Onder klimaatrechtspraak verstaat men de praktijk waarbij burgers of milieuorganisaties een overheid of onderneming aanklagen wegens veronderstelde toekomstige schade aan de gezondheid en het leefmilieu, door de klimaatverandering. De vordering kan als doel hebben een concreet milieubelastend project stil te leggen of bij te sturen, dan wel de overheid ertoe te verplichten een meer doeltreffend geacht klimaatbeleid te voeren. Ook aanklachten tegen ondernemingen wegens vermeende klimaatschade, worden doorgaans tot de klimaatrechtspraak gerekend. Het kan bijvoorbeeld gaan om eisen tot schadevergoeding tegen bedrijven in fossiele brandstoffen of de mijnbouw, wegens de milieu- en klimaateffecten van hun activiteiten, of tegen bedrijven die nalaten te voldoen aan milieu- en klimaatwetgeving.
In tegenstelling tot een class-action gaan de aanklagers meestal niet uit van het strikt zakelijke eigen groepsbelang, maar eerder van het algemeen en zelfs toekomstig maatschappelijk belang. Niet zelden krijgen deze rechtszaken ruim aandacht in de media, hetgeen een mobiliserend effect heeft op de publieke opinie.
Rechtsgronden Rechtbanken kunnen zich baseren op: algemene rechtsbeginselen, zoals de plicht van de overheid om een zorgvuldig beleid te voeren, met inachtneming van het voorzorgsprincipe, de rechten van burgers op een gezond en waardig leven, en op een gezond leefmilieu. In het Angelsaksisch recht gelden ook rechtsprincipes zoals het begrip public nuisance, waarbij schade aan de gemeenschap wordt erkend, of de public trust doctrine, een historische plicht van de overheid om onder meer de kustlijnen te vrijwaren. bestaande wetten, regelgeving en goedgekeurde overheidsplannen geldige internationale verdragen en overeenkomsten, met name inzake klimaat, mensenrechten of biodiversiteit gangbare internationale afspraken en praktijken zoals neergelegd in de Millenniumdoelstellingen aantoonbare wetenschappelijke gegevens.
Het indienen van een klimaateis voor de rechtbank is echter geen vanzelfsprekende zaak. Een eerste struikelblok is het aan te tonen verband tussen een oorzaak (de beleidsdaad dan wel het ontbreken ervan, of een ondernemingsactiviteit) en een gevolg (de verwachte of vastgestelde milieu- of gezondheidsschade door klimaatverandering). Ook moet aannemelijk gemaakt worden dat een eventueel vonnis bijdraagt aan het vermijden van de schade.
Een tweede struikelblok was lange tijd dat de aanklagers maar moeilijk een rechtstreeks eigen belang konden aantonen. Een vordering om het algemeen belang te behartigen (actio popularis), is immers in vele landen niet ontvankelijk voor een rechtbank. Weliswaar geeft het Verdrag van Aarhus aan milieuverenigingen toegang tot informatie, beleid en rechtspraak in milieu-aangelegenheden, en oordeelde het Europees Hof van Justitie in 2014 dat Britse burgers de overheid via de Britse rechtbanken konden verplichten afdoende maatregelen te nemen om de luchtverontreiniging tegen te gaan (ClientEarth vs. Britse regering, zaak C-404/13)., Maar in andere gelijkaardige rechtszaken werden milieuorganisaties met succes gedwarsboomd door de Europese Commissie, die een enge interpretatie van het Verdrag van Aarhus voorstaat. Bovendien ging het hier niet om het klimaatbeleid als zodanig, maar specifiek om luchtverontreiniging door stikstofdioxide, waarover een rechtstreeks toepasselijke Europese richtlijn bestaat (2008/50/EG). De uitstoot van CO₂, een van de belangrijkste aandrijvers van de opwarming, beïnvloedt daarentegen niet rechtstreeks de plaatselijke luchtkwaliteit, en is uit meerdere bronnen afkomstig.
Een derde struikelblok is het algemene rechtsprincipe dat een rechter zich niet in de plaats kan of mag stellen van de overheid of de politiek (rechterlijk activisme). Een vonnis kan dus geen concrete beleidsmaatregelen bevatten, maar mogelijk wel beleidsdoelstellingen (resultaatsverplichting), bijvoorbeeld inzake uitstoot.
Toch is de rechtspraak aan het kenteren: waar zich ernstige maatschappelijke risico’s voordoen, wordt de beleidsvrijheid van de overheid steeds vaker onderworpen aan de rechterlijke toets. Het aanspannen van rechtszaken blijkt ook deel uit te maken van een nieuwe strategie van de milieugroepen. De coronapandemie die in 2020 uitbrak, heeft weliswaar de klimaatrechtspraak tijdelijk naar de achtergrond verdrongen. Maar de genomen maatregelen bevestigen anderzijds de juridische argumenten voor het inperken van vrijheden en eigendomsrechten die ook in de klimaatrechtspraak gebruikt worden.
ISDS Omgekeerd baseren (energie)bedrijven zich soms op verdragsclausules met investeerder-staatarbitrage (ISDS) voor investeringsbescherming om milieubeleid tegen te houden of minstens te vertragen. De Franse milieuminister Nicolas Hulot werkte begin 2017 een nieuwe wet uit om de exploitatie van olie en gas op Frans grondgebied te laten uitdoven tegen 2040. Na dreiging met ISDS-claims vanwege het Canadese energiebedrijf Vermilion werd het voorstel in september 2017 sterk afgezwakt.
Rechten van de natuur Op de grens tussen milieurecht en klimaatrechtspraak ontstaat een geheel nieuwe rechtsgrond bij het erkennen van de rechten van het natuurlijk milieu zelf, of onderdelen ervan zoals de rechten van een rivier, een landschap, of de lucht. Bij uitbreiding horen ook planten rechten te hebben. De motivatie loopt enigszins parallel met die voor dierenrechten. Reeds in de jaren 1970 kwam het principe in de Verenigde Staten aan de orde: in 1972 was een rechter bij het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten van oordeel dat planten en ecologische entiteiten een juridisch belang konden hebben.Opinie ("dissent") van rechter William O. Douglas in Sierra Club v. Morton, 405 U.S. 727 (1972), en publiceerde Christopher D. Stone zijn theorie over de rechten van onder meer bomen. In 2006 erkende de eerste VS-gemeente de rechten van de natuur binnen haar grenzen. In Ecuador werden de rechten van de natuur in 2008 in artikel 71 van de grondwet opgenomen, een wereldprimeur in het milieurecht. In 2012 keurde het Boliviaanse parlement de Ley de Derechos de la Madre Tierra ("Wet Rechten van Moeder Aarde") goed. In de praktijk echter is de draagwijdte van de nieuwe wetgeving en rechtspraak nog beperkt, en is een "menselijke" rechtspersoonlijkheid niet aan de orde.;
De rivier als rechtssubject stond centraal bij klimaatgerelateerde rechtszaken in Colombia in 2018.
Rechten van toekomstige generaties
Hoewel de meeste juristen van oordeel zijn dat toekomstige generaties in het huidige rechtsbestel geen rechten kunnen hebben in het heden ("ante natalem"), hooguit rechtmatige belangen, zijn velen toch van mening dat wij de morele plicht hebben die belangen te vrijwaren. Zij wijzen op de toegenomen verantwoordelijkheid van de huidige generatie, vanwege de vele nieuwe, ver-reikende technologische mogelijkheden, en de veel duidelijker voorspelbaarheid van toekomstige (klimaat-)gebeurtenissen, als gevolg van wetenschappelijke vooruitgang.
Rechtszaken De eerste rechtszaken werden rond de eeuwwisseling aangespannen in de Verenigde Staten, en nadien in Europese landen, Australië en Nieuw-Zeeland. Maar ook elders in de wereld begint een klimaatrechtspraak op gang te komen. Tot maart 2017 werden klimaatrechtszaken ingediend in 24 landen (25 als men de Europese Unie meetelt), met 654 zaken in de Verenigde Staten en meer dan 230 zaken in alle andere landen samen.
Het VN-Milieuprogramma (UNEP) tracht de klimaatrechtspraak in goede banen te leiden, en publiceerde daartoe in mei 2017 een uitgebreid juridisch rapport, enerzijds om rechters en advocaten te begeleiden, en anderzijds om het referentiekader en de gebruikte terminologie te stroomlijnen. Ook werd hierin een historisch overzicht geschetst, en verwezen naar een aantal opmerkelijke rechtszaken.
Op 23 juli 2025 oordeelde het Internationaal Gerechtshof in een niet-bindend advies dat landen het klimaat moeten beschermen voor huidige en toekomstige generaties, omdat een schone, gezonde en duurzame omgeving volgens het Hof een mensenrecht is. De zaak was aangespannen door Vanuatu, een eilandstaat die zwaar lijdt onder de gevolgen van klimaatverandering zoals stijgende zeespiegel, zwaardere stormen en verlies van landbouwgrond. Het niet-bindend advies van het Hof wordt gezien als een mijlpaal die de deur opent voor nieuwe klimaatzaken wereldwijd.
Afrika In Zuid-Afrika gaf een rechtbank de milieugroep Earthlife Africa in maart 2017 gelijk in een klacht tegen de regering wegens plannen voor de Thabametsi-elektriciteitscentrale op steenkool, omdat in het milieurapport geen rekening was gehouden met de verwachte gevolgen op het klimaat. De regering wilde de uitvoering van het project echter niet opschorten, maar moest van de rechtbank alsnog eerst een klimaatrapport uitbrengen. Het vonnis was een primeur voor Zuid-Afrika. De Konrad Adenauer Stichting publiceerde in 2021 een overzicht van rechtszaken in Afrika.
Amerika Colombia Een van de eerste klimaatrechtszaken in Latijns-Amerika werd in januari 2018 aangespannen door een groep jonge Colombianen die de centrale regering dagvaardden wegens laksheid in het terugdringen van de ontbossing van het Amazoneregenwoud. De klagers voeren aan dat die ontbossing hun grondwettelijke rechten op een gezonde omgeving, voedsel en water in gevaar brengt. De zaak doet denken aan de eis van Our Children’s Trust in de Verenigde Staten in 2015. In de uitspraak van 5 april 2018 werden de Amazone- en de Atrato-rivier als rechtssubject beschouwd. Toen het overleg in augustus 2018 vastliep, na het aantreden van de nieuwe regering onder de conservatieve president Iván Duque, dienden de klagers in juli 2019 bij de oorspronkelijke rechtbank een non-compliancerapport in.
Verenigde Staten Een vroege mijlpaal was de Massachusetts v. Environmental Protection Agency (EPA) zaak (2003-2007): onder impuls van president G. W. Bush had het milieuagentschap EPA aanvankelijk geweigerd emissienormen voor koolstofdioxide door motorvoertuigen op te leggen, waarop een aantal staten en steden dit via de rechter wilden afdwingen. Ze kregen uiteindelijk in het Hooggerechtshof gelijk (5 tegen 4). De zaak werd opnieuw actueel toen het kabinet-Trump het milieubeleid terugdraaide.
Rechtszaken rond klimaatverandering (climate litigation) kwamen in Californië op gang vanaf de klimaatwetgeving van 2006, maar worden intussen steeds talrijker, op het niveau van de staten zowel als federaal. Een groot aantal zaken onder de noemer "klimaatverandering" betreffen echter strikt genomen milieudelicten en -vorderingen.
Sedert 2015 krijgt een groep jongeren van Our Children's Trust, onder wie de kleindochter van klimaatpionier James Hansen, veel aandacht door een rechtszaak tegen de federale regering wegens gebrekkig klimaatbeleid (Juliana v. United States). Zij voeren aan dat hun grondwettelijk recht op een veilig en gezond leven in de toekomst wordt bedreigd door de klimaatopwarming, en dat de regering daartoe onvoldoende maatregelen neemt. De klagers hopen op een historisch precedent, naar het voorbeeld van Brown v. Board of Education, de rechtszaak die in 1954 een einde maakte aan de rassenscheiding op school. Na een procedureslag oordeelde het Hooggerechtshof op 30 juli 2018 de zaak in principe ontvankelijk, zij het met de nodige reserve. Na nog een reeks tussenvonnissen over de ontvankelijkheid van de zaak, ook voor het Hooggerechtshof, verwierp de districtsrechtbank op 17 januari 2020 de zaak, met 2 tegen 1, een uitspraak die ruim de media haalde. De klagers gingen opnieuw in beroep.
Tegen ExxonMobil loopt een gerechtelijk onderzoek wegens mogelijke misleiding van aandeelhouders, door het achterhouden van informatie rond klimaatverandering. De kwestie kwam op 22 oktober 2019 in een stroomversnelling toen de zaak voor de New York State Supreme Court kwam. De eis werd afgewezen, maar op 22 april 2021 spande de staat een nieuwe rechtszaak aan.