Dit artikel behandelt de schoennijverheid in Izegem. Geschiedenis Periode tot 1840 Er wordt vaak naar Izegem verwezen als de Belgische schoenenstad bij uitstek. De basis hiervan wordt gelegd in de 17e eeuw. Hiervan zijn geen bronnen, enkel de woorden van Emiel Dierick (zoon van Eduard Dierick), samen met zijn vader, een grondleggers van de Izegemse schoennijverheid. Hij schreef in 1927 dat er 2 redenen zijn die als bewijs kunnen dienen. De eerste is het feit dat er een aantal gebruiken (in deze context wordt een gebruik gezien als zowel een gilde als gebruiken binnen deze gildes) bestonden die ontstaan zijn in de middeleeuwen. Zo mochten enkel de zonen van schoenmakers de ambacht aanleren. Iemand die niet van schoenmakersafkomst was, kon enkel als leergast aanvaard worden als er een gebrek aan leergasten was en als het bestuur van de gilde zijn toestemming gaf. Een ander gebruik was dat de eerste schoen die gemaakt werd door een leergast, over hun huis geworpen moest worden. Kwam deze schoen op de zool terecht, dan werd de leerling schoenmaker. Viel het omgekeerd, dan kon men geen schoenmaker worden. Een tweede reden is dat er talrijke schoenmakerfamilies waren die al vele generaties lang schoenen maakten. Voorbeelden zijn de families Dierick, Clement, Cottenie, enz. Deze families maakten toen al generaties lang schoenen.

In deze periode werden vooral schoenen gemaakt voor dagelijks gebruik, nl. “slissen” (= eenvoudige platte schoenen), “kazakkeschoenen” (= primitieve zware schoenen), bottines en laarzen. Ze werden enkel op de markten in en rond Izegem verkocht. Omdat er in deze tijd weinig tot geen verkeersmiddelen beschikbaar waren, werd de schoennijverheid niet verder verspreid. De schoenmaker trok naar de markten met zijn koopwaren gewikkeld in een zwart kleed (“bazatse”) en droeg dit op de rug. Indien de schoenmaker een kruiwagen had, gebruikte hij deze. Sommigen hadden het financieel iets breder en beschikten over een hondenkar om de schoenen naar de markt te brengen.

Tijdens de Franse tijd (1794-1815) was Izegem al een gekend centrum voor schoennijverheid, maar krijgt het pas echt belang nadat de Izegemse schoenmakers de opdracht krijgen om schoenen te maken voor de slecht geschoeide Franse bezetters. West-Vlaanderen krijgt de opdracht om 21.200 paar schoenen te fabriceren en te leveren aan de Fransen. Izegem dient zijn steentje bij te dragen en helpt mee met het maken van deze schoenen.

Zeker te vermelden in deze periode is Eduard Dierick, de grondlegger van de Izegemse luxeschoennijverheid. Hij is een telg van een echte schoenmakersfamilie, die al vele generaties lang schoenen maakt. In 1818 neemt hij het atelier van zijn overleden vader over. Op dat moment had hij slechts enkele malen zijn vader geholpen, veelal was het dan slechts het naaien van de zolen of het poetsen van de afgewerkte schoenen. Echter, onder leiding van een van zijn vaders schoenmakersknechten, François Malfait, leert hij zeer snel de kneepjes van het vak. In 1830 bedenkt hij een nieuwe manier om schoenen te assembleren. Tot 1830 werden loopzolen veelal vastgenaaid bij assemblage of werd er gebruik gemaakt van houten tapjes of pinnen om de onderzool vast te maken aan het bovenleer en binnenzool. Eduard Dierick begon daarentegen zelfgemaakte koperen nageltjes te gebruiken in plaats van de houten variant. Dit was zo succesvol dat hij hiervoor een octrooi aanvroeg bij Koning Willem I waardoor hij de enige in de Nederlanden was die dit systeem mocht gebruiken. Omdat het octrooi enkel in de Nederlanden gold, begonnen Duitse schoenmakers dit systeem echter zeer snel te kopiëren.

Door zijn succes als luxe-schoenmaker, maakt Eduard niet enkel schoenen voor de naburige markt, maar behoren de adellijke families uit Izegem en zelfs de familie De Jonghe d'Ardoye tot zijn klandizie. Door laatstgenoemde familie, die diplomatieke betrekkingen had in Parijs, Sint-Petersburg en tal van andere Europese hoofdsteden, stijgt de vraag naar zijn luxeschoenen. Ook notabelen uit de Vlaamse hoofdsteden van die tijd (Brugge, Gent, Oostende, Antwerpen, enz.) kwamen naar het atelier van Eduard Dierick afgezakt voor hun schoenen. Naast het feit dat hij een begaafd schoenmaker was, is het gegeven dat hij een uitstekend leermeester was ook zeer belangrijk voor het succes van Eduard Dierick. In tegenstelling tot de andere schoenmakersbazen, laat Eduard zijn personeel bij hem werken. Hierdoor krijgen ze een zeer bijzondere opleiding van de leermeester zelf. Hierdoor werden ze zeer gedreven schoenmakersknechten. Sommige van hen begonnen later zelfstandig te werken en groeien uit tot de beste schoenmakersbazen van Izegem. Op deze manier wordt de kennis die ze hebben opgedaan bij Eduard Dierick, verder verspreid.

1840-1875

In deze periode kent de Izegemse schoennijverheid een sterke groei. Naast het succes van Eduard Dierick, zijn er nog een aantal andere factoren die de schoennijverheid van Izegem bevorderd hebben. De eerste hiervan is het wegvallen van de linnennijverheid. Het grootse deel van de bevolking hield zich er op een of andere manier mee bezig. In eerste instantie diende deze industrie als een extra inkomen om voedsel en grondstoffen te kunnen aankopen, maar nadien werd dit geleidelijk aan de hoofdbezigheid van gezinnen. Wanneer deze markt dan instortte, kwamen veel mensen in de armoede terecht. Hierdoor ontstaat er een groot aanbod aan goedkope werkkrachten. Vele van hen beginnen daardoor in de schoennijverheid te werken. Aangezien de linnennijverheid voornamelijk een huisnijverheid is, zochten de mensen een alternatief daarvoor. Het zorgt voor een zeer sterk gevoel van vrijheid bij de mensen die thuis werken. Voor de schoenmakerspatroons is de huisnijverheid een positief gegeven, het is namelijk een flexibel en goedkope manier van werken. Bijgevolg werkten schoenmakersknechten veelal thuis.

Een andere reden voor de groei van de schoennijverheid is het wegvallen van de gilden. In 1791 werd er een wet ingesteld die de ambachten en gilden afschaft. Ondanks deze wet, bleven er vele gilden bestaan die strikte regels en gebruiken oplegden. Het is pas sinds 1860 dat de gilden in onbruik raakten. De gebroeders Verhoeven uit Moeskroen vestigden zich in 1860 in Izegem als schoenfabrikant. Ze trokken zich niets aan van de gebruiken en regels van de (eerder afgeschafte) gilden waardoor geleidelijk aan andere fabrikanten deze ook links lieten liggen. Een laatste, logische oorzaak is de groei van het bevolkingsaantal van Izegem. Meer mensen betekent meer schoenen die nodig zijn, dit op zijn beurt verlangt een grotere productie van de schoenmakers en om mee te kunnen met de vraag worden er meer schoenmakersknechten aangeworven en beginnen er meer schoenmakers als zelfstandige.

Het wegvallen van de gilden heeft nog andere, belangrijke gevolgen voor de schoennijverheid. Iedereen mocht zich als schoenmakersbaas vestigen en mocht het schoenmakersambacht vrijelijk aangeleerd worden, de regels van de gilde moeten niet meer gevolgd worden. Hierdoor komen niet-Izegemse (veelal Franse) schoenmakers zich in Izegem vestigen. Ook wordt de concurrentie sterker, de schoenmakers dienen zich te specialiseren om een voorsprong op de ander te krijgen. dit heeft op zijn beurt tot gevolg dat de kwaliteit van de schoenen alsmaar beter wordt. Het gebruik van de stikmachine speelt hier een belangrijke rol in.

Door de steeds beter wordende kwaliteit van de Izegemse schoenen, openen er zich nieuwe afzetmarkten. In eerste instantie zijn dit gemeenten aan de Franse grens (Rijsel, Tourcoing, Roubaix) met daarna Frankrijk zelf. Daarna volgen Doornik en de Borinage als belangrijke afnemers van de Izegemse schoenen. Ook belangrijke handelszaken in Brussel, Antwerpen, Luik en Gent besteden bestellingen uit aan de Izegemse ateliers. Frankrijk is het belangrijkste afzetgebied voor Izegemse schoenfabrikanten. Het is hier dat de naam "Chaussures d'Iseghem" ontstaat en veel faam verwerft. In dit kader wordt er een handelsverdrag afgesloten in 1861 waardoor het nog makkelijker wordt om schoenen naar Frankrijk uit te voeren. Dit blijft zo tot 1873, wanneer de Franse autoriteiten torenhoge invoerrechten gaan heffen.

Omdat de Izegemse schoenmakers steeds meer voor de export werken, worden de eisen van het cliënteel alsmaar groter. De mode wordt beter opgevolgd en nieuwe technische procedés werden ingevoerd. De kwaliteit van de Izegemse schoen gaat er sterk op vooruit. Zo zijn er bijvoorbeeld 6 Izegemse schoenmakers die hun kunstwerkjes tentoonstellen op de Wereldtentoonstelling van 1867 in Parijs. 4 van hen krijgen een eervolle vermelding. Hierdoor worden de Izegemse schoenen nog meer gegeerd.

1875-1900 In het laatste kwart van de 19e eeuw blijft de Izegemse schoennijverheid groeien. Dit heeft onder andere tot gevolg dat het aantal schoenmakers enorm sterk stijgt en dat deze zich vaker bij kapitaalkrachtige patroons laten tewerkstellen. Dit is uiteraard te zien in de bevolkingsstatistieken van deze periode, er komen tal van mensen van omliggende gemeenten in Izegem wonen. De gunstige arbeidsmogelijkheden in Izegem zorgen namelijk voor een grote aantrekkingskracht. Een van de redenen van het succes van de Izegemse luxeschoenen is dat de schoenmakerspatroons zich richten op weinig standaardiseerbare en sterk conjunctuurgevoelige gebruiksgoederen. Door gebruik te maken van flexibele en goedkope arbeiders (huiswerk) blijven de vaste productiekosten laag en kan er meer winst gegenereerd worden.

Ook in deze periode blijft de vraag naar hoogstaande kwalitatieve schoenen groot. De eisen worden almaar strenger en blijven de modeschoenen fel begeerd. Door het succes van de Izegemse schoennijverheid ontstaat er een nevenindustrie, namelijk de leestenfabricatie. Tot nu toe werden deze ingevoerd vanuit Duitsland, Frankrijk en Brussel. In 1860 waren er hier en daar al wat mannen die grove leesten fabriceerden of enkele schoenmakers die hun eigen leesten maakten, maar het is pas in 1900 dat de eerste echte leestenfabriek in Izegem ontstaat. Hierdoor is het veel makkelijker voor de schoenmakers om op de nieuwe trends en modes in te spelen. Ze hoeven niet ver te lopen voor hun speciaal op maat gemaakte leesten.

thumb|265px|Aert van den Bossche(1494): De martelaarsdood van Crispinus en Crispinianus

Belangrijk te vermelden in deze periode is het ontstaan van de Sint-Crispijnsgilde. Dit enerzijds als tegenkanting van de vele “herberggilden”, waar het voornamelijk draaide rond drinken en feesten en anderzijds omdat er almaar meer schoenmakers zijn en deze zich in een degelijke gilde willen verenigen. Emiel Dierick was hier deken en een onderpastoor was proost. De bedoeling van deze gilde was simpel. Ze willen de verbroedering tussen patroons en arbeiders stimuleren en materiële verbeteringen bereiken door lessen, vergaderingen en voordrachten. Een degelijke vakopleiding kon zeker niet ontbreken. In 1896 werd er een bijstandskas opgericht voor de oude en zieke leden alsook was er het begin van een soort ziekte- en werklozenkas. De arbeiders zelf gaan zich organiseren en vormen op deze manier de voorloper van de syndicaten. Het duurt niet lang voor de eerste ongenoegen over het loon de kop opsteken. De eerste staking is er een om meer loon te verkrijgen. Zeker belangrijk hierbij te vermelden, is dat wanneer er bij 1 fabriek problemen ontstonden, deze snel gevolgd werden in de andere fabrieken. Deze lagen namelijk meestal op een boogscheut van elkaar dus ging iedereen snel mee staken.