Dat geldt voor één op de drie soorten planten en dieren. De graadmeter is berekend in 1995, 2005 en 2013.
Tussen 1995 en 2005 nam het aantal bedreigde soorten nog enigszins toe, maar na 2005 nam het aantal soorten iets af. De verandering is klein: bijna een op de drie planten- en diersoorten in Nederland was en is in meer of mindere mate bedreigd. De gezamenlijke mate van bedreiging is sinds 1995 licht afgenomen.
De LPI en de Rode Lijst graadmeter vullen elkaar aan: De LPI geeft een gemiddeld beeld van veel soorten, waaronder algemene. De Rode Lijst graadmeter richt zich op soorten in de gevarenzone. De LPI mist een aantal soorten waar onvoldoende gegevens van zijn. In de Rode Lijst graadmeter zijn plantensoorten opgenomen, in de LPI nog niet. De Rode Lijst graadmeter weerspiegelt alleen grote veranderingen, want een onbedreigde soort zal niet zo gauw de status van bedreigd krijgen: daar gaat een periode van achteruitgang aan vooraf. De LPI is gevoeliger voor veranderingen omdat elke populatieverandering meteen meetelt. Door de LPI op te splitsen kan bovendien gevolgd worden waar verliezen plaatsvinden en waar toenames optreden. De Rode Lijst graadmeter laat zich moeilijker opsplitsen.
Edities De Living PLanet Indices worden alternerend in de oneven jaren opgesteld en gepubliceerd in het Living Planet Report Nederland.
LPI 2015
Uit de Nederlandse LPI blijkt dat sinds 1990 een voorzichtig herstel is opgetreden. De omvang van de gemeten dierpopulaties zijn tussen 1990 en 2003 met gemiddeld ongeveer 15 procent toegenomen en sindsdien gemiddeld stabiel gebleven. Libellen,Compendium voor de Leefomgeving, 1387 geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 8 april 2024. zoogdieren,Compendium voor de Leefomgeving, 1571 geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 13 april 2024. broedvogels,Compendium voor de Leefomgeving, 1381 geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 13 april 2024. en reptielenCompendium voor de Leefomgeving, 1384 geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 13 april 2024. namen toe. DagvlindersCompendium voor de Leefomgeving, 1386 geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 13 april 2024. en amfibieënCompendium voor de Leefomgeving, 1077 geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 13 april 2024. namen af. Vissen, zowel levend in zoet water,Compendium voor de Leefomgeving, 1587 geraadpleegd op 27-3-2017. als in zeeCompendium voor de Leefomgeving, 1584 geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 13 april 2024. bleven gemiddeld stabiel.thumb|Living Planet Index Nederland 2015
De stijgende LPI wil niet zeggen dat de Nederlandse natuur er goed voor staat. De recente stijging volgt namelijk op een grote historische achteruitgang en heft nog maar een fractie van het verlies op. Maar het laat wel zien dat het mogelijk is om de dalende trend om te buigen. De stijgende Nederlandse LPI staat in contrast met de dalende mondiale LPI. Wereldwijd is de populatieomvang van gewervelde soorten tussen 1990 en 2010 sterk afgenomen.
De Nederlandse index komt wel overeen met de mondiale index voor de rijke inkomenslanden, die ook licht stijgt. Dat is niet alleen maar goed nieuws. In deze landen heeft, net als in Nederland, de achteruitgang al voor 1970 plaats gevonden. De stijging is het resultaat van voorzichtig herstel na zware verliezen. Bovendien drukt de consumptie van de rijke inkomenslanden niet alleen op de biodiversiteit in die landen zelf, maar ook elders. De rijke landen importeren immers op grote schaal grondstoffen uit de tropen, waar de LPI sterk is gedaald.
De Nederlandse LPI in perspectief Nederland heeft het Biodiversiteitsverdrag (CBD) van de Verenigde Naties geratificeerd. De CBD heeft als hoofddoel de wereldwijde achteruitgang van de biodiversiteit te remmenBalans van de Leefomgeving 2014. De toekomst is nú. PBLpublicatienummer: 1308. Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag.. De mondiale LPI is een van de indicatoren die worden gebruikt om de voortgang daarin te meten. De Nederlandse LPI volgt de trends op Nederlands niveau. Nederland is bovendien gebonden aan Europese afspraken en verplichtingen over gewenste natuur- en milieucondities. De belangrijkste regelingen zijn: de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Water en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Voor deze regelingen wordt de staat van de natuur ook gemeten, maar op andere manieren. De belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen die andere maten en de Nederlandse LPI zijn:
De Vogel- en Habitatrichtlijn De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn wetten die aangeven welke soorten dieren en planten en welke typen leefgebieden, ook wel habitattypen genoemd, de lidstaten van de Europese Unie moeten beschermen.Compendium voor de Leefomgeving 1084, geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 13 april 2024. De lidstaten rapporteren elke zes jaar over ‘de staat van instandhouding’ van de soorten die bescherming genieten. Een gunstige staat van instandhouding betekent dat de soort kan gedijen omdat het leefgebied voldoende groot is en voldoende kwaliteit heeft. Volgens de Vogelrichtlijn zijn alle inheemse Europese vogelsoorten (zowel broedvogels als overwinteraars) beschermd. Volgens de Habitatrichtlijn is in Nederland een selectie van 64 andere soorten dieren, voornamelijk zoogdieren, beschermd.Compendium voor de Leefomgeving 1483, geraadpleegd op 27-3-2017. Gearchiveerd op 13 april 2024. Uit het laatste onderzoek van de Europese Commissie blijkt dat op Europees niveau meer dan een derde van de vogelsoorten onder druk staat, onder meer de veldleeuwerik en de grutto. Nederland doet het minder slecht dan andere landen, maar ook hier gaat ruim 30 procent van de soorten broedvogels achteruit.EEA. 2015. State of nature in the EU. Results from reporting under the nature directives 2007-2012. EEA Technical report no 2/2015. European Environment Agency, Luxembourg Op Europese schaal heeft meer dan driekwart van de dier- en plantensoorten die onder de Habitatrichtlijn vallen een ongunstige staat van instandhouding. Ingezoomd op Nederland, dan blijkt de situatie ongeveer hetzelfde. In Nederland wordt de staat van instandhouding van bijna alle leefgebieden als ongunstig beoordeeld; hierin scoort Nederland het slechtst van alle EU-landen.