Bowers & Wilkins (B&W) is een Britse fabrikant van audioapparatuur, met name luidsprekers en hoofdtelefoons. Het bedrijf werd in 1966 opgericht in Worthing, Engeland. Het bedrijf maakt sinds 2025 deel uit van Harman International, dat op zijn beurt een dochteronderneming is van Samsung Electronics.
Geschiedenis
Ontstaan en jaren 1960 De geschiedenis van Bowers & Wilkins gaat terug tot 1946, toen John Bowers en Roy Wilkins in Worthing een winkel in radio- en elektronische apparatuur begonnen. De twee hadden elkaar tijdens de Tweede Wereldoorlog leren kennen toen zij dienden bij het Britse Royal Corps of Signals. De onderneming breidde haar activiteiten later uit met de verkoop en verhuur van televisietoestellen en een reparatieafdeling. Daarnaast leverde het bedrijf geluidsinstallaties aan onder meer scholen en kerken in Sussex.
Bowers raakte in toenemende mate betrokken bij het ontwerpen en aanpassen van luidsprekers, omdat hij ontevreden was over de geluidsweergave van bestaande modellen. In een werkplaats achter de winkel ontstond een kleinschalige productie van luidsprekers.
In 1966 richtte Bowers hiervoor een afzonderlijke onderneming op onder de naam B&W Loudspeakers Ltd.. Een jaar later verscheen de P1, de eerste commercieel geproduceerde luidspreker van het bedrijf. De behuizing en het scheidingsfilter werden door B&W zelf ontworpen, terwijl de luidsprekereenheden afkomstig waren van onder andere EMI en Celestion. Met de opbrengsten van de P1 investeerde Bowers in meetapparatuur waarmee de eigenschappen van luidsprekers nauwkeuriger konden worden onderzocht.
In 1968 werd het Nederlandse Audioscript aangesteld als de eerste buitenlandse distributeur van het bedrijf. In hetzelfde jaar verschenen de DM1 en DM3. Dennis Ward, voormalig technisch manager bij EMI, trad in 1969 toe tot het bestuur en speelde een rol bij de verdere ontwikkeling van eigen luidsprekereenheden.
Jaren 1970 Aan het begin van de jaren zeventig breidde B&W zijn onderzoek en productie verder uit. In 1970 verschenen onder meer de P2, voorzien van een Ionovac-tweeter, en de DM70. De DM70 combineerde een conventionele lagetonenluidspreker met een elektrostatisch paneel voor de midden- en hoge frequenties.
In 1972 opende B&W een nieuwe productiefaciliteit aan Meadow Road in Worthing. Hier beschikte het bedrijf onder meer over dode kamers en meetapparatuur van Brüel & Kjær. Onder leiding van onder anderen onderzoeker Peter Fryer werd onderzoek gedaan naar het fasegedrag van luidsprekers en naar de beweging en vervorming van luidsprekerconussen. Daarbij werd gebruikgemaakt van laserinterferometrie.
Een belangrijke ontwikkeling uit deze periode was het gebruik van geweven Kevlarvezels voor luidsprekerconussen. Het materiaal combineerde een relatief geringe massa met stijfheid en interne demping en werd uiteindelijk een van de herkenbaarste technische kenmerken van B&W. De gele Kevlar-conus werd in 1976 toegepast in de DM6. Bij dit model werden de afzonderlijke luidsprekereenheden bovendien op verschillende dieptes geplaatst om hun akoestische oorsprong beter in de tijd op elkaar af te stemmen.
In 1973 ontving het bedrijf een Queen's Award for Export. B&W ontwikkelde in deze periode tevens monitorluidsprekers voor professioneel gebruik. Industrieel ontwerper Kenneth Grange werd in 1974 bij de onderneming betrokken.
De DM7 uit 1977 kreeg een afzonderlijk boven op de behuizing geplaatste tweeter. Dit zogenoemde Tweeter-on-Top-principe werd later op verschillende andere luidsprekers van B&W toegepast.
In 1979 introduceerde B&W de 801, die na ongeveer drie jaar ontwikkeling tot stand was gekomen. De luidspreker was ontworpen als een zeer nauwkeurige monitor voor zowel professioneel als huishoudelijk gebruik. Rond 1980 werd de 801 door Abbey Road Studios in gebruik genomen als referentiemonitor. Daarmee begon een langdurige samenwerking tussen Bowers & Wilkins en de Londense opnamestudio.
Jaren 1980 In het begin van de jaren tachtig legde B&W meer nadruk op zelfstandig onderzoek. In 1982 werd in Steyning een afzonderlijk onderzoekscentrum geopend, het Steyning Research Establishment (SRE). Dit centrum zou tientallen jaren een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van nieuwe luidsprekertechnieken.
Onderzoek naar actieve scheidingsfilters leidde in 1984 tot de John Bowers Active One, een actief luidsprekersysteem.
In dezelfde periode werkte ingenieur Laurence Dickie aan een methode om resonanties van luidsprekerkasten te verminderen. Hieruit ontstond de zogenoemde Matrix-constructie. Daarbij wordt de binnenzijde van de kast verstevigd met een driedimensionaal raster van onderling verbonden panelen. Hierdoor wordt de stijfheid van de behuizing vergroot en worden ongewenste trillingen en kleuring door de kast verminderd. De techniek werd vanaf de jaren tachtig op verschillende modellen toegepast en vormde onder meer de basis voor de Matrix 801 uit 1987.
In 1986 vierde het bedrijf zijn twintigjarig bestaan. In datzelfde jaar trad ontwerper John Dibb in dienst, die later verantwoordelijk werd voor verschillende modellen en speciale uitvoeringen.
John Bowers overleed in 1987. Daarna kwam de leiding van het bedrijf in handen van Robert Trunz, die eerder betrokken was geraakt als investeerder. Voor zijn overlijden had Bowers onderzoek laten verrichten naar een luidspreker waarbij de invloed van de behuizing zo veel mogelijk werd geëlimineerd. De verdere ontwikkeling van dit project werd aan Laurence Dickie toevertrouwd.
Jaren 1990 In 1991 bracht B&W de Silver Signature uit ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de onderneming. Het model was tevens bedoeld als eerbetoon aan John Bowers.
In dezelfde periode werkte Laurence Dickie verder aan het experimentele luidsprekerproject dat later bekend werd als de Nautilus. In plaats van een conventionele gesloten luidsprekerkast werden de afzonderlijke luidsprekereenheden aan de achterzijde gekoppeld aan lange, taps toelopende buizen. Deze buizen absorberen een groot deel van de naar achteren uitgestraalde energie van de luidsprekereenheden, waardoor interne reflecties worden beperkt. Voor de laagweergave werd de lange buis spiraalvormig opgerold, wat uiteindelijk de karakteristieke vorm van de Nautilus bepaalde.
Na ongeveer vijf jaar ontwikkeling werd de Nautilus in 1993 geïntroduceerd. Het model fungeerde als technologisch onderzoeksproject en verschillende principes ervan werden later overgenomen in andere productseries van B&W. Zo verschenen in 1998 de eerste modellen uit de Nautilus 800 Series, waarin onder meer de buisbelasting achter de tweeter werd toegepast.
Een andere techniek die in verschillende B&W-luidsprekers werd toegepast was Flowport. Hierbij is het oppervlak van de basreflexpoort voorzien van kleine verdiepingen. Deze vormgeving is bedoeld om turbulentie van de luchtstroom in en rond de poort te verminderen. Flowport werd onder meer toegepast binnen de Nautilus 800-serie en latere luidsprekerreeksen.
Robert Trunz verkocht in 1996 zijn belang in het bedrijf, waarna Joe Atkins de zeggenschap over Bowers & Wilkins verkreeg. Laurence Dickie verliet B&W eind jaren negentig.
Jaren 2000 In 2002 verhuisde Bowers & Wilkins zijn hoofdkantoor, opslag en een groot deel van de productie in Worthing naar een nieuw complex aan Dale Road. Daarnaast beschikte het bedrijf over productiefaciliteiten elders in het Verenigd Koninkrijk en Denemarken.
In 2005 werd de bestaande 800-serie opgevolgd door de 800 Series Diamond. Bij verschillende modellen werd voor het eerst een tweeter met een koepel van synthetisch diamant toegepast. De diamantlaag wordt gevormd door chemische dampafzetting. Door de combinatie van een lage massa en zeer grote stijfheid kon de eerste eigen resonantie van de tweeter tot boven het hoorbare frequentiegebied worden verschoven.
B&W ontving in 2005 een Queen's Award for Innovation voor de toepassing van zijn buisbelaste luidsprekereenheden. Ook ontvingen verschillende modellen uit de 800-serie onderscheidingen van de EISA.
In 2006 introduceerde het bedrijf de CM Series. Een jaar later verscheen de Zeppelin, een geïntegreerd luidsprekersysteem dat aanvankelijk werd ontwikkeld voor de iPod. Hiermee breidde B&W zijn activiteiten verder uit buiten de traditionele hifiluidsprekermarkt.
In 2007 richtte het bedrijf tevens de Society of Sound op, een initiatief rond hoogwaardige muziekopnamen. B&W werkte hiervoor onder andere samen met Peter Gabriel en diens Real World Studios.
Vanaf 2008 leverde Bowers & Wilkins ook audiosystemen voor auto's van Jaguar. Het systeem voor de Jaguar XF bestond onder meer uit veertien luidsprekers en digitale signaalverwerking.
Jaren 2010 In 2010 verscheen een vernieuwde generatie van de 800 Series Diamond. In 2015 volgde de D3-generatie, waarbij een groot deel van de constructie opnieuw werd ontworpen. De tot dan toe kenmerkende gele Kevlar-middentonenconus werd vervangen door het door B&W ontwikkelde Continuum-membraan. Matrix-versteviging, diamanttweeters en Flowport bleven in gewijzigde vorm onderdeel van de serie.
In mei 2016 werd Bowers & Wilkins overgenomen door Eva Automation, een technologiebedrijf dat was opgericht door de Amerikaanse ondernemer Gideon Yu.
De reeds lang bestaande samenwerking met Abbey Road Studios werd in 2017 geformaliseerd toen Bowers & Wilkins de officiële partner voor luidsprekers en hoofdtelefoons van de studio werd.
In 2019 verhuisde het onderzoeks- en ontwikkelingsteam van Steyning naar een groter onderzoekscentrum in Southwater. De afkorting SRE bleef daarbij in gebruik, voortaan als Southwater Research Establishment.
Jaren 2020 In oktober 2020 werd Bowers & Wilkins overgenomen door Sound United, de audiogroep waartoe onder meer Denon, Marantz en Polk Audio behoorden. Sound United werd in 2022 op zijn beurt overgenomen door het Amerikaanse medische-technologiebedrijf Masimo.
In mei 2025 maakte Masimo bekend zijn consumentenaudiodivisie, waaronder Bowers & Wilkins, voor 350 miljoen Amerikaanse dollar te verkopen aan Harman International. De overname werd op 23 september 2025 afgerond. Sound United werd daarna als afzonderlijke bedrijfseenheid ondergebracht binnen Harmans Lifestyle-divisie. Harman is sinds 2017 volledig eigendom van Samsung Electronics.
In 2025 bracht Bowers & Wilkins tevens de 801 Abbey Road Limited Edition uit, gebaseerd op de 801 D4 Signature. De uitvoering werd geproduceerd ter gelegenheid van ongeveer 45 jaar samenwerking met Abbey Road Studios en was beperkt tot 144 paar. De afwerking verwees met onder meer walnotenhout en rood leer naar het interieur van de studio.
De Nautilus bleef ook na drie decennia in productie. In 2026 besteedde Bowers & Wilkins aandacht aan het dertigjarig bestaan van het model en de invloed die de daarin ontwikkelde taps toelopende buistechniek op latere luidsprekers van het merk heeft gehad.
Innovatie Onderzoek en ontwikkeling spelen sinds de oprichting een belangrijke rol binnen Bowers & Wilkins. Oprichter John Bowers legde sterk de nadruk op metingen en experimenteel onderzoek naar luidsprekerconstructies. Hiervoor beschikte het bedrijf vanaf 1982 over een eigen onderzoekscentrum, het Steyning Research Establishment (SRE) in Steyning. Het centrum beschikte over speciaal ingerichte meetruimten en apparatuur voor akoestisch onderzoek.
Naast akoestische techniek speelde industrieel ontwerp een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de producten. Vanaf het midden van de jaren zeventig werkte Bowers & Wilkins samen met industrieel ontwerper Kenneth Grange. Eind jaren negentig kreeg Morten Warren een leidende rol binnen de ontwerpafdeling en was hij onder meer betrokken bij het ontwerp van de 800-serie.
Tot de bekendste door Bowers & Wilkins toegepaste of ontwikkelde technieken behoren: