thumb|Elizabeth Barry, gravure naar een portret door Godfrey Kneller Elizabeth Barry (mogelijk St Mary le Strand, 1658 – Acton, 7 november 1713) was een Engels actrice uit het tijdperk van de Restauratie. In de jaren 70 en 80 van de zeventiende eeuw groeide zij uit tot de beroemdste Engelse actrice van haar tijd.Michael Cordner (1994), ‘Introduction’, in: Michael Cordner (red.) (1995), Four Restoration Marriage Plays. Oxford: Oxford University Press, blz. xi, Ze vertolkte (hoofd)rollen in meerdere toneelstukken van onder anderen Thomas Otway, John Dryden, Thomas Shadwell, Thomas D'Urfey en Aphra Behn en muntte zowel in treur- als blijspelen uit; rond 1690 vormde ze tevens een succesvol partnerschap met Anne Bracegirdle. Tussen 1675 en 1708 verscheen Barry in ten minste 118 nieuwe producties.Elizabeth Howe (1992), The first English actresses. Women and drama 1660—1700. Cambridge: Cambridge University Press, blz. 178-180, Haar controversieel geachte levensstijl leverde haar veel laster en hoon op, maar zowel vriend als vijand prees haar om het naturel van haar acteerwerk. Haar immense populariteit bezorgde haar in de jaren 1680 het destijds unieke voorrecht, de winst van een avondvoorstelling voor zich alleen te behoudenHowe, blz. 27-28., hetgeen haar tot een van de eerste financieel onafhankelijke actrices in Engeland maakte.
Jeugdjaren thumb|The Duke’s Company speelde vanaf 1671 in het Dorset Garden Theatre. Er bestaan weinig betrouwbare verslagen over de jeugd van Elizabeth Barry. De voornaamste informatiebron is Edmund CurllJohn Joseph Knight, ‘Barry, Elizabeth’, in: Dictionary of National Biography, 1885-1900, Volume 03, geïmporteerd naar Wikisource op 3 juli 2011. Knight noemt hem verkeerdelijk Edward Curll. Gearchiveerd op 5 februari 2017., een notoire geldwolf en schrijver van pornografieCurll werd in 1727 de eerste die door een Engelse rechtbank wegens obsceniteit werd veroordeeld. Zie: Martha C. Nussbaum, Alison L. LaCroix (2013), Subversion and Sympathy: Gender, Law, and the British Novel. New York: Oxford University Press, blz. 74, , die zijn beschrijvingen kennelijk uit de aantekeningen van Thomas Betterton had samengesteld. Volgens Curll was ze de dochter van kolonel Edward BarryWaarschijnlijk echter Robert Barry (Howe, blz. 114)., een welstellend advocaat die ten tijde van de Engelse Burgeroorlog aan de zijde van de Cavaliers had gestreden en zijn fortuin was kwijtgeraakt. Als kind zou Elizabeth onder de hoede van Lady Davenant gekomen zijn, de weduwe van Sir William Davenant, bij wie ze een degelijke opvoeding zou hebben genoten. Aangezien William Davenant in 1668 overleed en zijn weduwe de facto de leiding over diens toneelgezelschap, The Duke’s Company, had overgenomen, is het waarschijnlijk dat Barry langs deze weg met het theater in aanraking is gekomen. Lady Davenant zou het gezelschap van 1668 tot 1673 (ongebruikelijk voor een vrouw) met ferme hand hebben bestierd.Howe, blz. 26.
Vóór het herstel van de monarchie in 1660 bestonden in Engeland geen professionele actrices. In de Elizabethaanse en Jacobijnse periode werden vrouwenrollen doorgaans door jongemannen vertolkt; Edward Kynaston was een van de bekendste knapen die in vrouwelijke personages gespecialiseerd waren. De weinige daadwerkelijke vrouwen op de scène waren meestal aristocrates die voor een besloten publiek speelden. Onder het republikeinse protectoraat van Oliver Cromwell werd theater officieel verboden, met als argument dat het onzedelijk en immoreel was. The Siege of Rhodes van William Davenant, dat als de eerste Engelse opera geldt, dateert uit deze periode en was een clandestiene productie. De troonsbestijging van Karel II bracht een volledige ommekeer in het culturele leven teweeg. De Merry Monarch was verzot op theater en verleende in 1663 een officieel handvest aan Thomas Killigrew om een schouwburg te openen, die als The King’s Theatre bekendstond en zich uiteindelijk in Drury Lane vestigde. Het daaropvolgende jaar werd in Lincoln’s Inn Fields een schouwburg geopend die onder het patronaat van de broer van de koning stond, James, hertog van York.Christopher Falkus (1972), The Life and Times of Charles II. Londen: George Weidenfeld and Nicolson Limited and Book Club Associates, blz. 72. In de volgende twee decennia wedijverden de beide monopolisten, The King’s Company en The Duke’s Company, constant met elkander om de populairste toneelstukken en de indrukwekkendste regies. De grote vedetten van The King’s Company waren Charles Hart en Nell Gwyn, terwijl The Duke’s Company aanvankelijk vooral met Moll Davis als uithangbord uitpakte. Zowel Gwyn als Davis verliet het theater echter in 1668, waardoor beide gezelschappen eensklaps zonder steractrice vielen en naar nieuw vrouwelijk talent op zoek gingen.
Maîtresse van Rochester thumb|John Wilmot, earl van Rochester. Portret door Peter Lely. Barry’s eerste stappen in het theater waren volgens de overlevering niet bijster geslaagd. Sommige bronnen opperen dat William Davenant haar tot actrice poogde op te leiden, maar door haar gebrek aan talent tot wanhoop gedreven werd; Davenants dood anno 1668 — toen Barry ternauwernood tien jaar oud was — maakt deze bewering onwaarschijnlijk. Enige informatie over haar jonge jaren stamt van Colley Cibber en Thomas Betterton. Voor zover bekend verscheen Barry voor het eerst in 1675 op de scène en speelde ze een kleine rol in Alcibiades van Thomas Otway. Haar acteerwerk moet slecht zijn geweest, want in datzelfde seizoen werd ze ontslagen. Vast staat dat ze omstreeks 1675 nauwe contacten met John Wilmot, de earl van Rochester, onderhouden moet hebben. Volgens Betterton sloot Rochester een weddenschap af: hij zou binnen zes maanden van de incompetente Elizabeth Barry de allerbeste actrice maken. Curll stelt dat Rochester haar leerde hoe ze aan elke zin de juiste gelaatsuitdrukkingen, intonaties, ritmes en houdingen moest verbinden.
Barry keerde terug naar het theater als de koningin van Hongarije in Mustapha, een tragedie uit 1665 van Roger Boyle, de 1ste earl van Orrery. Tijdens de première maakte ze volgens Curll een verpletterende indruk, zoals nog nooit eerder op de bühne vertoond.Geciteerd in Howe, blz. 114. Een opvallende vernieuwing was dat Barry ook wanneer ze niet aan het woord was in haar personage bleef: tot dan toe was het gebruikelijk geweest dat acteurs uit hun rol vielen wanneer ze niet actief aan de actie deelnamen. Barry bleef daarentegen de hele tijd, ook op de achtergrond, acteren. De relatie tussen Barry en Rochester was kennelijk meer dan een leerling-leerkrachtverhouding, want in december 1677 beviel Barry van een dochter, die Elizabeth Clerke werd gedooptDavid M. Vieth (1962), The Complete Poems of John Wilmot, Earl of Rochester. New Haven en Londen: Yale University Press, blz. xxiii, , maar wier identiteit als kind van Rochester een publiek geheim was. Deze dochter stierf op twaalf- of dertienjarige leeftijd.Ibid. Er is een gedicht in Rochesters handschrift bewaard (‘Leave this gaudy gilded stage...’) waarvan verondersteld wordt dat het aan Barry was gericht.Vieth, blz. 85. Rochester overleed anno 1680 aan syfilis.
Doorbraak thumb|Thomas Otway door William Blake. Vanaf 1678 kreeg Barry hoofdrollen in grote, tragische toneelstukken, als eerste in The Destruction of Troy van John Banks. Het daaropvolgende jaar maakte Otway haar tot een protagonist in zijn The History and Fall of Caius Marius. Een belangrijk verschil met het theater van vóór de Cromwell-periode was dat toneelauteurs in de Restauratie hun stukken in opdracht van bepaalde gezelschappen gingen schrijven, en zodoende hun teksten schreven met bepaalde uitvoerders in gedachten. Bekend is dat Thomas Otway jarenlang ongelukkig verliefd was op Barry, en er zijn meerdere brieven uit zijn latere jaren overgeleverd waarin hij, toen hij geestelijk instabiel werd, zijn gevoelens voor haar uitdrukt. Otway schreef zijn heroïsche rollen speciaal voor Barry en legde haar geregeld zwaar pathetische woorden in de mond, die haar uitgebreide mogelijkheden boden om haar brede spectrum aan expressies te etaleren.
The Orphan uit 1680 markeerde een mijlpaal in haar carrière. In dit treurspel concentreerde Otway zich niet zozeer op staat en politiek als op het lijden van de tragische heldin Monimia, die uiteraard door Barry werd vertolkt. Verslagen uit die tijd spraken zeer lovend over alle acteurs, maar in het bijzonder over Barry, die volgens Cibber als geen ander de ‘kunst om medelijden op te wekken’ beheerste. The Orphan was het eerste voorbeeld van een nieuw subgenre dat als ‘she-tragedy’ bekend werd: dergelijke toneelstukken hadden een heldhaftige vrouw als thema. Nahum Tate oogstte algauw succes met zijn bewerking van Koning Lear, waarin hij Cordelia door Barry liet vertolken en aldus handig van haar populariteit gebruikmaakte. Met Otways Venice Preserved uit 1682 was Barry’s reputatie als steractrice definitief gevestigd. Circa 1680 gaf ze dictielessen aan prinses Anna Stuart, de latere koningin Anna van Groot-Brittannië.James Anderson Winn (2014), Queen Anne. Patroness of Arts. Oxford: Oxford University Press, blz. 63,
thumb|Thomas Betterton door Godfrey Kneller. Anno 1682 fuseerden The King’s Company en The Duke’s Company om financiële redenen tot The United Company onder leiding van Betterton. De verloning voor de actrices was aanzienlijk lager dan die voor de acteurs: ofschoon Barry en Betterton qua faam van hetzelfde kaliber waren, ontving Betterton £ 5 per week (een zeer aanzienlijk bedrag), terwijl Barry 50 shilling kreeg. Wel ontvingen actrices van de Lord Chamberlain speciale karmozijnrode mantels. Dergelijke mantels betekenden dat zij onder koninklijke bescherming stonden, hetgeen concreet inhield dat ze niet door schuldeisers vervolgd konden worden.Howe, blz. 27. Barry was een van de weinige vrouwen die dankzij hun succes hun maatschappelijke status konden verbeteren.
In 1695 kwam het tot een conflict binnen de United Company. Alexander Davenant, zoon van William, had met geleend geld een aandeel in het gezelschap gekocht en overreedde Barry en anderen om hem op hun beurt geld te lenen (het ging in Barry’s geval om het reusachtige bedrag van £ 600 à £ 800Howe, blz. 28.). Barry en Betterton namen het initiatief voor een petitie bij de Lord Chamberlain, die zou leiden tot hun afscheuring van de United Company. Koning William III verhoorde hen persoonlijk en verleende in maart 1695 een licentie aan Barry, Betterton en Bracegirdle om hun eigen theatergezelschap te stichten. Vier vrouwen kregen aandelen in dit gezelschap. In de tussentijd was Anne Bracegirdle tot een even grote beroemdheid als Barry uitgegroeid, al was zij beter in komedie dan tragedie. Gedurende de jaren 90 traden Barry en Bracegirdle steeds vaker als komisch duo op.
Late jaren en afscheid van het toneel thumb|Willem III te paard, door Godfrey Kneller. Rechts Elizabeth Barry (knielend) als Ceres en Anne Bracegirdle als Flora.