Het Oudemannenhuis in Haarlem was een bejaardenhuis voor mannen aan het Groot Heiligland, dat in 1609 in gebruik werd genomen. In het gebouw is sinds 1913 het Frans Hals Museum gevestigd.

Het Oudemannenhuis was geen armlastige instelling, getuige de toegangspoort, die is versierd met pilasters, een cartouche met wapenschilden en bovenop een beeld van een oude man. Het oudemannenhuis werd destijds zo mooi gevonden dat men schreef: het ‘Oldemannenhuys schijnt veel eerder een Paleis van een Prince’. Het gebouw lag rondom een binnentuin, die in 17e-eeuwse stijl is aangelegd. Ook de typisch Hollandse trapgevels herinneren aan die periode.

Bouw Het Oudemannenhuis werd na de verwoestingen door het Beleg van Haarlem in 1607-1611 gebouwd in opdracht van het stadsbestuur van Haarlem. Om de bouw te financieren werd een grote loterij gehouden en een rederijkersfeest georganiseerd door Trou moet Blycken, met een totale opbrengst van 55.000 gulden.Gedigitaliseerd archief van de loterij Geld kwam ook binnen uit collectes bij rederijkersvoorstellingen en schenkingen van particulieren.100 jaar Frans Hals museum, hoofdstuk 100 jaar gebouwen, pag. 93-138

Het oudemannenhuis bestond uit een hoofdgebouw, waarin onder andere een hoofdpoort, een eetzaal (de huidige Renaissancezaal) en regentenkamers. Het hoofdgebouw grensde aan een vierkante binnentuin, waaraan, aan overdekte galerijen, dertig kleine huisjes lagen. Elk huisje was bestemd voor twee mannen. Er konden daardoor maximaal 60 oude mannen wonen.

Wie het ontworpen heeft, is niet zeker. Voorheen is gedacht dat Lieven de Key het ontwerp maakte: hij was in die periode ‘stadsmeestermetselaar’ en ontwierp bijvoorbeeld de Vleeshal. Men gaat er echter van uit dat het ontwerp afkomstig was van Pieter van Campen (Amsterdam 1568-Haarlem 1615). Hij was de vader van Jacob van Campen, die onder meer het Paleis op de Dam heeft ontworpen.

In 1810 werd het complex bestemd als burgerweeshuis. Daarvoor werden de huisjes aan weerszijden afgebroken. In 1858 werden twee klaslokalen aan het hoofdgebouw toegevoegd.

De gemeente kocht in 1908 het complex van de kerk terug om er de stedelijke kunstcollectie onder te brengen die voorheen tentoongesteld werd in het stadhuis. Reden: er was voortdurend brandgevaar en de schilderijen leden onder o.a. lekkages. Het hoofdgebouw werd hierbij behouden. De vleugels van het gebouw werden gesloopt en in neorenaissancestijl weer opgebouwd naar een ontwerp van stadsarchitect L.C Dumont. De oorspronkelijke plattegrond, de toegangspoort en het hoofdgebouw bleven gehandhaafd. In 1913 werd een geheel nieuw trappenhuis gebouwd om de zalen waar ooit de wezen sliepen bereikbaar te maken. Het gehele museum werd in 1913 van centrale verwarming voorzien.

Verdere uitbreidingen vonden plaats in 1930 toen achter het hoofdgebouw de Grote Schutterszaal gebouwd werd ten behoeve van de schutterstukken. In de jaren vijftig kwam er een schilderijendepot. Nagenoeg op dezelfde plek waar in de 17e eeuw de keukenruimtes waren, verrees een keukencomplex. In 1981 werd door architect Wiek Röling een nieuw tentoonstellingsgebouw bijgebouwd ten behoeve van moderne kunst, tegenwoordig in gebruik als zaal voor lezingen en café.

Gebruik

Oudemannenhuis Op 1 februari 1609 betrokken de eerste oude mannen het gebouw. De mannen die in het huis werden toegelaten, moesten ongehuwd zijn, ouder dan 60 jaar, minimaal 15 jaar in Haarlem wonen en een eerlijk leven hebben geleid. Mannen, die in hun huisje betrapt werden op roken, werden gestraft met een geldboete, ketening aan een blok of dagenlang enkel water en brood. Wekelijks moesten de heren met de 'armenbus' in de stad collecteren. Maaltijden werden gebruikt in de eetzaal in het hoofdgebouw; de huidige Renaissancezaal.

De zakelijke leiding lag bij 4 (later 5) regenten, waarvan Pieter van Campen een van de eersten was, en de huishoudelijke leiding lag bij 3 (later 4) regentessen. In 1664 maakte Frans Hals van beide ‘colleges', die verantwoording schuldig waren aan het stadsbestuur, een groepsportret; deze portretten hangen nu in het Frans Halsmuseum. De dagelijkse leiding lag in handen van een binnenvader en een binnenmoeder.

In 1795 moesten, van maart tot november, de oude mannen hun ruimtes afstaan en werden, Franse soldaten ingekwartierd. In 1810 werden de oude mannen door het stadsbestuur definitief eruit gezet en moesten zij plaatsmaken voor 127 weeskinderen, die op hun beurt plaats moesten maken voor de Koudenhorn Kazerne. De oude mannen vertrokken onder protest naar het …

Weeshuis Vanaf 1810 werd het Gereformeerd- of Burgerweeshuis in het gebouw gevestigd dat eerder was opgericht door Coenraad Cuser. De huisjes aan weerszijden werden hiervoor afgebroken. Het hoofdgebouw en de poort bleven behouden. Er werden 127 wezen ondergebracht. In 1854 werd het weeshuis eigendom van de Nederlandse Hervormde Kerk. Er werd ook nieuw personeel aangenomen, naast de binnenvader en de binnenmoeder. Er kwamen – in de geest van de Verlichting - nu ook een naaimoeder, een schoolmeester en een kinderjuffrouw in dienst. In 1858 werd het gebouw uitgebreid met twee klaslokalen. Ook stadskinderen konden er terecht voor onderwijs. De schrijver Jacobus van Looy was een van de wezen die daar heeft geleefd en er zijn autobiografische cyclus Jaapje-Jaap-Jakob over heeft geschreven.Tekst Jaapje, van Looy, 1917 Het gebouw werd begin 20e eeuw te klein en te duur in onderhoud. De wezen verhuisden naar een nieuw weeshuis, het in 1907-1908 gebouwde Coen Cuserhof, in de Olieslagerslaan.

Museum Vanaf 1913 werden de museumzalen ingericht.

Fotogalerij

Categorie:Rijksmonument in Haarlem Categorie:Frans Hals Museum