De verdragen tussen Rome en Carthago waren niet alleen buitengewoon belangrijk voor de betrekkingen tussen deze twee grootmachten, maar ook voor die met de Grieken op Sicilië en in Italië. Zij zagen in Syracuse het verste steunpunt van het hellenisme in het westelijke Middellandse Zeegebied.

Rome en Carthago waren twee stadstaten die een groot rijk wisten op te bouwen. Op een zeker moment was het nodig om de onderlinge betrekkingen te regelen en om te onderhandelen over hun invloedssferen. Eeuwenlang werkten de twee steden zij aan zij, soms zelfs als bondgenoten. Hun economische belangen en hun expansierichtingen bleken elkaar niet te bijten. Rome was niet gericht naar de zee, omdat het zich moest verdedigen tegen zijn buurvolkeren de Sabelliërs, de Etrusken, de Galliërs en de Grieken. Rome was gericht op het verwerven van de hegemonie over Italië. Carthago had niet een echt burgerleger en was gedwongen te vechten tegen de Grieken van Cyrene, van Massilia en van Syracuse op Sicilië in de langstlopende oorlogen in de geschiedenis (de Grieks-Punische oorlogen). De stad was bereid om haar veroveringen te verdedigen na evenwel een intensieve beoordeling van de kosten en baten. Wanneer de aristocratische partij meer geneigd was om de macht uit te breiden richting steden in de omgeving, keek de partij van de kooplieden meer naar mogelijkheden om handelsposten in te richten in het westelijke Middellandse Zeegebied. De kwaliteit van de vloot maakte dit alles mogelijk.

Al deze verdragen konden de vijandelijkheden tussen de twee machten niet stoppen, maar door de voorzichtigheid van beide partijen was het eeuwenlang mogelijk om in een vreedzame co-existentie naast elkaar te leven.

Ontwikkeling In de vierde eeuw v.Chr. bestond de Middellandse Zee ruwweg uit de volgende invloedssferen: de Egeïsche Zee werd voornamelijk gecontroleerd door de Grieken van Griekenland, Klein-Azië en Egypte (na Alexander de Grote). De Adriatische Zee en de Ionische Zee werden gecontroleerd door de verschillende stadstaten die aan zee lagen. De westelijke zone was het gebied van de Carthagers, maar in de Tyrreense Zee was er een gezamenlijke invloedssfeer van Carthagers en Griekse kolonisten in Zuid-Italië.

Carthago Carthago was een zeehandelsmacht en gebruikte haar handel om oorlogen te kunnen betalen. De stad hield daarbij altijd het economische nut in het oog.

Carthago werd in 814 v.Chr. gesticht door Fenicische kolonisten die afkomstig waren uit de stad Tyrus. Zij namen de verering van hun god Melqart met zich mee. Volgens de overlevering stonden de kolonisten (of politieke vluchtelingen) onder leiding van hun koningin Dido (ook Elissa genoemd). Al in de zesde eeuw raakten de zeevarende handelaars bekend in het westelijke Middellandse Zeegebied en in Griekse komedies werden zij al als typetjes neergezet. In de vierde eeuw controleerde Carthago na enkele militaire operaties de golf van Sirte in Libië en bezat zij verspreide handelsposten langs de kust van Numidië en het Iberisch schiereiland. De kusten van Sardinië en Corsica stonden ook onder haar controle, toen Carthago ook Sicilië onder haar controle probeerde te brengen. Een bijna ononderbroken reeks oorlogen (van 480 – slag bij Himera – tot 307 v.Chr.) kon er toch niet voor zorgen dat de Grieken, die de kusten bewoonden, werden verslagen.

Volgens Piganiol was Carthago de rijkste stad van de Mediterrane wereld, die dankzij haar maritieme macht op eigen kracht een handelsimperium had gebouwd met de Etrusken als bondgenoot en de Grieken als tegenstanders. Mommsen schrijft over Carthago: "de Feniciërs gaven blijk van moed en intelligentie in handel en industrie […]; zij stortten zich met overgave op de zeevaartkunst, ambachtswerk, het stichten van kolonies; aan haar hebben we de toenadering tussen de oosterse en de westerse wereld te danken". Het ontbrak de Feniciërs totaal aan het vermogen om volken te civiliseren en te assimileren, iets waarin de Grieken juist uitblonken en waartoe ook de Italiërs in staat waren. Warmington voegde eraan toe dat “Carthago de eerste stad was die een imperium probeerde te besturen en daar ook drie eeuwen lang in slaagde”.

Door haar focus op het handeldrijven schakelde Carthago na verloop van tijd over van een burgerleger naar een huurleger, dat bestond uit Libische boeren (slaven van grootgrondbezitters, die met geweld werden ingelijfd) en uit cavalerie van bondgenoten die onder het commando stonden van Numidische vorsten. Deze huurlingen compenseerden met hun militaire ervaring wat ze misten aan patriottisme. Ondanks deze diversiteit lukte het de Carthaagse legeraanvoerders om hun troepen op uitstekende wijze aan te voeren, hoewel het toch om buitenlanders ging.

Rome Rome werd zo’n zestig jaar na Carthago gesticht (volgens Marcus Terentius Varro in 753 v.Chr.). De eerste 400 jaar van zijn bestaan was de stad gedwongen om eindeloze oorlogen uit te vechten met de omringende volkeren. Dit onophoudelijk strijden met steden in het binnenland zorgde ervoor dat het Romeinse leger, dat aanvankelijk bestond uit boeren en herders, gespecialiseerd raakte in het voeren van landoorlogen. Meer dan door handel ontwikkelde de Romeinse economie zich door het economisch uitbuiten van overwonnen vijanden, door hun land af te nemen en dat aan Romeinse kolonisten te geven. Gewapende troepen werden gebruikt als bondgenoten (socii) voor de eigen doeleinden. Zo bond men de aristocratie en de bezittende klasse van de overwonnen steden aan de belangen van Rome. Voor de zeehandel maakten de Romeinen gebruik van Etruskische en Griekse schepen.

Eerste verdrag: 509-508 thumb|center|upright=3|Belangrijkste invloedssferen in het westelijke Middellandse Zeegebied in 509 v.Chr. Het Rome van de Tarquinii controleerde het zuidelijke gedeelte van Latium vetus. Het eerste verdrag tussen de twee stadstaten gaat terug tot het jaar van de stichting van de Romeinse Republiek in 509/508 v.Chr., overeenkomstig de chronologie van Varro en het onderzoek van Polybios in de Romeinse archieven. Het verdrag werd gesloten op aandringen van Carthago. Polybios vertelt erbij dat de originele Latijnse tekst in een zo archaïsche taalvorm was geschreven dat het alleen door experts en met een zekere moeite kon worden gelezen.

De antieke bronnen zijn echter niet eensluidend over deze oude datering: hoewel Livius nooit spreekt over een eerste verdrag, benoemt hij het verdrag van 306 v.Chr. wel als het derde verdrag. Men leidt daar dus uit af dat Livius op de hoogte was van het bestaan van een verdrag dat ouder was dan dat van 348, ook al is het niet mogelijk om vast te stellen in welk jaar hij dat plaatste. Diodorus Siculus beweert daarentegen dat het eerste verdrag tussen Rome en Carthago niet voor 348 werd gesloten.

Ook de moderne kritiek is verdeeld over deze datering: Onder degenen die niet geloven in een verdrag in 509 bevinden zich Theodor Mommsen, die deze door Polybios genoemde datering te vroeg vindt, en De Sanctis en André Piganiol. De laatste schrijft: “Het verdrag tussen Rome en de Samnieten […] en bovenal het eerste verdrag tussen Rome en Carthago in 348 (344) markeren twee belangrijke stappen in de ontwikkeling van Rome. Polybios vond in de Romeinse archieven de teksten van drie verdragen tussen Rome en Carthago en dateert het eerste in de tijd van de eerste Romeinse consuls. Wij verwerpen deze datering en vermoeden dat Polybios de teksten op verkeerde volgorde heeft gelegd […]”

Massimo Pallottino daarentegen stelt dat “de authenticiteit van de archaïsche chronologie/vroege datering van dit document eerst twijfelachtig was, maar nu niet meer ter discussie staat bij de overgrote meerderheid van de geleerden.” Wilmington voegt eraan toe dat dit eerste verdrag waarschijnlijk gelijk was aan andere wel bekende verdragen die gesloten zijn tussen Carthago en steden in Etrurië, waaronder dus ook het Rome van de Tarquinii viel.

De bemiddelaars tussen de partijen waren dan vermoedelijk de Etrusken. De datering van Varro verschilt enigszins van de berekeningen van Polybios (die uitkomt op 508). De Griekse historicus begint zijn berekening met de Perzische Oorlog, toen Xerxes in juni 480 de Hellespont overstak en zijn strafexpeditie tegen de vrije Griekse steden begon. Hij schrijft over het verdrag dat het “uit de tijd stamt van Lucius Iunius Brutus en Marcus Horatius, de eerste gekozen consuls na het verjagen van de koning. In die tijd werd ook de tempel van Jupiter Capitolinus gewijd. Dit gebeurde twintig jaar voor de expeditie van Xerxes naar Griekenland. We hebben dat al zo precies mogelijk beschreven.” Polybius, III,22.

Tijdens de oorlog met Ardea werd koning Tarquinius Superbus verdreven en ontstond de Republiek met de eerste consuls. Omdat de verdreven koning Etruskisch was, was het voor Rome noodzakelijk om de handelsverbindingen veilig te stellen. Deze werden door Griekse, maar vooral door Etruskische kooplieden onderhouden. Het Etruskische Caere en zijn haven Pyrgus voorzagen Rome van aanvoer van goederen. Met Caere versterkte Rome steeds meer haar contacten, wat ook blijkt uit het feit dat bij de inval van de Galliërs in 390 veel Romeinen naar deze stad vluchtten. Rome zocht dus de steun van de Carthagers, die al een basis hadden in Caere. Dat blijkt uit votiefstenen met Etruskisch en Fenicisch schrift die in Pyrgus gevonden zijn.

Carthago was in deze tijd bezig met het bedwingen van de Griekse kolonisten die vanuit Griekenland naar het westelijke Middellandse Zeegebied trokken. Op de hele kust van Zuid-Italië en op de oostkust van Sicilië waren er Griekse steden die de handel beperkten tussen de Carthagers en de bewoners van het binnenland. Carthago breidde zijn Afrikaanse bezittingen (circa 72.500 km2 met 3-4 miljoen inwoners) uit naar het hedendaagse Spanje. Later voerde Carthago met de Etrusken oorlog tegen de Phocaeërs in de slag bij Alalia in 535. De Etrusken verwierven Corsica en de Tyrreense zee, maar Carthago bezette Sardinië en West-Sicilië. In 510 vocht Carthago weer in West-Sicilië om de Spartaanse nederzettingen tegen te werken.

Tekst

Beperkingen voor Rome Met het door Polybios genoemde verdrag uit 509 mochten de Romeinen en hun bondgenoten niet voorbij Promontorium Pulchrum (ten noorden van Carthago – de precieze locatie is onbekend) varen, behalve wanneer zij daartoe gedwongen waren door een storm of door vijanden. In ieder geval mogen zij alleen kopen wat ze nodig hebben voor dringende reparaties aan een schip of om offers te kunnen brengen en ze moeten hoe dan ook binnen vijf dagen vertrekken. Handelaren kunnen alleen actief zijn op Sicilië en in Noord-Afrika onder toezicht van veilingmeesters met garantie voor de verkopers. Toch hadden Romeinen op Carthaags Sicilië dezelfde rechten als de Carthagers. Opvallend is dat Carthago Sardinië en Afrika als eigen gebied beschouwt, terwijl het verdrag wat betreft Sicilië uiteraard alleen slaat op het niet-Griekse gebied. Voor Rome staat tegenover deze beperkingen dat het werd erkend als de leidende macht in Latium en dat het militaire bescherming en dekking op zee kreeg, die Carthago kon geven tegen eventuele aanvallen van Cumae of de andere poleis van Magna Graecia. Die vormden toen de echte tegenstanders van Carthago. De Republiek was nog maar net ontstaan en verwikkeld in oorlogen met de naburige Italische volkeren en met de Etrusken. Die probeerden toen onder leiding van Porsenna de macht terug te geven aan de Tarquinii. Rome had toen nog geen aspiraties richting Zuid-Latium en van een handelsvloot was nauwelijks sprake. Van een militaire vloot was evenmin sprake: die werd pas in 311 ingesteld.

Beperkingen voor Carthago thumb|upright=1.8|Verdeling van de zeegebieden: (1) verboden gebied voor Rome, (2) voor noodgevallen toegankelijk gebied, (3) gemengde zone