Hindoegeschriften zijn de teksten uit de literaire traditie van het hindoeïsme. Aan de basis hiervan staan de Veda's die behoren tot de shruti, wat wordt gehoord. Deze zijn direct door het goddelijke aan zieners of rishi's geopenbaard. Daar tegenover staan de smriti's, zich herinneren, die door mensen zijn gecomponeerd als de Vedanga, de epische Itihasa, de Purana's en de Dharmasoetra's. Veel teksten zijn commentaren op oudere teksten die met de tijd archaïsch werden en uitleg nodig hadden voor het modernere publiek. De oude werken zijn geschreven in het Prakrit en later vooral het Sanskriet.
De Veda's bevatten geen complete mythologie. De hindoeïstische mythologie werd pas ten volle vastgelegd in de aanvullende geschriften (shastra's), de Purana's, de literatuur van de verschillende hindoeïstische sekten, en de Itihasa, de grote epen Mahabharata en Ramayana. (2004): Early India. From the Origins to AD 1300, University of California Press De Purana's bevatten daarnaast de hymnen en rituele voorschriften voor de verering van individuele goden. Er bestaan achttien grote en achttien kleine (upa-) Purana's. De belangrijkste is de Bhagavata Purana of Srimad Bhagavatam, het verhaal van de fortuinlijke – Krishna – de avatar van de god Vishnu. De Itihasa vormen individuele geschiedenissen in de vorm van twee grote epen. De Ramayana is het verhaal van de Vishnu-avatar Rama en de Mahabharata beschrijft het verhaal van de Bharata-oorlog onder de Kuru's. De Kali Yuga, het ijzeren of politieke tijdperk van de redetwist, werd door deze oorlog ingeluid. Het bekendste deel van de Mahabharata is de Bhagavad Gita, waarin de hindoeistische ethiek gebaseerd op de concepten van dharma en karma is hierin uiteengezet.
Datering en overlevering Datering van van vroege teksten is moeizaam, ook omdat er in India lange tijd een orale traditie bestond, zelfs nadat het schrift al lange tijd geïntroduceerd was. Veel oude teksten zijn gevormd gedurende eeuwen met vele onbekende auteurs die regelmatig conflicterende inzichten toevoegden.
De orale traditie werd in stand gehouden omdat de Veda's alleen voor tweemaal-geborenen (dvija) toegankelijk waren en daarom pas na lange tijd op schrift werden gesteld. Die traditie had tot gevolg dat bij vedische scholen (charana's) die hun aanhang verloren ook hun recensies (shakha's) verloren ging. Dit gold ook toen teksten op schrift werden gesteld, aangezien nog lang gebruik werd gemaakt van palmbladmanuscripten die vergankelijk van aard waren en afhankelijk waren van kopiisten.
Veda's De Veda is een complex en zeer uitgebreid werk dat is samengesteld gedurende eeuwen en lange tijd alleen mondeling werd doorgegeven, ook nadat het schrift was ingevoerd. Deze teksten gelden als de absolute en eeuwige waarheid, aangezien zij op openbaring berustten en alleen tweemaal-geborenen deze mochten aanhoren. De Veda bestaat uit de Rig-Veda, de Atharva-Veda, de Yajur-Veda en de Sama-Veda. Alle vier Veda's bevatten een verzameling hymnen, deze samhita's zijn het oudste deel van de Veda en maken deel uit van de vroegste overgeleverde poëzie in de wereld. De daaropvolgende brahmana's beschrijven de exegese van rituelen, een belangrijk onderdeel van het vroege brahmanisme. De upanishads en aryanka's zijn filosofische verhandelingen.
De vroegste Veda is de Rig, waarbij het vroegste deel de Rigveda-Samhita is. De Samaveda is grotendeels gebaseerd op de Rigveda, maar hier is de tekst op muziek gezet. De Yajoerveda bevat de formules die worden voorgedragen tijdens een offer (yajna), terwijl de Atharvaveda rituelen uit de tradities van genezing en magie bevat.
Samhita's De samhita's werden archaïsch voor het publiek dat vele eeuwen na het ontstaan hiervan leefde en daartoe werden de brahmana's toegevoegd waarin uitleg wordt gegeven bij de samhita's en de offerrituelen uiteen worden gezet. De oude samhita's ontstonden in het vijfstromengebied Punjab rond de Indus in het noorden van Zuid-Azië in een pastorale samenleving die vooral leefde van de veeteelt. De rol van de goden is hier nog groot, al is al in de Rig-Veda een twijfel aan de goden te zien en een zoektocht naar de oergrond achter deze goden.
Brahmana's In de brahmana's verminderde de angst voor de goden, aangezien deze door brahmanistische rituele offers (yajna's) in toom gehouden kunnen worden. De drie doelen van het vedische leven (trivarga) waren dharma (normen), artha (rijkdom) en kama (plezier). De verschuiving van de focus naar de brahmana's en de rituelen ging ten koste van de deva's, de goden uit de Rigveda-Samhita. Dit ging gepaard met de opkomst van de brahmanen, de priesters die met hun rituelen de goden moesten bedwingen. Zij verkregen steeds meer de belangrijkste positie in de maatschappij ten koste van de kshattriya's, de krijgers en heersers, overigens zonder wereldlijke macht naar zich toe te trekken. Mogelijk hing deze verandering van positie samen met de overgang van een semi-nomadische krijgerssamenleving naar een agrarische samenleving. Onder de heersers vielen de vaishya's, de handelaren en landbouwers, en daaronder de shudra's, de arbeiders en dienaren. Mogelijk waren deze laatsten de nakomelingen van de oorspronkelijke bevolking die nu onder de Indo-Ariërs viel. Zij mochten dan ook niet deelnemen aan de hindoeïstische initiatierite van upanayana. De dalits vielen zelfs buiten het kastenstelsel met zijn vier varna's dat gedurende deze periode zo vorm begon te krijgen. Gedurende deze periode ontwikkelden zich de begrippen Brahman en Atman tot belangrijke concepten binnen het hindoeïsme en de hindoeïstische filosofie.
Aranyaka's Het derde deel van de Veda's zijn de aranyaka's of woudgeschriften die duiding geven bij de offers en al een meer filosofische inslag hebben. Het zijn de voorlopers van de upanishads die een belangrijke revolutie in religieus denken betekenden.
Upanishads De upanishads ontstonden ten tijde van een urbanisatie en individualisering van de samenleving, waarbij het lijden een belangrijke plaats kreeg, terwijl het polytheïsme in belang afnam. Er is niet altijd een scherpe overgang en zo zijn upanishads soms onderdeel van samhita's of brahmana's. In de upanishads heeft het begrip Brahman zich ontwikkeld tot het onpersoonlijke Absolute waaruit alles ontstaat, niet gebonden aan tijd (kala), ruimte (desa) en causaliteit (nimitta), dit in tegenstelling tot de goden. Atman had zich ondertussen ontwikkeld tot de diepste zelf en de upanishads stelden dat beide een waren. Daarnaast vormde zich hier een nieuw idee van wat er na de dood gebeurt. Vanaf deze tijd werden samsara, karma en moksa centrale begrippen in de Indische filosofie en religie. De eeuwigdurende cyclus van dood en wedergeboorte van samsara is daarbij afhankelijk van karma – hoe men zich gedragen heeft in het eerdere leven. Hoewel goed gedrag daarmee een verbetering op kan leveren, blijft het lijden altijd een gegeven en daarom is het streven van verlossing of moksa het belangrijkste doel van de purusartha.
In de upanishadische periode was het gebied ondertussen uitgebreid tot de Ganges en ontwikkelden zich voor het eerst sinds de Indusbeschaving weer steden. In deze steden werd de onderlinge solidariteit de familiebanden ten dele vervangen door een solidariteit tussen de klassen. De janapada's, kleinere stamgebieden waarin leiders voortkwamen uit stam- en familieverbanden, vormden zich tot grote (maha) gebieden, de zestien mahajanapada's, elk geleid door een koning met elk een eigen hoofdstad. Deze centralisatie ging gepaard met een toenemende handel waardoor een handelaarsklasse kon ontstaan. De verschuiving van de macht van een raad van stamhoofden naar een koning, de urbanisatie en het ontstaan van een koopmansklasse bracht een individualisering teweeg die ook gevolgen voor de religieuze beleving. Het leven als lijden kreeg een belangrijke plaats, terwijl het polytheïsme in belang afnam. Eerder lag de nadruk op de natuurlijke omstandigheden waarin de mens moest zien te overleven, maar in een steeds meer gestratificeerde samenleving groeide de ongelijkheid. In andere samenleving ontstonden in gelijke omstandigheden religies die hier een rechtvaardigheid voor boden in het hiernamaals. De brahmanen konden hier maar een beperkt antwoord op vinden. Zij vormden een gesloten groep die hun kennis en daarmee macht over de geestelijke wereld voor zichzelf hielden en vooral mondeling overbrachten. Dit systeem verkreeg een zekere starheid en gerichtheid op uiterlijke rituelen die onvoldoende voorzag in de eisen van de nieuwe samenleving. Zo ontstond een mystieke tegenbeweging van wereldverzaking op zoek naar het innerlijk en de verlossing van deze cyclus. Dat betekende overigens niet dat er sprake was van een volledige overgang. Buiten de stedelijke gebieden waar de nieuwe onzekerheden geen rol speelden, bleef er behoefte aan de oude vormen. Dit kon spanningen veroorzaken tussen de stedelijke elite en de landelijke bevolking. Hoewel eerder al upanishads gevormd waren, ontstonden de belangrijkste in deze periode. In deze geheime teksten is een vroege filosofische bespiegeling te vinden over de aard van de wereld en de mensen en over wat er na de dood gebeurt. Het begrip Brahman had zich ontwikkeld tot het onpersoonlijke Absolute waaruit alles ontstaat, niet gebonden aan tijd (kala), ruimte (desa) en causaliteit (nimitta), dit in tegenstelling tot de goden. Atman had zich ondertussen ontwikkeld tot het diepste zelf. Waar deze ontwikkeling al eerder was begonnen, werd in de upanishads de conclusie getrokken dat beiden een waren. Elke persoon heeft wel een eigen vorm, maar heeft dezelfde essentie. De echte overkoepelende werkelijkheid is Brahman die zich in personen als Atman manifesteert. Dit overkoepelende komt ook naar voren in de Maha Upanishad. Een belangrijke revolutie in religieus denken die voortkomt uit de upanishads is dat wat er na de dood gebeurt. Vanaf deze tijd zijn samsara, karma en moksa centrale begrippen in de Indische filosofie en religie. Samsara is daarbij de eeuwigdurende cyclus van dood en wedergeboorte. Aangezien er sprake is van zielsverhuizing bij de wedergeboorte, is men afhankelijk van karma – hoe men zich gedragen heeft in het eerdere leven. Het loont dus om een goed leven te leiden, want dan wordt men opnieuw geboren als goede. Dit betekende echter niet dat men hiermee echt geholpen was, aangezien de upanishads het leven vooral als lijdensweg zien. De moksa of verlossing uit de eeuwigdurende cyclus geldt daarom als belangrijkste doel van goed leven. Daarbij verdwijnt de individuele ziel in de universele ziel zoals een rivier verdwijnt als deze in zee uitmondt. De uitbreiding van de drie doelen van het leven met moksa maakte van de trivarga de caturvarga of purusartha.
In de Mundaka Upanishad werden de vier Veda's neergezet als apara, de lagere vorm van de twee wijsheden tegenover para, de hogere wijsheid.The Lower knowledge is the knowledge of the Rg Veda, the Yajur Veda, the Sama Veda, the Atharva Veda, and also the knowledge of Phonetics, Ritual, Grammar, Etymology, Metrics and Astronomy. Mundaka Upanishad (1.1.4-6) De Upanishads verwierpen de Veda's niet zoals de niet-orthodoxe scholen zouden doen, maar plaatsen deze wel op een duidelijk lager plan dan de wijsheid van het weten van Atman en Brahman. Een radicale verandering is die tussen de waardering voor het dorpsleven (grama) tegenover de wildernis (aranya). In de vedische wereld bestond er van de laatste een negatief beeld, terwijl onder meer de Prasna Upanishad en de Mundaka Upanishad stellen dat dit de enige weg naar moksa is, terwijl bij het dorpsleven de cyclus van samsara in stand blijft. De verwarring is terug te vinden in de Mahabharata, waar de zieners, de rsi's, aan Brahma vragen welke dharma nu gevolgd moet worden.