thumb|Monument in Kleef met de namen van Kleefse gesneuvelde soldaten tijdens de Frans-Pruisische oorlog De Frans-Duitse of Frans-Pruisische Oorlog was een gewapend conflict tussen Frankrijk aan de ene kant, en een door Pruisen aangevoerde coalitie van de Noord-Duitse Bond samen met een aantal Zuid-Duitse koninkrijken aan de andere kant, dat duurde van 19 juli 1870 tot 10 mei 1871. Het eindresultaat was een overwinning voor Pruisen en zijn bondgenoten. Dit leidde tot de val van het Tweede Franse Keizerrijk, de afzetting van de Franse keizer Napoleon III en de oprichting van het Duitse Keizerrijk.
Achtergrond Frankrijk was beducht geraakt voor de snel groeiende Pruisisch-Duitse macht. Tot 1870 was Frankrijk de overheersende natie op het vasteland in Europa geweest, maar het zag zijn dominante positie nu bedreigd door de Noord-Duitse Bond onder leiding van kanselier Otto von Bismarck.
De oorlogsverklaring van Frankrijk aan Pruisen paste in het plan van Bismarcks Realpolitik: zijn plannen voor het verenigen van de Duitse staten tot één Duits Rijk. Dit werd door Frankrijk en Oostenrijk echter geblokkeerd; deze staten wensten op het Europese continent geen vierde grootmacht naast Rusland, Frankrijk en Oostenrijk. Deze wens zou uiteindelijk niet in vervulling gaan: door de afloop van de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog was in 1866 Oostenrijk reeds uitgeschakeld en in 1870 zou ook Frankrijk volgen.
De Luxemburgse kwestie van 1866, waarbij Nederland het Groothertogdom Luxemburg aan Frankrijk wilde verkopen en Pruisen naar aanleiding hiervan met oorlog dreigde, liep met een sisser af. Dit bracht de spanningen tussen Frankrijk en Pruisen duidelijk aan het licht, die in 1870 tot ontlading zouden komen.
Aanleiding De directe aanleiding van de oorlog was het Franse verzet tegen de bestijging van de troon van koninkrijk Spanje door een Duitse prins, Leopold van Hohenzollern. Als deze prins het koningschap van Spanje zou verkrijgen, zou Frankrijk geografisch ingesloten raken tussen twee staten waar Pruisische Hohenzollern het koningschap bekleedden, zowel in het zuiden als in het noordoosten. Frankrijk eiste daarom dat de Pruisische koning Wilhelm I zijn steun voor de Pruisische prins introk. Wilhelm I ging akkoord.
Korte tijd later stuurde Napoleon III de Franse ambassadeur in Pruisen, graaf Benedetti, naar Wilhelm I om te eisen dat de Pruisische prins zich niet alleen nu, maar ook in de toekomst nooit meer kandidaat zou stellen voor de Spaanse troon. Wilhelm I vond dat hij de Fransen al genoeg tegemoet was gekomen en weigerde ditmaal. Hij verbleef op dat moment in Bad Ems en stuurde de tekst van zijn weigering om voor het gezag van Napoleon te buigen op 13 juli 1870 in een telegram op naar zijn kanselier Otto von Bismarck. Dit telegram staat bekend als de Emser Depesche.
Bismarck zag direct de mogelijkheid om met dit telegram een oorlog met Frankrijk uit te lokken en alle Duitse staten achter Pruisen te verenigen. Hij verspreidde vervolgens een verkorte versie aan de internationale pers en de rest ging vanzelf. De door bewuste verkorting ontstane stugge toon provoceerde de publieke opinie en het parlement van Frankrijk. Vijf dagen later, op 19 juli 1870, verklaarde het beledigde Frankrijk aan Pruisen de oorlog.
Verloop van de oorlog
Uitgangssituatie De oorlog verliep desastreus voor Frankrijk. Door de valse verwachting dat de Zuid-Duitse staten het Pruisische oorlogsavontuur niet zouden willen meemaken, paaide Frankrijk hen met zijn economische en politieke steun. De Zuid-Duitse staten sloten zich onder druk van hun publieke opinies echter juist aan bij Pruisen; Pruisen was immers een Duitse "broederstaat" en de Fransen hadden zich met hun eerdere beleid in Europa en de Napoleontische Oorlogen niet populair gemaakt. De Fransen hoopten verder Denemarken en Oostenrijk te porren zich aan de Franse zijde aan te sluiten voor een revanche voor hun eerdere nederlagen tegen Pruisen. Oostenrijk wilde echter alleen meedoen als de Zuid-Duitse staten zich ook aan Franse zijde zouden scharen, wat ze niet deden. Zonder Oostenrijk en deze staten wilde ook Denemarken niet meedoen. Frankrijk kwam hierdoor alleen te staan tegenover Pruisen en de Noord-Duitse Bond, Baden, Württemberg, Beieren en Hessen.
In tegenstelling tot Oostenrijk in 1866 had Frankrijk weliswaar geen achterstand in moderne bewapening en ook de krachtsverhoudingen wat betreft aantallen manschappen en wapens waren ongeveer gelijk. De Fransen bezaten evenwel betere (Chassepot) geweren dan de Duitse en bovendien mitrailleuses, primitieve machinegeweren met roterende lopen die 120 zware kogels per minuut konden afvuren. Hiermee zouden ze tijdens de oorlog grote aantallen Duitse slachtoffers maken. De Duitsers bezaten echter betere (Krupp) artillerie dan de Fransen. Hierdoor kwam het regelmatig voor dat de Franse infanterie de Duitsers grote verliezen kon toebrengen, maar uiteindelijk door de betere Duitse artillerie werd neergemaaid.
De organisatie van het Franse leger liet verder veel te wensen over. Pruisen en diens Duitse bondgenoten hadden binnen achttien dagen na de oorlogsverklaring 380.000 soldaten aan de Franse grens geconcentreerd, waaronder op grote schaal opgeroepen reservisten, terwijl de Fransen in het grensgebied hooguit over half zoveel manschappen beschikten. De Duitsers hadden zich bovendien beter voorbereid, waardoor ze sneller grote legers bij de grens konden concentreren. De Franse legerleiding meende dat reservisten in mobiele oorlogvoering van geringe waarde zouden zijn en hadden daarom geen reservisten gemobiliseerd, maar de successen van de Duitse strijdmacht toonden het tegendeel aan. Het Franse leger werd namelijk geplaagd door nepotisme waardoor het animo voor een militaire carrière niet groot was en ook kon de dienstplicht worden afgekocht. Hierdoor was er een gebrek aan talent, plus dat de Franse officieren veel minder dan de Duitse geneigd waren zelfstandig te opereren. Ook was er veel drankmisbruik in het Franse leger, wat de slagkracht ondermijnde. Daarbij kampte keizer Napoleon III met een slechte gezondheid, wat door de autoriteiten zorgvuldig verborgen werd gehouden. Toen deze met zijn legers ten strijde trok, zagen de troepen met eigen ogen hoe slecht hun keizer eraan toe was. Dit had een negatief effect op het moreel.
Beginfase De Fransen zetten in op een offensief voor de Duitsers zich volledig zouden kunnen ontplooien. Het plan was het Rijnland binnen te trekken en de Zuid-Duitse staten over te halen zich tegen Pruisen te keren. De inschatting bleek volledig verkeerd: Pruisen mobiliseerde veel sneller dan de Fransen en de Zuid-Duitse staten kozen de kant van Pruisen. Generaal Frossards IIe Corps en maarschalk Bazaine's IIIe Corps staken op 2 augustus de Duitse grens over en bezetten Saarbrücken. De Fransen behaalden ondanks Duits verzet een overwinning waarbij bovendien de betere kwaliteit van de Franse geweren zich direct liet gelden. De Fransen bejubelden dit als de eerste stap naar de bezetting van het Rijnland en een mars naar Berlijn, maar de bezetting van Saarbrücken was een valse victorie. De stad had slechte verbindingen met het achterland en de rivieren liepen parallel aan de grens, waardoor de stad weinig strategische waarde had. Bovendien was het al snel duidelijk dat de Duitsers een tweevoudige overmacht in het veld konden brengen en na twee dagen (toen de Duitsers de Fransen bij Wissembourg versloegen) werd Saarbrücken alweer door de Fransen verlaten. Op 4 augustus maakte het Duitse leger contact met de Fransen in de slag bij Wissembourg, gevolgd door de slag bij Spicheren een dag later en de slag bij Wœrth nog een dag later. In alle drie deze slagen werden de Fransen verslagen.
De Duitse legers ageerden heel offensief en namen daarbij zware verliezen voor lief. Daarbij opereerden ze ook door middel van omtrekkende manoeuvres waardoor de Franse legers werden ingesloten. De Franse legers werden door de overmacht verpletterd. Na de slag bij Wœrth-Frœschwiller (6 augustus) trok de Franse opperbevelhebber, maarschalk Bazaine, met een groot deel van het Franse leger terug uit Oost-Frankrijk en gaf dit derhalve feitelijk op. Bij Mars-la-Tour kwam het echter op 16 augustus tot een treffen met vooruitgeschoven Duitse troepen die hem de pas afsneden. Feitelijk wilden de Duitsers met deze kleine troepenmacht de Franse achterhoede bestoken, maar omdat de Franse terugtocht door slechte organisatie traag verliep, stuitte deze onverwachts op de hoofdmacht. Door zeer offensief te opereren en dankzij versterkingen wisten de Duitsers met aanvankelijk een minderheid de Fransen tegen te houden; hoewel de slag onbeslist eindigde braken de Fransen hun tocht naar het westen af en trokken ze naar het noorden. Bij Gravelotte kwam het op 18 augustus nogmaals tot een treffen, waardoor Bazaine zich gedwongen zag tot terugtrekking in de vesting van Metz. Hier werd hij door de Duitse legers belegerd. Ook Straatsburg – de belangrijkste stad in de Elzas – werd door de Duitsers belegerd.
Slag bij Sedan en de val van het Franse keizerrijk De Franse keizerin Eugénie vreesde voor het voortbestaan van de dynastie. Alleen een overwinning van Napoleon III zelf zou die kunnen redden. Keizer Napoleon III voerde daarop een nieuw leger van 120.000 man aan, dat onder leiding van maarschalk Mac Mahon oprukte om de vesting van Metz te ontzetten. Door de lange geforceerde marsen via een omweg om de Duitsers te omzeilen putte het leger uit en stelde de flanken bloot aan aanvallen. Dit leger werd bovendien opgewacht en in de tang genomen door een Pruisisch-Duitse strijdmacht van 200.000 man en op 2 september 1870 verslagen in de Slag bij Sedan, waarbij de Franse keizer zich persoonlijk overgaf aan Bismarck, evenals maarschalk Mac Mahon en de resterende 100.000 soldaten. Dit leidde tot de ondergang van het Tweede Franse Keizerrijk en de instelling van de Derde Franse Republiek. De in Metz ingesloten maarschalk Bazaine, een verstokt bonapartist, trachtte vanuit zijn hopeloze belegerde positie met de Duitsers te onderhandelen teneinde het met hen op een akkoordje te gooien en met hun steun de republiek omver te werpen. Hoewel dit plan niet serieus werd genomen, werd het door de Duitse pers breed uitgemeten en derhalve als propagandavoordeel uitgemolken.
Eindfase Bazaine had nu geen hoop meer op ontzetting en capituleerde op 26 oktober. De vesting van Straatsburg had iets eerder ook al gecapituleerd. Frankrijk had nu bijna geen geregelde troepen meer over en de Pruisische troepen marcheerden zonder moeite door tot Parijs, dat op 19 september omsingeld werd. Andere Duitse legers stootten vanuit Noord-Frankrijk door tot de rivier de Loire in het midden van Frankrijk en tot aan Le Mans in West-Frankrijk. Deze veldtochten waren overigens niet bedoeld om heel Frankrijk te bezetten of te vernederen, maar om de legers die de nieuwe Franse regering in alle hoeken van het land rekruteerde snel te verslaan voor ze een bedreiging konden worden. De overgave van Metz was hierin cruciaal, omdat grote aantallen door de belegering gebonden Duitse troepen nu vrijkwamen voor deze veldtochten. De Duitsers hadden nu namelijk in tegenstelling tot het begin van de oorlog geen numerieke superioriteit meer, en moesten hun troepen over een steeds groter gebied uitsmeren. De Fransen behaalden hier op 9 november 1870 hun enige grote overwinning van de oorlog in de slag bij Coulmiers, waarbij ze een Beiers leger dwongen Orléans op te geven. Het nieuws leidde tot grote opwinding in het belegerde Parijs en gaf een prikkel de strijd voort te zetten in de hoop dat het tij gekeerd was. De Fransen konden hun voordeel echter niet uitbuiten en generaal D´Aurelle rukte niet verder op omdat zijn troepen rust nodig zouden hebben. Op 3 en 4 december 1870 zouden de Duitsers terugkomen en de Fransen in de (tweede) slag bij Orléans op hun beurt verslaan, waardoor de overwinning uiteindelijk weinig effect had.